Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/4.2.1.5.1
4.2.1.5.1 Verenigingen en stichtingen
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS398323:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De vereniging staat in Boek 2 Burgerlijk Wetboek, Titel 2 (art. 26-52). De stichting staat in Boek 2 Burgerlijk Wetboek, Titel 6 (art. 285-307).
Voor een historisch overzicht van de belastingplicht van stichtingen verwijs ik naar H.A.P.J. te Niet, Het beleggingsbegrip in de directe belastingen, FM 125, Kluwer, 2007, paragraaf 6.2.1.1 en 6.2.1.2.
Geschriften van de Vereniging voor belastingwetenschap, Rapport van de commissie ter bestudering van fiscale aspecten van stichtingen, nr. 180, Kluwer, 1989, paragraaf 4.1.1. In het Besluit winstbelasting 1940 en Besluit Vpb. 1942 worden de termen “bedrijf” en “bedrijfsuitoefening” genoemd. In de Wet Vpb 1969 zijn deze begrippen vervangen door de termen “onderneming” en “het drijven van een onderneming”. Ik ga er vanuit dat er fiscaal inhoudelijk geen onderscheid tussen beide termen is.
C.P.M. van Houte, De stichting in het Nederlandse belastingrecht, FM nr. 69, 2e druk, Kluwer, 2009.
Zie C.P.M. van Houte, De stichting in het Nederlandse belastingrecht, FM nr. 69, 2e druk, Kluwer, 2009 en Geschriften van de Vereniging voor Belastingwetenschap, Rapport van de commissie ter bestudering van fiscale aspecten van stichtingen, nr. 180, Kluwer, 1989.
Voor het begrip stichtingen en verenigingen sluit de vennootschapsbelasting aan bij het civiele recht.1 Verenigingen en stichtingen waren al onder de Wet op de bedrijfsbelasting (1893) als belastingplichtig aangewezen, zij het in de inkomstenbelasting.2 Onder het Besluit winstbelasting 1940 werd deze belastingplicht “verschoven’’ naar de winstbelasting. Ten aanzien van de belastingplicht werd aangesloten bij de tot die tijd geldende regeling voor stichtingen in de inkomstenbelasting, hetgeen betekende dat alleen sprake kon zijn van belastingplicht voor zover een bedrijf werd uitgeoefend.3 Uit de wetsgeschiedenis van de Wet Vpb 1969 blijkt dat - ter zake van de subjectieve belastingplicht voor stichtingen - de belastingwetgever ervan uit is gegaan dat de stichting in de regel een algemeen nuttige doelstelling heeft en naar haar wettelijke ‘normaaltype’ geen onderneming drijft. Deze zienswijze van de belastingwetgever wordt volgens Van Houte ondersteund door de historie van de stichting, waaruit blijkt dat de stichting een belangrijke organisatievorm was voor het behartigen van algemeen nuttige doeleinden. Blijkens de bedoeling van de civiele wetgever is de stichting ook in Boek 2 BW primair bestemd voor dergelijke doeleinden.4 De verenigingen en stichtingen zijn dus al van oudsher niet onbeperkt belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. Samengevat wordt als belangrijkste redenen hiervoor in de literatuur gewezen op het rechtskarakter, doelstelling en functie van deze rechtsvormen, waarbij geen onbeperkte belastingplicht zou passen.5