Procestaal: Duits.
HvJ EU, 09-10-2025, nr. C-540/24
ECLI:EU:C:2025:766
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
09-10-2025
- Magistraten
F. Biltgen, T. von Danwitz, I. Ziemele, A. Kumin, S. Gervasoni
- Zaaknummer
C-540/24
- Roepnaam
Cabris lnvestments
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2025:766, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 09‑10‑2025
Uitspraak 09‑10‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken — Verordening (EU) nr. 1215/2012 — Werkingssfeer — Artikel 25 — Overeenkomst tot aanwijzing van de bevoegde rechter — Partijen bij een overeenkomst die woonplaats hebben in hetzelfde derde land — Toewijzing van de bevoegdheid om kennis te nemen van geschillen die uit die overeenkomst voortvloeien aan de gerechten van een lidstaat — Grensoverschrijdend aspect — Gevolgen van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie
F. Biltgen, T. von Danwitz, I. Ziemele, A. Kumin, S. Gervasoni
Partij(en)
In zaak C-540/24,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Handelsgericht Wien (handelsrechter Wenen, Oostenrijk) bij beslissing van 1 augustus 2024, ingekomen bij het Hof op 8 augustus 2024, in de procedure
Cabris lnvestments Ltd
tegen
Revetas Capital Advisors LLP,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: F. Biltgen (rapporteur), kamerpresident, T. von Danwitz, vicepresident van het Hof, waarnemend rechter van de Eerste kamer, I. Ziemele, A. Kumin, en S. Gervasoni, rechters,
advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Revetas Capital Advisors LLP, vertegenwoordigd door B. Knötzl en B. Ortner, Rechtsanwälte,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Noë en J. Vondung als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 50, lid 3, VEU, van de artikelen 25 en 68 tot en met 70 van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1; hierna: ‘Brussel I bis-verordening’), alsook van de artikelen 17,18, 55, 56 en 66 van het Verdrag van Brussel van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij de opeenvolgende verdragen betreffende de toetreding van de nieuwe lidstaten tot dit verdrag (hierna: ‘Executieverdrag’).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Cabris lnvestments Ltd en Revetas Capital Advisors LLP, vennootschappen naar Engels recht, over een vordering die eerstgenoemde vennootschap bij een Oostenrijkse rechter tegen laatstgenoemde heeft ingesteld tot betaling van een bedrag uit hoofde van een contractuele verbintenis.
Toepasselijke bepalingen
VEU
3
Artikel 50, lid 3, VEU bepaalt:
‘De Verdragen zijn niet meer van toepassing op de betrokken staat met ingang van de datum van inwerkingtreding van het terugtrekkingsakkoord of, bij gebreke daarvan, na verloop van twee jaar na de in lid 2 bedoelde kennisgeving, tenzij de Europese Raad met instemming van de betrokken lidstaat met eenparigheid van stemmen tot verlenging van deze termijn besluit.’
Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie
4
Het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (PB 2020, L 29, blz. 7; hierna: ‘terugtrekkingsakkoord’), dat is vastgesteld op 17 oktober 2019 en in werking is getreden op 1 februari 2020, en dat namens de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) is goedgekeurd bij besluit (EU) 2020/135 van de Raad van 30 januari 2020 (PB 2020, L 29, blz. 1), bepaalt in artikel 126:
‘Op de datum van inwerkingtreding van dit akkoord begint een overgangs- of uitvoeringsperiode, die eindigt op 31 december 2020.’
Executieverdrag
5
Artikel 17 van het Executieverdrag luidt:
‘Wanneer de partijen, van wie er ten minste één woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat, een gerecht of de gerechten van een verdragsluitende staat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen welke naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht of zijn de gerechten van die staat bij uitsluiting bevoegd. […]’
6
Artikel 18 van dit verdrag is als volgt geformuleerd:
‘Buiten de gevallen waarin zijn bevoegdheid voortvloeit uit andere bepalingen van dit Verdrag, is de rechter van een verdragsluitende staat, voor wie de verweerder verschijnt, bevoegd. Dit voorschrift is niet van toepassing indien de verschijning ten doel heeft de bevoegdheid te betwisten, of indien er een ander gerecht bestaat dat krachtens artikel 16 bij uitsluiting bevoegd is.’
7
Artikel 55 van dat verdrag bepaalt:
‘Onverminderd de bepalingen van de artikelen 54, tweede alinea, en 56 vervangt dit Verdrag tussen de staten die daarbij partij zijn, de tussen twee of meer van deze staten gesloten verdragen en overeenkomsten, te weten:
[…]
- —
de Overeenkomst tussen het Verenigd Koninkrijk en Oostenrijk betreffende de wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van vonnissen in burgerlijke en handelszaken, ondertekend te Wenen op 14 juli 1961, en het protocol tot wijziging van dit Verdrag, ondertekend te Londen op 6 maart 1970 [hierna: ‘Brits-Oostenrijkse overeenkomst’],
[…]’
8
Artikel 56 van dat verdrag luidt als volgt:
‘De in artikel 55 vermelde verdragen en overeenkomsten blijven van kracht ten aanzien van onderwerpen waarop dit Verdrag niet van toepassing is.
Zij blijven voorts van kracht met betrekking tot vóór de inwerkingtreding van dit Verdrag gegeven beslissingen en verleden akten.’
9
Artikel 66 van het Executieverdrag luidt:
‘Dit verdrag wordt voor onbeperkte tijd gesloten.’
Brussel I-verordening
10
Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1; hierna: ‘Brussel I-verordening’) is in werking getreden op 1 maart 2002 en heeft in de betrekkingen tussen de lidstaten het Executieverdrag vervangen. De Brussel I bis-verordening heeft met ingang van 10 januari 2015 deze verordening ingetrokken en vervangen.
11
Artikel 23, lid 1, van die verordening luidde als volgt:
‘Wanneer de partijen van wie er ten minste één woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, een gerecht of de gerechten van een lidstaat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht of zijn de gerechten van die lidstaat bevoegd. […]’
Brussel I bis-verordening
12
In de overwegingen 3, 13 tot en met 15, 19 en 21 van de Brussel I bis-verordening staat te lezen:
- ‘(3)
[…] de Unie [dient] maatregelen te nemen op het gebied van de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken met grensoverschrijdende gevolgen, met name wanneer dat nodig is voor de goede werking van de interne markt.
[…]
- (13)
Er moet een band bestaan tussen de procedures waarop deze verordening van toepassing is en het grondgebied van de lidstaten. De gemeenschappelijke regels inzake rechterlijke bevoegdheid moeten derhalve in beginsel van toepassing zijn wanneer de verweerder woonplaats in een van die lidstaten heeft.
- (14)
Ten aanzien van verweerders die geen woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, gelden als regel de nationale bevoegdheidsregels die worden toegepast op het grondgebied van de lidstaat van het gerecht waarbij de zaak is aangebracht.
Met het oog op de bescherming van consumenten en werknemers, en teneinde de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaten in gevallen waarin deze exclusieve bevoegdheid hebben, zeker te stellen en de autonomie van de partijen te eerbiedigen, dienen bepaalde bevoegdheidsregels in deze verordening te gelden, ongeacht de woonplaats van de verweerder.
- (15)
De bevoegdheidsregels moeten in hoge mate voorspelbaar zijn, waarbij als beginsel geldt dat de bevoegdheid in het algemeen gegrond wordt op de woonplaats van de verweerder. De bevoegdheid moet altijd op die grond kunnen worden gevestigd, behalve in een gering aantal duidelijk omschreven gevallen waarin het voorwerp van het geschil of de autonomie van de partijen een ander aanknopingspunt wettigt. […]
[…]
- (19)
De autonomie van de partijen bij een andere overeenkomst dan een verzekerings-, consumenten- of arbeidsovereenkomst, waarvoor slechts een beperkte autonomie geldt met betrekking tot de keuze van het bevoegde gerecht, moet worden geëerbiedigd, behoudens de exclusieve bevoegdheidsgronden die in deze verordening zijn neergelegd.
[…]
- (21)
Met het oog op een harmonische rechtsbedeling moeten parallel lopende processen zoveel mogelijk worden beperkt en moet worden voorkomen dat in verschillende lidstaten onverenigbare beslissingen worden gegeven. […]’
13
Artikel 4, lid 1, van die verordening luidt als volgt:
‘Onverminderd deze verordening worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat.’
14
Artikel 6, lid 1, van die verordening bepaalt:
‘Indien de verweerder geen woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, wordt de bevoegdheid in elke lidstaat geregeld door de wetgeving van die lidstaat, onverminderd artikel 18, lid 1, artikel 21, lid 2, en de artikelen 24 en 25.’
15
Artikel 25, lid 1, van deze verordening is opgenomen in hoofdstuk II, afdeling 7 (‘Door partijen aangewezen bevoegd gerecht’) en luidt:
‘Indien de partijen, ongeacht hun woonplaats, een gerecht of de gerechten van een lidstaat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, is dit gerecht of zijn de gerechten van die lidstaat bevoegd, tenzij de overeenkomst krachtens het recht van die lidstaat nietig is wat haar materiële geldigheid betreft. Deze bevoegdheid is exclusief, tenzij de partijen anders zijn overeengekomen. […]’
16
Artikel 31, lid 2, van de Brussel I bis-verordening bepaalt:
‘Wanneer een zaak aanhangig wordt gemaakt bij een gerecht van een lidstaat dat op grond van een in artikel 25 bedoelde overeenkomst bij uitsluiting bevoegd is, houdt elk gerecht van de andere lidstaten, onverminderd artikel 26, de uitspraak aan totdat het krachtens de overeenkomst aangezochte gerecht verklaart geen bevoegdheid aan de overeenkomst te ontlenen.’
17
Hoofdstuk VII (‘Verhouding tot andere regelgeving’) van deze verordening omvat onder meer de artikelen 68 tot en met 70. Artikel 68 van deze verordening luidt:
- ‘1.
Deze verordening komt, in de betrekkingen tussen de lidstaten, in de plaats van het [Executieverdrag], uitgezonderd ten aanzien van de grondgebieden van de lidstaten die onder de territoriale werkingssfeer van dat verdrag vallen en die krachtens artikel 355 VWEU van deze verordening uitgesloten zijn.
- 2.
Voor zover deze verordening in de betrekkingen tussen de lidstaten in de plaats komt van het [Executieverdrag], geldt elke verwijzing naar dat verdrag als een verwijzing naar deze verordening.’
18
Artikel 69 van die verordening bepaalt:
‘Onder voorbehoud van de artikelen 70 en 71 komt deze verordening in de betrekkingen tussen de lidstaten in de plaats van de verdragen die hetzelfde onderwerp bestrijken als deze verordening. In het bijzonder worden de verdragen vervangen die zijn opgenomen op de door de [Europese] Commissie uit hoofde van artikel 76, lid 1, onder c), en artikel 76, lid 2, vastgestelde lijst.’
19
Artikel 70, lid 1, van die verordening luidt als volgt:
‘De in artikel 69 bedoelde verdragen blijven van kracht voor aangelegenheden waarop deze verordening niet van toepassing is.’
20
Krachtens artikel 76, lid 2, van de Brussel I bis-verordening stelt de Commissie een lijst op van de in artikel 69 van deze verordening bedoelde verdragen op basis van de kennisgevingen die de lidstaten overeenkomstig artikel 76, lid 1, onder c), ervan hebben gedaan. Krachtens artikel 76, lid 4, van die verordening maakt de Commissie de lijsten en elke daaropvolgende doorgevoerde wijziging, bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.
21
De Commissie heeft, op basis van de krachtens artikel 76 van deze verordening voorgeschreven kennisgevingen, drie lijsten opgesteld en bekendgemaakt (PB 2015, C 4, blz. 2), waarvan de derde (hierna: ‘lijst 3’) als volgt is verwoord:
‘In artikel 69 bedoelde verdragen:
- —
in Oostenrijk:
[…]
- —
de [Brits-Oostenrijkse overeenkomst];
[…]
- —
in het Verenigd Koninkrijk:
[…]
- —
[de Brits-Oostenrijkse overeenkomst];
[…]’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
22
Op 6 mei 2020 hebben Cabris Investments en Revetas Capital Advisors, vennootschappen gevestigd in het Verenigd Koninkrijk, een consultancyovereenkomst gesloten vergezeld van een begeleidende brief, waarin een forumkeuzebeding was opgenomen (hierna: ‘betrokken forumkeuzebeding’) dat luidt als volgt:
‘Deze overeenkomst en de betrekkingen tussen de partijen worden beheerst door het Oostenrijkse recht en moeten in overeenstemming daarmee worden uitgelegd. Het Handelsgericht Wien [(handelsrechter Wenen, Oostenrijk)] is bij uitsluiting bevoegd om kennis te nemen van geschillen die voortvloeien uit of verband houden met deze overeenkomst, dan wel betrekking hebben op de uitvoering of de geldigheid ervan.’
23
Op 30 juni 2023 heeft Cabris Investments bij het Handelsgericht Wien, de verwijzende rechter, een vordering ingesteld tot veroordeling van Revetas Capital Advisors tot betaling van 360 000 EUR, vermeerderd met vertragingsrente, ter nakoming van een contractuele betalingsverplichting die voortvloeit uit die overeenkomst en verband houdt met de uitoefening van een functie van financieel directeur.
24
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat er, afgezien van het betrokken forumkeuzebeding, geen duidelijke band bestaat tussen de partijen in het hoofdgeding en de Republiek Oostenrijk.
25
Revetas Capital Advisors heeft de internationale bevoegdheid van de verwijzende rechter betwist met het betoog dat, aangezien de Brussel I bis-verordening sinds het einde van de overgangsperiode zoals bepaald in het terugtrekkingsakkoord (hierna: ‘overgangsperiode’), namelijk 31 december 2020, niet langer van toepassing is op de rechtsverhoudingen waarbij het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland betrokken is, artikel 25 van die verordening, zoals uitgelegd door het Hof in zijn arrest van 8 februari 2024, Inkreal (C-566/22, EU:C:2024:123), niet van toepassing is op de feiten van het hoofdgeding. Het betrokken forumkeuzebeding is dus nietig en de verwijzende rechter is derhalve internationaal niet bevoegd om kennis te nemen van het aan hem voorgelegde geschil.
26
In de eerste plaats betwijfelt de verwijzende rechter of artikel 25 van de Brussel I bis-verordening en de door het Hof in het arrest van 8 februari 2024, Inkreal (C-566/22, EU:C:2024:123), geformuleerde beginselen van toepassing blijven als een overeenkomst tot aanwijzing van de bevoegde rechter tijdens de overgangsperiode is gesloten tussen twee partijen met zetel in het Verenigd Koninkrijk en in die overeenkomst een rechter van een lidstaat wordt aangewezen om kennis te nemen van hun geschil, wanneer de zaak bij deze rechter aanhangig is gemaakt na zowel de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie als het einde van de overgangsperiode en wanneer de aan het geding ten grondslag liggende contractuele verhouding geen enkele band vertoont met die lidstaat. De verwijzende rechter lijkt uit de overwegingen 13 en 14 van deze verordening, artikel 50, lid 3, VEU en bovengenoemd arrest af te leiden dat een dergelijke band vereist is.
27
Voor het geval het Hof tot de slotsom komt dat artikel 25 van de Brussel I bis-verordening in een dergelijke situatie niet van toepassing is, vraagt de verwijzende rechter zich in de tweede plaats af of het Executieverdrag, en met name de artikelen 17 en 18 ervan, dan wel, bij gebreke daarvan, de Brits-Oostenrijkse overeenkomst van toepassing is. Volgens deze rechter hangt het antwoord op deze vraag ervan af of de artikelen 68 en 69 van de Brussel I bis-verordening deze twee verdragen definitief buiten werking hebben gesteld. De verwijzende rechter is van oordeel dat de beginselen van internationaal publiekrecht inzake de beëindiging van verdragen en de omstandigheid dat deze verschillende rechtsinstrumenten verwante materies regelen, pleiten voor de uitlegging dat deze verdragen niet van toepassing zijn op rechtsverhoudingen waarbij het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland betrokken is.
28
In de derde plaats vraagt de verwijzende rechter zich af of artikel 50, lid 3, VEU en section 82, lid 1, onder b), i), van deel 4 van de Civil Jurisdiction and Judgments (Amendment) (EU Exit) Regulations 2019 [regelingen van 2019 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, beslissingen in burgerlijke zaken en vonnissen (wijziging) (Brexit)] van 4 maart 2019 (Statutory Instruments 2019, nr. 479) in het algemeen de toepasselijkheid van het Executieverdrag uitsluiten.
29
Daarop heeft het Handelsgericht Wien de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Moet artikel 25 van de [Brussel I bis-verordening] aldus worden uitgelegd dat een overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht, waarbij de overeenkomstsluitende partijen die hun zetel in het Verenigd Koninkrijk en dus (thans) in een derde land hebben, overeenkomen dat de gerechten van een lidstaat van de Europese Unie bevoegd zijn om kennis te nemen van geschillen die ontstaan uit die overeenkomst, onder deze bepaling valt, zelfs als de onderliggende overeenkomst geen verdere band met die andere als forum gekozen lidstaat heeft? Zijn de beginselen van het [arrest van het Hof van 8 februari 2024, Inkreal (C-566/22, EU:C:2024:123),] bijgevolg ook op dezelfde wijze van toepassing, indien de overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht tussen twee in het Verenigd Koninkrijk gevestigde contractanten nog vóór het einde van de overgangsperiode van de Brexit op 31 december 2020 is gesloten, maar de vordering pas na de inwerkingtreding van de Brexit is ingesteld, gelet op het feit dat de contractuele bepalingen die deze (inmiddels) derdelanders zijn overeengekomen, geen verdere band hebben met de gekozen lidstaat van de Europese Unie (zie dienaangaande evenwel overwegingen 13 en 14 van [deze verordening]) en dat bovendien artikel 50, lid 3, [VEU] bepaalt dat de Europese Verdragen na de Brexit in beginsel niet meer van toepassing zijn op het Verenigd Koninkrijk?
Indien het Hof oordeelt dat artikel 25 van de [Brussel I bis-verordening] in de betreffende constellatie met een derde land niet van toepassing is, dienen de volgende vragen te worden beantwoord:
- 2)
Moet artikel 68 van de [Brussel I bis-verordening] aldus worden uitgelegd dat hierdoor het [Executieverdrag] — ook in het geval van een procedure betreffende het Verenigd Koninkrijk (rekening houdend met de Brexit) — definitief buiten werking is gesteld, zodat een lidstaat van de Europese Unie zich thans niet meer op dat verdrag kan beroepen?
- 3)
Moeten artikel 69 van de [Brussel I bis-verordening] in de versie van ‘lijst 3’, en artikel 55, dertiende gedachtestreepje, van het [Executieverdrag], aldus worden uitgelegd dat hierdoor de [Brits-Oostenrijkse overeenkomst] ook met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk (rekening houdend met de Brexit) definitief buiten werking is gesteld, zodat in het geval van een procedure betreffende het Verenigd Koninkrijk (rekening houdend met de Brexit) een beroep op deze internationale overeenkomst […] niet meer mogelijk is? Dit ook gelet op het feit dat volgens artikel 70, lid 1, van de [Brussel I bis-verordening] de in artikel 69 van die verordening bedoelde verdragen van kracht blijven voor aangelegenheden waarop deze verordening niet van toepassing is. Kan bijgevolg overeenkomstig artikel 70, lid 1, van [die] verordening met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk een met de Republiek Oostenrijk gesloten overeenkomst die reeds in het verleden door het primaire recht ‘vervangen’ is verklaard, na de Brexit tussen die staten met terugwerkende kracht opnieuw van toepassing worden verklaard (zogenoemd ‘herstel van een internationaal verdrag’)?
Zo ja: Zou een dergelijk ‘herstel’ ook binnen de werkingssfeer van artikel 56 van het Executieverdrag — dat in dit opzicht dezelfde strekking heeft — van toepassing zijn?
- 4)
Moet artikel 50, lid 3, van het [VEU] aldus worden uitgelegd dat het zich ook met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk (rekening houdend met de Brexit) verzet tegen de toepassing of een ‘herstel’ van de artikelen 17 en 18 van het Executieverdrag, indien in een procedure die in Oostenrijk is ingeleid, twee partijen met zetel in het Verenigd Koninkrijk tegenover elkaar staan, die het Handelsgericht Wien in een op 6 mei 2020 overeengekomen beding als exclusief bevoegd gerecht hebben aangewezen? Heeft in deze context artikel 50, lid 3, VEU voorrang op artikel 66 van het Executieverdrag, op grond waarvan laatstgenoemd verdrag ‘voor onbeperkte tijd [werd] gesloten’?
- 5)
- a)
Indien het Hof in de zin van de tweede tot en met de vierde vraag tot het oordeel komt dat het Executieverdrag — ook met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk — voorrang heeft, rijst de volgende vraag: staat bijgevolg de principiële voorrang van het Executieverdrag in de weg aan een regeling van het Verenigd Koninkrijk, op grond waarvan een beroep op dat verdrag ook voor forumkeuzebedingen die vóór de inwerkingtreding van de Brexit zijn overeengekomen, uitdrukkelijk is uitgesloten [zie de Britse regeling van section 82, lid 1, onder b), i), van deel 4 van de Civil Jurisdiction and Judgments (Amendment) (EU Exit) Regulations 2019 [regelingen van 2019 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, beslissingen in burgerlijke zaken en vonnissen (wijziging) (Brexit)], die van kracht was tot en met 29 februari 2024 en die in casu kennelijk nog van toepassing is, aangezien het beroep is ingesteld op 30 juni 2023)?
- b)
Zo neen: is een Oostenrijkse rechter bij de toetsing van de geldigheid van een op 6 mei 2020 (dus vóór Brexit) tussen twee Britse ondernemingen overeengekomen forumkeuzebeding ten gunste van Oostenrijk toch gebonden aan deze — in het Verenigd Koninkrijk vastgestelde — uitsluiting van de toepassing van het Executieverdrag in section 82, lid 1, onder b), i), van deel 4 van de Civil Jurisdiction and Judgments (Amendment) (EU Exit) Regulations 2019 (Sl 2019/479), met name vanwege de voorrang van het primaire recht, welke omstandigheid in beginsel in de weg zou staan aan een effectieve tenuitvoerlegging in het Verenigd Koninkrijk (deze laatste vraag veronderstelt in de zin van de derde vraag dat de [Brits-Oostenrijkse overeenkomst] buiten werking is gesteld)?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
30
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 25, lid 1, van de Brussel I bis-verordening aldus moet worden uitgelegd dat deze bepaling van toepassing is in een situatie waarin twee partijen bij een overeenkomst, die beiden woonplaats hebben in het Verenigd Koninkrijk, tijdens de in het terugtrekkingsakkoord vastgestelde overgangsperiode een forumkeuzebeding overeenkomen waarin zij bepalen dat een rechterlijke instantie van een lidstaat bevoegd zal zijn om kennis te nemen van de geschillen die uit die overeenkomst voortvloeien, wanneer het geding tussen die partijen pas na afloop van die overgangsperiode bij deze rechterlijke instantie aanhangig wordt gemaakt.
31
Om te beginnen zij eraan herinnerd dat een forumkeuzebeding naar zijn aard een forumkeuze is die geen rechtsgevolgen heeft zolang geen geschil in rechte aanhangig is gemaakt, en slechts consequenties krijgt op de dag waarop de rechtsvordering wordt ingesteld, zodat een dergelijk beding moet worden beoordeeld op de datum waarop de rechtsvordering wordt ingesteld (zie in die zin arresten van 13 november 1979, Sanicentral, 25/79, EU:C:1979:255, punt 6, en 24 november 2022, Tilman, C-358/21, EU:C:2022:923, punt 30).
32
Voor de beantwoording van de gestelde vraag moet dus worden bepaald of een geschil tussen twee overeenkomstsluitende partijen die hun woonplaats in hetzelfde derde land hebben, zoals het Verenigd Koninkrijk sinds 1 februari 2020, en die een rechterlijke instantie van een lidstaat hebben aangewezen om kennis te nemen van het geschil, binnen de werkingssfeer van de Brussel I bis-verordening en artikel 25, lid 1, daarvan valt.
33
Volgens vaste rechtspraak moet bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen, maar ook met de context ervan en met de doelstellingen en het oogmerk van de handeling waarvan zij deel uitmaakt (zie arresten van 17 november 1983, Merck, 292/82, EU:C:1983:335, punt 12, en 8 februari 2024, Inkreal, C-566/22, EU:C:2024:123, punt 15 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
34
Wat in de eerste plaats de bewoordingen betreft, blijkt uit artikel 25, lid 1, eerste volzin, van de Brussel I bis-verordening dat indien de partijen, ongeacht hun woonplaats, een gerecht of de gerechten van een lidstaat hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen die naar aanleiding van een bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, dit gerecht of de gerechten van die lidstaat bevoegd is/zijn, tenzij de overeenkomst krachtens het recht van die lidstaat nietig is wat haar materiële geldigheid betreft.
35
Uit de bewoordingen van deze bepaling blijkt dus dat de daarin vervatte regel van toepassing is ongeacht de woonplaats van de partijen. Meer in het bijzonder is voor de toepassing van deze regel niet vereist dat de partijen, of een van hen, hun woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat.
36
Wat in de tweede plaats de context van artikel 25, lid 1, van de Brussel I bis-verordening betreft, moet ten eerste worden benadrukt dat dit artikel 25 verschilt van de daaraan voorafgaande bepaling, te weten artikel 23, lid 1, van de Brussel I-verordening, die voor de toepassing van de op een overeenkomst tot aanwijzing van de bevoegde rechter gebaseerde bevoegdheidsregel vereiste dat ten minste één van de partijen bij die overeenkomst woonplaats had op het grondgebied van een lidstaat.
37
Ten tweede zij eraan herinnerd dat de bij de Brussel I bis-verordening ingevoerde bevoegdheidsregeling intern is aan de Unie en eigen doelstellingen nastreeft, zoals de goede werking van de interne markt en de totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, zoals blijkt uit overweging 3 van die verordening (zie in die zin arrest van 25 februari 2025, BSH Hausgeräte, C-339/22, EU:C:2025:108, punt 55). Bovendien staat in overweging 13 vermeld dat ‘[e]r […] een band [moet] bestaan tussen de procedures waarop deze verordening van toepassing is en het grondgebied van de lidstaten’ en dat ‘[d]e gemeenschappelijke regels inzake rechterlijke bevoegdheid […] derhalve in beginsel van toepassing [moeten] zijn wanneer de verweerder woonplaats in een van die lidstaten heeft’. Overweging 14 van deze tekst bepaald evenwel dat ‘teneinde […] de autonomie van de partijen te eerbiedigen, […] bepaalde bevoegdheidsregels in deze verordening [dienen] te gelden, ongeacht de woonplaats van de verweerder’.
38
Anders dan de regel die is neergelegd in artikel 4, lid 1, van de Brussel I bis-verordening, gelezen in het licht van overweging 13 ervan, volgens welke de bevoegdheid wordt bepaald volgens het algemene beginsel van de woonplaats van de verweerder wanneer hij in een lidstaat woont, bepaalt artikel 6, lid 1, van deze verordening, gelezen in het licht van overweging 14 ervan, dat indien de verweerder geen woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, de bevoegdheid in elke lidstaat wordt geregeld door de wetgeving van die lidstaat, onder voorbehoud van de toepassing van een aantal bepalingen van deze verordening, waaronder artikel 25 ervan.
39
Bijgevolg blijkt uit een gecombineerde lezing van artikel 6, lid 1, van de Brussel I bis-verordening en artikel 25, lid 1, van die verordening dat een situatie waarin de verweerder geen woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, maar de contractpartijen zijn overeengekomen dat een rechterlijke instantie of rechterlijke instanties van een lidstaat bevoegd zullen zijn om kennis te nemen van hun contractuele geschillen, wordt beheerst door de bevoegdheidsregel die voortvloeit uit een overeenkomst tot aanwijzing van de bevoegde rechter als bedoeld in dat artikel 25, lid 1, en niet door de bevoegdheidsregels van de wetgeving van elke lidstaat waarnaar wordt verwezen in dat artikel 6, lid 1. Deze lezing bevestigt dus de letterlijke lezing die voortvloeit uit punt 35 van het onderhavige arrest, volgens welke artikel 25, lid 1, van toepassing is zelfs indien alle partijen bij het geding hun woonplaats hebben in een derde land.
40
Ten derde vereist de rechtspraak van het Hof dat de betrokken situatie een grensoverschrijdend element vertoont om binnen de werkingssfeer van de Brussel I bis-verordening te vallen. Dit grensoverschrijdend aspect kan zowel voortvloeien uit het feit dat de verweerder zijn woonplaats heeft op het grondgebied van een andere lidstaat dan die van het aangezochte gerecht als uit andere factoren die met name verband houden met de grond van de zaak, en die zelfs in een derde staat kunnen gelegen zijn. Een dergelijke situatie kan namelijk de vaststelling van de bevoegdheid van de gerechten in internationaal verband aan de orde stellen [zie in die zin arresten van 1 maart 2005, Owusu, C-281/02, EU:C:2005:120, punt 26; 8 september 2022, IRnova, C-399/21, EU:C:2022:648, punt 28; 29 juli 2024, FTI Touristik (Grensoverschrijdend element), C-774/22, EU:C:2024:646, punten 26, 28 en 29, en 25 februari 2025, BSH Hausgeräte, C-339/22, EU:C:2025:108, punten 59 en 60].
41
Bovendien heeft het Hof reeds de mogelijkheid gehad om duidelijk te stellen dat een situatie waarbij de partijen bij een overeenkomst die hun woonplaats hebben in dezelfde lidstaat overeenkomen dat de gerechten van een andere lidstaat bevoegd zijn om kennis te nemen van geschillen die ontstaan uit deze overeenkomst een grensoverschrijdend aspect heeft, zelfs als die overeenkomst geen ander aanknopingspunt met die andere lidstaat heeft. In een dergelijke situatie blijkt reeds uit het enkele feit dat er een overeenkomst tot aanwijzing van de bevoegde rechter bestaat ten gunste van de gerechten van een andere lidstaat dan die waarin de contractpartijen gevestigd zijn, dat de betrokken situatie een internationaal karakter heeft (zie in die zin arrest van 8 februari 2024, Inkreal, C-566/22, EU:C:2024:123, punten 25 en 39).
42
Naar analogie van de oplossing waarvoor het Hof heeft gekozen in de rechtspraak die is aangehaald in de punten 40 en 41 van het onderhavige arrest, moet worden geoordeeld dat het bestaan van een overeenkomst tot aanwijzing van de bevoegde rechter ten gunste van de gerechten van een lidstaat, terwijl de contractpartijen hun woonplaats in een derde land hebben, een vraag oproept met betrekking tot de vaststelling van de bevoegdheid van de gerechten in internationaal verband, zodat een dergelijke situatie voldoet aan het vereiste van een grensoverschrijdende factor in de zin van die rechtspraak.
43
In de derde plaats vindt een dergelijke uitlegging steun in de doelstellingen die met artikel 25 van de Brussel I bis-verordening worden nagestreefd, namelijk de eerbiediging van de autonomie van de partijen en de verbetering van de doeltreffendheid van overeenkomsten inzake exclusieve forumkeuze, zoals vermeld in de overwegingen 15, 19 en 22 van deze verordening (zie in die zin arrest van 8 februari 2024, Inkreal, C-566/22, EU:C:2024:123, punt 26).
44
Die uitlegging is ook in overeenstemming met het doel van de Brussel I bis-verordening, die gericht is op het creëren van eenvormigheid van de regels inzake jurisdictiegeschillen in burgerlijke en handelszaken bij wege van bevoegdheidsregels die in hoge mate voorspelbaar zijn, en dus een doelstelling van rechtszekerheid nastreeft. De mogelijkheid voor de partijen bij een overeenkomst die in dezelfde derde staat wonen om overeen te komen dat de gerechten van een andere lidstaat bevoegd zijn, draagt ertoe bij dat de eiser weet welk gerecht hij kan aanzoeken en dat de verweerder kan voorzien voor welk gerecht hij kan worden opgeroepen. In deze context verlangt het rechtszekerheidsbeginsel dat de aangezochte nationale rechter zich gemakkelijk kan uitspreken over zijn eigen bevoegdheid zonder dat hij gedwongen is de zaak ten gronde te onderzoeken [zie naar analogie arrest van 29 juli 2024, FTI Touristik (Grensoverschrijdend element), C-774/22, EU:C:2024:646, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
45
De toepassing van de geharmoniseerde regels van artikel 25 van de Brussel I bis-verordening draagt er bovendien toe bij dat binnen het grondgebied van de lidstaten bevoegdheidsconflicten worden voorkomen — conflicten die schadelijk zijn voor de rechtszekerheid en zich zouden kunnen voordoen indien de betrokken situatie zou worden beheerst door de nationale regels van internationaal privaatrecht van de lidstaten. Daarenboven zorgt de toepasselijkheid van deze geharmoniseerde regels ervoor dat er minder kans is op parallel lopende procedures en dat wordt voorkomen dat in verschillende lidstaten onverenigbare beslissingen worden gegeven, zoals het in overweging 21 van deze verordening genoemde oogmerk van een harmonische rechtsbedeling vereist (zie in die zin arrest van 8 februari 2024, Inkreal, C-566/22, EU:C:2024:123, punt 30).
46
Bijgevolg valt een geschil, zoals in het hoofdgeding, tussen twee contractpartijen die in een derde land wonen en die een rechterlijke instantie van een lidstaat hebben aangewezen om kennis te nemen van hun contractuele geschillen, binnen de werkingssfeer van de Brussel I bis-verordening en artikel 25, lid 1, daarvan.
47
De omstandigheid dat de overeenkomst tot aanwijzing van de bevoegde rechter waarbij de contractpartijen die woonplaats hebben op het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk, een gerecht van een lidstaat — in casu de verwijzende rechter — hebben aangewezen om kennis te nemen van hun geschillen, is gesloten tijdens de overgangsperiode en dat een geding bij dat gerecht pas na afloop van die periode aanhangig is gemaakt, doet niet af aan het antwoord op de onderhavige vraag.
48
Niet alleen regelt het terugtrekkingsakkoord een dergelijke situatie immers niet, maar blijkt uit de overwegingen in de punten 31 tot en met 46 van het onderhavige arrest dat, ook al hebben de partijen bij een geschil hun woonplaats in een derde land — zoals het Verenigd Koninkrijk sinds 1 februari 2020 — het hoofdgeding binnen de werkingssfeer van de Brussel I bis-verordening en artikel 25, lid 1, ervan valt.
49
Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 25, lid 1, van de Brussel I bis-verordening aldus moet worden uitgelegd dat deze bepaling van toepassing is in een situatie waarin twee partijen bij een overeenkomst, die beiden woonplaats hebben in het Verenigd Koninkrijk, tijdens de overgangsperiode een forumkeuzebeding overeenkomen waarin zij bepalen dat een rechterlijke instantie van een lidstaat bevoegd zal zijn om kennis te nemen van de geschillen die uit die overeenkomst voortvloeien, ook wanneer het geschil tussen die partijen pas na afloop van die periode bij deze rechterlijke instantie aanhangig wordt gemaakt.
Tweede tot en met vijfde vraag
50
Gelet op het antwoord op de eerste vraag, namelijk dat een situatie als die in het hoofdgeding binnen de werkingssfeer van de Brussel I bis-verordening en artikel 25, lid 1, ervan valt, hoeven de tweede tot en met de vijfde vraag niet meer te worden beantwoord.
Kosten
51
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
Artikel 25, lid 1, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken
moet aldus worden uitgelegd dat
deze bepaling van toepassing is in een situatie waarin twee partijen bij een overeenkomst, die beiden woonplaats hebben in het Verenigd Koninkrijk, tijdens de overgangsperiode waarin het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie voorziet, een forumkeuzebeding overeenkomen waarin zij bepalen dat een rechterlijke instantie van een lidstaat bevoegd zal zijn om kennis te nemen van de geschillen die uit die overeenkomst voortvloeien, ook wanneer het geschil tussen die partijen pas na afloop van die periode bij deze rechterlijke instantie aanhangig wordt gemaakt.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 09‑10‑2025