Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/3.4.2
3.4.2 Vervreemding aandelen in het zicht van liquidatie vennootschap
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS456555:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Zie over deze bepaling tevens J.E.A.M. van Dijck, Vervanging van inkomsten. Fed fiscale brochures, 5e druk, blz. 131 e.v.. Fed. Deventer. 1996.
Art. 31, derde lid, Wet IB is blijkens HR 28 april 1954, BNB 1954/191 ook van toepassing als bij vervreemding van de aandelen een verlies wordt geleden.
Onduidelijk is of de verkoopopbrengst ter zake van een vervreemding in het zicht van liquidatie tot het heffïngsobject van de Wet Div.bel. behoort. Vgl. R.P.C.W.M. Brandsma, Cursus Belastingrecht (Dividendbelasting), onderdeel 2.0.2.A.d.,Gouda Quint, Deventer en P.J. Wattel, Dividendbelasting, Fiscale Studieserie, 2e druk, blz. 59, Fed, Deventer, 1997.
Zie voor kritiek op deze wijze van reparatie van sfeerovergangen, waarbij de belastingheffing bij de vervreemdende belastingplichtige afhankelijk wordt gesteld van de fiscale positie van de verkrijgende belastingplichtige, R.M. Freudenthal, Sfeerovergang van aandelen in de inkomstenbelasting, blz. 120, academisch proefschrift, Kluwer, Deventer, 1996, alsmede J.W. Zwemmer, Paneldiscussie congres 5de lustrum Vereniging van adjunct-inspecteur van 's Rijksbelastingen op 14 mei 1980, WFR 1980/5457, blz. 626.
In de leidraad bij het Besluit IB 1941 was in de situatie waarin bij de verkrijger een veel lager tarief van toepassing was nog de toepassing van het bijzondere rechtsmiddel van richtige heffing in het vooruitzicht gesteld. Zie uitgebreider R.M. Freudenthal, Sfeerovergang van aandelen in de inkomstenbelasting, blz. 123-124, academisch proefschrift, Kluwer, Deventer, 1996, en M.G. Dits, Inkomsten uit vermogen, blz. 110, Fiscale monografie nr. 50, Kluwer, Deventer, 1989. Zoals R.M. Freudenthal onder verwijzing naar de jurisprudentie inzake koopsompolissen (HR 17 juni 1987, BNB 1987/289 en HR 25 november 1987. BNB 1988/101) t.a.p. aangeeft, moet hiervan weinig worden verwacht.
Zie voor de situatie van vertraagde inbreng van de verkregen aandelen in het ondernemingsvermogen J.E.A.M. van Dijck, Vervanging van inkomsten, Fed fiscale brochures, 5e druk, blz. 140-141, Fed, Deventer, 1996, en R.M. Freudenthal, Sfeerovergang van aandelen in de inkomstenbelasting, blz. 124-125, academisch proefschrift, Kluwer, Deventer. 1996.
Art. 25, achtste lid, onderdeel a, Wet IB j° art. 57, eerste lid, onderdeel g. Wet IB bevat een vergelijkbare regeling voor de vervreemding van zgn. niet-tijdelijke winstbewijzen, zijnde winstbewijzen die niet door tijdsverloop in waarde dalen, in het zicht van liquidatie van de vennootschap.
HR 17 februari 1960, BNB 1960/109. Vgl. J.E.A.M. van Dijck, Vervanging van inkomsten, Eed fiscale brochures, 5e druk, blz. 133, Fed, Deventer, 1996.
HR 29 april 1959, BNB 1959/220, HR 29 juni 1977, BNB 1977/222. In HR 21 januari 1959, BNB 1959/85 was in de situatie waarin sprake was van koopopties op de aandelen in de vennootschap bepalend het moment waarop de koopopties laatstelijk waren verlengd en niet het moment waarop van de koopopties gebruik werd gemaakt. In HR 27 oktober 1982, BNB 1983/36 oordeelde de Hoge Raad dat bepalend is het moment waarop het onherroepelijke aanbod tot verkoop van de aandelen is gedaan en niet het moment waarop de daadwerkelijke verkoopovereenkomst totstandkomt.
HR 17 maart 1982, BNB 1982/157. Zie tevens J.E.A.M. van Dijck, Vervanging van inkomsten, Fed fiscale brochures, 5e druk, blz. 139-140, Fed, Deventer, 1996.
Vgl. HR 12 juni 1974, BNB 1974/181, HR 22 oktober 1975, BNB 1976/26, HR 29 juni 1977, BNB 1977/222-223 en HR 17 maart 1982, BNB 1982/157. Zie over deze jurisprudentie uitgebreider J.E.A.M. van Dijck, Vervanging van inkomsten. Fed fiscale brochures, 5e druk, blz. 137-139, Fed, Deventer, 1996.
HR 12 juni 1974, BNB 1974/181; HR 22 oktober 1975, BNB 1976/26.
HR 29 juni 1977, BNB 1977/223. Vgl. tevens Hof Arnhem 24april 1978, BNB 1979/204 en Hof 's-Gravenhage 19 maart 1981, BNB 1982/139.
Op grond van art. 25, eerste lid, onderdeel e, Wet IB werd en wordt met inkomsten uit vermogen belast hetgeen bij liquidatie op aandelen wordt uitgekeerd boven het gemiddeld op de (desbetreffende) aandelen gestorte kapitaal (zie onderdeel 3.2.1). Tegen pogingen om deze belastingheffing over liquidatieuitkeringen te voorkomen door de aandelen tijdig te verkopen, waakt art. 31, derde lid, Wet IB.1 Ingevolge deze bepaling behoort tot de inkomsten uit vermogen mede hetgeen bij vervreemding van aandelen in een vennootschap waarvan het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld en welke in liquidatie is getreden dan wel waarschijnlijk binnenkort in liquidatie zal treden, wordt ontvangen boven het gemiddeld op de (desbetreffende) aandelen gestorte kapitaal.2-3 Kan de koper voor de liquidatie-uitkering worden belast op grond van de bron 'inkomsten uit vermogen', dan blijft deze bepaling buiten toepassing4, zelfs als deze belastingheffing plaatsvindt tegen een lager tarief.5 Ingevolge art. 31, vierde lid, Wet IB wordt met een vervreemding van aandelen inbreng van de aandelen in het vermogen van een (eigen) onderneming gelijkgesteld.6 Alsdan wordt de waarde in het economische verkeer van de aandelen in aanmerking genomen als de tegenprestatie. Evenals dat het geval is ter zake van de 'echte' liquidatiedividenden zijn ook de op de voet van art. 31, derde lid, Wet IB met liquidatiedividenden gelijkgestelde verkoopopbrengsten van aandelen belast naar het bijzondere tarief van 45% ex art. 57, eerste lid, onderdeel h, Wet IB.7
Art. 31, derde en vierde lid, Wet IB ziet op de vervreemding van aandelen in het zicht van liquidatie van de vennootschap aan derden en niet op de vervreemding van aandelen aan de vennootschap zelf.8 Dit laatste moet worden gekwalificeerd als een inkoop van eigen aandelen door de vennootschap, hetgeen blijkens HR 14 november 1956, BNB 1957/20 eveneens tot belastingheffing leidt over het verschil tussen de inkoopprijs en het gemiddeld op de (desbetreffende) aandelen gestorte kapitaal. Is overigens sprake van een inkoop van eigen aandelen door de vennootschap ter tijdelijke belegging, dan kan art. 31, derde en vierde lid, Wet IB mijns inziens ook worden toegepast op een dergelijke vervreemding van de aandelen aan de vennootschap zelve. Een dergelijke situatie zal zich naar mijn mening overigens zelden voordoen, aangezien het min of meer ondenkbaar is dat een vennootschap die waarschijnlijk binnenkort in liquidatie treedt, eigen aandelen inkoopt ter voorbijgaande belegging.
De vraag of de vennootschap waarschijnlijk binnenkort in liquidatie zal treden, moet objectief worden beoordeeld. De subjectieve wetenschap of verwachting van de koper is hierbij niet relevant.9 Voorts doet niet terzake of de aandeelhouder ten tijde van de vervreemding al dan niet op de hoogte was van een eventueel liquidatiebesluit en mogelijk in het geheel niet het oogmerk had om belastingheffing te ontgaan.10 Blijkens HR 29 april 1959, BNB 1959/220 is 'binnenkort' in elk geval korter dan 6,5 jaar.11 Is de onderneming van de vennootschap daarentegen reeds gestaakt en wordt de vennootschap, naar is komen vast te staan, uitsluitend in stand gehouden om belastingheffing te voorkomen, dan heeft een zgn. 'non-liquidatiebeding', inhoudend dat de vennootschap pas na 6 a 7 jaar mag worden geliquideerd niet het gewenste effect.12 Dit is anders indien de koper in het geheel niet de bedoeling heeft om de vennootschap te liquideren en een besluit tot ontbinding van de vennootschap niet is te verwachten, bijvoorbeeld omdat de vennootschap als zodanig juist waarde voor hem heeft.13