Einde inhoudsopgave
De verbintenisrechtelijke bescherming van de kleine opdrachtnemer (MSR nr. 85) 2023/1.3.2
1.3.2 Onderzoeksmethode
N.M.Q. van der Neut, datum 22-09-2023
- Datum
22-09-2023
- Auteur
N.M.Q. van der Neut
- JCDI
JCDI:ADS855286:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Juridische dogmatiek heeft immers als object van het onderzoek het geldende positieve recht (Asser/Vranken Algemeen deel**** 2014/8).
Daaronder versta ik mede onderzoeken van beleidsmatige aard, de zgn. ‘grijze literatuur’.
HR 23 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0616 (Davelaar/Allspan).
HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9854 (Gemeente De Ronde Venen/Stedin).
Een vergelijking van gehele rechtsgebieden i.p.v. bijv. specifieke normen is in beginsel weinig zinvol (Schlössels 2015, p. 263).
De regeling aanneming van werk in het algemeen (afd. 7.12.1 BW) reguleert de rechtsverhouding tussen de opdrachtgever en aannemer op een consistente en evenwichtige wijze (Asser/Van den Berg & Van Gulijk 7-VI 2022/7). Deze regeling is niet geschreven met het doel een van de partijen meer bescherming te bieden (Kamerstukken II 1992/93, 23 095, 3, p. 1). De afdeling ‘Bijzondere bepalingen voor de bouw van een woning in opdracht van een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf’ differentieert wel, maar laat ik verder onbesproken, omdat het in die afdeling gaat om bepalingen ter bescherming van de consument-opdrachtgever (afd. 7.12.2 BW), terwijl in deze studie wordt uitgegaan van een niet-particuliere opdrachtgever.
De agentuurovereenkomst is een bijzondere vorm van de overeenkomst van opdracht. De kern van de regeling inzake de agentuurovereenkomst (afd. 7.7.4 BW) is vooral gelegen in het beschermen van de handelsagent tegenover de principaal (Urlus, Charatjan & Christ, De agentuurovereenkomst (R&P nr. CA16) 2017/1; Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2022/321). De reden daarvan is dat de handelsagent tegenover de principaal een relatief afhankelijke positie inneemt (vgl. t.a.v. de Agentuurrichtlijn (Richtlijn 86/653/EEG) HvJ EG 30 april 1998, C-215/97, ECLI:EU:C:1998:189 (Bellone); HvJ EG 9 november 2000, C-381/98, ECLI:EU:C:2000:605 (Ingmar); HvJ EG 23 maart 2006, C-465/04, ECLI:EU:C:2006:199 (Honyvem Informazioni Commerciali); HvJ EG 17 januari 2008, C-19/07, ECLI:EU:C:2008:23 (Chevassus-Marche/Danone)). De afdeling inzake de agentuurovereenkomst (afd. 7.7.4 BW) is beschermend en wijkt daarmee substantieel af van die inzake de opdracht in het algemeen (afd. 7.7.1 BW) (Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2022/321).
De huurovereenkomst van een woonruimte is een overeenkomst die maatschappelijk belangrijke materie reguleert (Kamerstukken II 1997/98, 26 089, 3, p. 2). De grondgedachte daarbij is de bescherming van de huurder (Kamerstukken II 2000/01, 26 089, 19, p. 13). Historisch zien alle wetgevingsinspanningen met betrekking tot de huur van woonruimtes op regelgeving waarbij bescherming van de huurder vooropstaat (zie in chronologische volgorde de Huurcommissiewet 1917, de Huuropzeggingswet 1918, het Huurprijsbesluit 1940, het Huurprijsuitvoeringsbesluit 1941, het Huurbeschermingsbesluit 1941, de Huurwet van 1 januari 1951, de wijzingen in 1979 en – tot slot – de aanpassingen in 2003).
De algemene doelstelling van de bepalingen op het gebied van de huur van een bedrijfsruimte is de bescherming van de huurder voorop te stellen (Kerpestein 2005, p. 45; Kerpestein 2012, p. 71; Asser/Rossel & Heisterkamp 7-II 2021/14). De bescherming van de huurder van een bedrijfsruimte is (mede) in het leven geroepen, omdat een dergelijke huurder sterk afhankelijk is van zijn vaste klanten en met het oog daarop moeilijk zijn bedrijf kan verplaatsen naar een andere locatie. Verplaatsing betekent namelijk doorgaans inkomensverlies. Zoals de werknemer bescherming nodig heeft tegen ontslag, verdient de huurder van een bedrijfsruimte bescherming tegen opzegging van de huur (Kamerstukken II 2000/01, 26 089, 19, p. 53).
Ik zal m.n. bekijken of aan deze bescherming een ruime of een restrictieve uitleg wordt gegeven en waarom dat gebeurt.
Dat zou eventueel kunnen leiden tot een analogische toepassing. Dat houdt in dat een rechtsregel uit een wettelijke bepaling wordt toegepast op een geval waarin hij naar de letter en bedoeling van de wet niet voor is geschreven. Per analogie kan een rechtsregel worden toegepast als de gelijkenissen tussen de niet-bestreken gevallen en de wel bestreken gevallen groter zijn dan de verschillen (Van Boom 2021, p. 184). In het ongelijke wordt dan gelijkheid geconstateerd en gelijke gevallen moeten gelijk worden behandeld, zo is de gedachte.
Schlössels 2015, p. 262-263.
Deze overtuiging is deels gebaseerd op Asser/Vranken Algemeen deel**** 2014/18 en 147 e.v.; Schlössels 2015, p. 262 e.v.
Aan de werkzaamheden die de opdrachtnemer ten dienste van de opdrachtgever uitvoert, ligt de overeenkomst van opdracht ten grondslag (artikel 7:400 BW). De aard van (de rechtsverhouding achter) de overeenkomst van opdracht en alle verbintenisrechtelijke rechtsregels die binnen de huidige kaders hier betrekking op (kunnen) hebben, zijn het juridische raamwerk van dit onderzoek. Logischerwijs leidt dat ertoe dat deze studie overwegend juridisch-dogmatisch van aard is en vooral een beschrijvend en verklarend karakter heeft,1 hier en daar aangevuld met normatieve elementen. Die normatieve elementen zijn niet willekeurig of puur subjectief, maar gebaseerd op de analyse en interpretatie van de voor juristen conventionele bronnen: verdragen, wetgeving, parlementaire stukken, jurisprudentie en literatuur,2 alsook de daaruit af te leiden begrippen en beginselen. Meer specifiek bekijk ik of goede argumenten (lijken te) bestaan voor (categorische) bescherming. Als dat zo is en de ruimte voor bescherming ontbreekt, merk ik dat aan als ‘knelpunt’, waarmee ik dus een waardeoordeel geef tegen de achtergrond van bijvoorbeeld een wettelijke bepaling. Tevens doe ik in deze studie aan interne rechtsvergelijking met als het doel inspiratie op te doen in andere bijzondere regelingen voor de invulling van de verbintenisrechtelijke open normen. Daarnaast verricht ik meerdere rechtspraakonderzoeken, aan de hand waarvan ik kan achterhalen hoe de feitenrechtspraak invulling geeft aan de verbintenisrechtelijke open normen, mede gezien de hoedanigheid van partijen. Door de laatstgenoemde methode kent deze studie ook een empirische component.
Voor de beantwoording van de eerste en tweede deelvraag – die zien op het beschermingsniveau van alle opdrachtnemers, de toepasselijke rechtsregels voor de opdrachtnemer aan de onderkant en de achterliggende gedachten die daaraan ten grondslag liggen – pas ik de dogmatische benadering toe. Die benadering leidt tot de volgende aanpak. Ik maak eerst een analyse van het geldende verbintenissenrecht dat van toepassing is op alle opdrachtnemers (de zogenoemde nulmeting) en daarna specificeer ik dit proces tot de opdrachtnemer aan de onderkant, allebei uitsluitend ten aanzien van de thema’s loon, aansprakelijkheid en opzegging. Daarbij richt ik mij ook op de achterliggende gedachten van de toepasselijke regelgeving. In dit kader bestudeer ik met name de wet, de parlementaire geschiedenis, de ‘standaardarresten’ van de Hoge Raad en rechtsliteratuur. Om twee redenen voer ik deze exercitie ook uit voor de werknemer, zij het meer in globale zin. De eerste reden hangt samen met het feit dat het beschermingsniveau van de opdrachtnemer aan de onderkant wordt afgezet tegen die van de werknemer, waarbij ik ervan uitga dat de bescherming van de werknemer met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd hoog is in vergelijking met de opdrachtnemer. De tweede reden houdt verband met (de inspiratie die arbeidsrechtelijke normen kunnen spelen bij) de invulling van de open verbintenisrechtelijke normen en komt bij de onderzoeksmethode die ziet op de derde deelvraag nader ter sprake.
De derde deelvraag heeft betrekking op de invloed die de omstandigheden van het geval, in het bijzonder de hoedanigheid van partijen, hebben op het beschermingsniveau van de opdrachtnemer aan de onderkant. Met de beantwoording van deze deelvraag beoog ik in kaart te brengen welke mogelijkheden het verbintenissenrecht binnen de huidige kaders biedt om de opdrachtnemer aan de onderkant, mede gezien zijn precaire hoedanigheid, te beschermen ten aanzien van de thema’s loon, aansprakelijkheid en opzegging, welke knelpunten in deze context bestaan en welke verklaringen daarvoor kunnen worden gevonden. De diepere analyse en de daaruit af te leiden knelpunten vormen het normatieve element van deze studie, omdat ik daarbij een waardeoordeel geef over het in mijn ogen terecht of onterecht ontbreken van (categorische) bescherming en de redenen daarvan. Voor de beantwoording van deze derde deelvraag voer ik, naast de aanpak die is beschreven in verband met de beantwoording van de eerste en tweede deelvraag, verschillende rechtspraakonderzoeken uit en ga ik over tot interne rechtsvergelijking. Hieronder zal ik deze twee werkwijzen verder toelichten.
In het kader van de aansprakelijkheid van de opdrachtgever en de opzegging door de opdrachtgever heb ik onder meer vier rechtspraakonderzoeken verricht. Aan de basis van deze onderzoeken staan twee arresten van de Hoge Raad: Davelaar/Allspan3en Gemeente De Ronde Venen/Stedin.4 In deze arresten zijn belangrijke normen ontwikkeld die onder omstandigheden leiden tot de bescherming van de opdrachtnemer aan de onderkant als hij schade oploopt in de uitvoering van zijn werkzaamheden, respectievelijk als de opdrachtgever de overeenkomst met hem opzegt. Op beide thema’s heb ik tientallen uitspraken geanalyseerd, zodat ik kan nagaan hoe de feitenrechtspraak invulling aan deze normen geeft en waarmee ik poog patronen en ontwikkelingen in kaart te brengen. Dat inzicht is noodzakelijk om de vraag te kunnen beantwoorden welke invloed de omstandigheden van het geval – en dan met name de hoedanigheid van partijen – hebben op het beschermingsniveau van de opdrachtnemer aan de onderkant. Daarbij heb ik telkens bekeken of feitenrechters in hun oordeel de hoedanigheid van partijen – in het bijzonder de hoogte van het tarief en de economische afhankelijkheid – hebben betrokken en, zo ja, welke rol dat in een bepaalde context speelde. Voor een uitgebreidere toelichting van de wijze waarop de bestudeerde rechtspraak is verzameld, welke zoektermen ik daarbij heb gebruikt en waarom voorzichtigheid op zijn plaats is bij het trekken van algemene conclusies op basis van mijn rechtspraakonderzoeken, verwijs ik naar de paragrafen 3.3.1, 3.3.1.1, 3.3.1.2, 4.3.1.1 en 4.3.2.1. Ten aanzien van het thema loon ontbreekt een rechtspraakonderzoek. Hoewel uit de WML belangrijke normen voortvloeien die onder omstandigheden de opdrachtnemer aan de onderkant kunnen beschermen tegen een (te) laag loon, is de reden van deze afwezigheid dat de werkingssfeer van de WML per 1 januari 2018 is uitgebreid en deze uitbreiding nog niet heeft geresulteerd in gepubliceerde jurisprudentie (zie voor een uitvoerigere motivering paragraaf 2.3.1).
Om antwoord te kunnen geven op de derde deelvraag, analyseer ik naast (de uitvoering van) de rechtspraakonderzoeken rechtsnormen en juridische figuren die zich in andere rechtsgebieden voordoen omtrent de thema’s loon, aansprakelijkheid en opzegging. Bij deze interne rechtsvergelijking zoek ik vooral naar specifieke rechtsregels of -beginselen die mogelijk invulling kunnen geven aan een algemeen verbintenisrechtelijke open norm en daarmee het beschermingsniveau van de opdrachtnemer aan de onderkant zou doen aanvullen.5 In deze context wordt gekeken naar de bijzondere regelingen die gelden voor andere bijzondere groepen die (enige) gelijkenissen vertonen met de positie van de opdrachtnemer aan de onderkant. Dit betreft in ieder geval de al aangekondigde werknemer (artikel 7:610 BW). Daar waar relevant neem ik ter inspiratie ook andere bijzondere groepen in ogenschouw die net als de opdrachtnemer aan de onderkant in een kwetsbare positie verkeren en vermoedelijk op een aantal terreinen tegen dezelfde ‘problemen’ aanlopen, maar in tegenstelling tot deze opdrachtnemer wel wettelijke bescherming genieten. Hiermee doel ik op de aannemer (artikel 7:750 BW),6 de handelsagent (artikel 7:428 BW),7 de huurder van een woonruimte (artikel 7:232 BW)8 en de huurder van een bedrijfsruimte (artikel 7:290 BW).9 Daarbij bezie ik welke bijzondere groep bescherming geniet op (één of meerdere van) de drie thema’s, de reden(en) waarom hij ten aanzien van welk thema wordt beschermd en de wijze waarop dat wordt gedaan. Dat vraagt om een dogmatische aanpak. Deze aanpak komt dan ook grotendeels overeen met die ten aanzien van de eerste en tweede deelvraag: per thema wordt gekeken naar de wet en bijbehorende wetsgeschiedenis met als doel de ratio van de bescherming te achterhalen, waarna ik onderzoek hoe de rechtspraak met deze bescherming omgaat.10 In deze context beperk ik mij tot de ‘standaardarresten’ op het gebied in kwestie. Door middel van de geschetste aanpak kan ik analyseren hoe de gesignaleerde bescherming zich verhoudt tot de opdrachtnemer aan de onderkant.11 Een bijkomend voordeel van deze interne rechtsvergelijking is dat het niet alleen kan leiden tot de invulling van een algemeen verbintenisrechtelijke open norm, maar mogelijk ook nieuwe instrumenten in kaart brengt die aan de basis kunnen staan van de verdere vormgeving van het beschermingsniveau van de opdrachtnemer aan de onderkant.
Dit onderzoek omvat geen externe rechtsvergelijking. Deze keuze kent vooral als achtergrond dat verschillende rechtsstelsels uit verschillende landen vaak met elkaar worden vergeleken om inspiratie op te doen of het gezichtsveld te verbreden.12 Ten aanzien van het beschermingsniveau van de opdrachtnemer aan de onderkant ontbreekt vooralsnog een nationaal onderzoek waarin de invloed van het verbintenissenrecht op dit beschermingsniveau wordt onderzocht. Mijn verwachting is dat het verbintenissenrecht binnen de huidige kaders meerdere mechanismen kent die het mogelijk maken de opdrachtnemer aan de onderkant additionele bescherming te verlenen op de thema’s loon, aansprakelijkheid en opzegging. Een externe rechtsvergelijking is – gelet op mijn centrale onderzoeksvraag – minder relevant en zou deze studie nodeloos langdradig maken.13