NJB 2021/3266:Stellen van een bankgarantie. Rechtsverhouding bank-begunstigde. Onderliggende rechtsverhouding opdrachtgever-begunstigde. Een bank stelt in opdracht van een opdrachtgever een bankgarantie met een korte vervaltermijn en met de bepaling dat de bankgarantie pas kan worden ingeroepen nadat een bindende uitspraak is gedaan in een procedure. Het hof acht de handelwijze van de bank onrechtmatig jegens de begunstigden van de bankgarantie. Zie ook HR 3 december 2021, nr. 20/01459, ECLI:NL:HR:2021:1804, hierna afgedrukt (NJB 2021/3267). Hoge Raad: In beginsel geldt dat een bank bij het stellen van een bankgarantie geen acht behoeft te slaan op de onderliggende rechtsverhouding tussen de opdrachtgever en de begunstigde. Het is echter niet uitgesloten dat een bank onder bijzondere omstandigheden zich de voor haar kenbare belangen van de begunstigde moet aantrekken. Het oordeel van het hof dat de bank onder de specifieke omstandigheden van het geval onzorgvuldig jegens de begunstigden heeft gehandeld bij het stellen van de bankgarantie, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.