Einde inhoudsopgave
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/7.4.1
7.4.1 Personeel toepassingsbereik
mr. A.M. Mennens, datum 01-01-2020
- Datum
01-01-2020
- Auteur
mr. A.M. Mennens
- JCDI
JCDI:ADS192706:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. §3.3.8.
Zie Pilkington 2017, §5.003-5.006; O’Dea, Long & Smyth 2012, §3.28; Payne 2014, §2.3.1.2. Vgl. Re Alabama, New Orleans, Texas and Pacific Junction Railway Company [1891] 1 Ch. 213, p. 246 over de mogelijkheid zekerheidsgerechtigde crediteuren te binden aan een scheme: “But again, what kind of compromise or arrangement is the most common? Surely the most common kind of compromise or arrangement is one in which secured creditors diminish or alter the amount of their security. I repeat, that the Legislature having used the largest language, such as ‘any compromise or any arrangement between a company and any class of its creditors’, I think, if we were to exclude from that class of creditors the secured creditors, or if we were to exclude from the arrangements or compromises to be made an arrangement or compromise which affected the security, we should be putting a most unwarrantable restriction on the generality of the language used in the Act, and therefore I have no hesitation in saying that in my judgment the court has jurisdiction in this matter.”
Vgl. de ruime definitie van ‘betrokken partijen’ in Artikel 2 lid 1 sub 2 Herstructureringsrichtlijn en de vele vermeldingen van de zekerheidsgerechtigde schuldeisers in de considerans en de tekst van de richtlijn. Vgl. ook Impact Assessment Richtlijnvoorstel 2016, p. 67-71. Hoewel zekerheidsgerechtigden kunnen worden gebonden door een preventief herstructureringsstelsel geldt daarbij de belangrijke beperking van art. 8 IVO II. Deze bepaling is van toepassing wanneer de regeling inzake het preventieve herstructureringsstelsel op bijlage A van de Insolventieverordening is geplaatst. Art. 8 IVO II geeft de positie van schuldeisers met zekerheidsrechten op in het buitenland gelegen activa een zeer sterke bescherming. Vgl. daarover reeds nr. 199.
De Europese wetgever doelt daarmee op aandeelhouders die in geval van vereffening niets zouden ontvangen, vgl. Considerans 29.
Het is onduidelijk wat met deze bepaling is beoogd. De Engelse taalversie bezigt op deze plaats het woord ‘competence’.
Considerans 57.
Vgl. Impact Assessment Richtlijnvoorstel 2016, p. 70– 71.
Voor ZZP’ers geldt dus geen enkele bijzondere bescherming.
Kamerstukken II 2018/19, 35 249, nr. 3, p. 31. Ook in het Voorontwerp WCO II en in het Voorontwerp WHOA waren werknemers uitgezonderd van het toepassingsbereik. Vakbond FNV durft aan art. 369 lid 9 Voorontwerp WHOA niet het comfort aan te ontlenen dat werknemers op geen enkele wijze door het WHOA akkoord kunnen worden geraakt: “Dat de rechten van werknemers niet kunnen worden aangetast, zegt op zichzelf nog niets over hun (opeisbare) vorderingen op grond van die rechten”, vgl. FNV, Consultatiereactie WHOA, p. 2.
Zie Van Galen 2017, p. 237; McCormack 2017b, p. 540; Tollenaar 2017a, §2.4; Tollenaar 2017b, §2.4 slot; INSOLAD, consultatiereactie WHOA, §9; Broeders 2018, p. 155-160.
Art. 7:666 lid 1 sub a BW. Dit ligt mogelijk anders wanneer de doorstart is voorbereid door middel van een pre-pack. Zie daarover EU 22 juni 2017, NJ 2017/369 m.nt. Verstijlen; JOR 2017/217 m.nt. Verburg (FNV/Smallsteps). Vgl. echter ook Hof Arnhem-Leeuwarden 17 juli 2018, JOR 2018/265 m.nt. Loesberg (Heiploeg); Hof Amsterdam 10 juli 2018, JOR 2018/264 m.nt. Loesberg (Bogra) en Rb. Gelderland 1 februari 2018, JOR 2018/111 m.nt. Bijloo (Tuunte) waarin de rechters oordeelden dat er geen sprake was van een pre-pack in de zin van het arrest FNV/Smallsteps. Op 29 mei 2019 is het voorontwerp ‘Wet overgang van onderneming in faillissement’ in internetconsultatie gegaan, zie https://www.internetconsultatie.nl/overgang_van_onderneming_in_faillissement (laatst geraadpleegd 30 december 2019). In dit voorontwerp wordt onder meer voorgesteld om art. 7:666 lid 1 sub a BW te schrappen, waardoor bij elke doorstart, voorbereid of niet, de wet overgang van onderneming toepassing vindt. Het consultatievoorstel voorziet echter ook in mogelijkheden om wegens economische, technische of organisatorische redenen afscheid te kunnen nemen van werknemers.
Voor zover de wet overgang van onderneming van toepassing is op een voorbereide doorstart, komen alle werknemers van rechtswege in dienst bij de doorstarter. In dat geval heeft de doorstarter dus niet de mogelijkheid om te selecteren welke werknemers hij een baan aanbiedt. Vgl. EU 22 juni 2017, NJ 2017/369 m.nt. Verstijlen; JOR 2017/217 m.nt. Verburg (FNV/Smallsteps) In het faillissement van PGV had de curator de arbeidsovereenkomst van de werknemers opgezegd voordat de overgang plaatsvond. De rechtbank Limburg oordeelde dat de wet overgang van onderneming van toepassing was, maar dat de werknemers in ‘opgezegde toestand’ in dienst waren gekomen bij de doorstarter. Na het verstrijken van de opzegtermijn waren zij niet langer in dienst van de doorstarter Zie Rb. Limburg 26 september 2018, JOR 2018/316 m.nt. Spinath (PGV).
Vriesendorp 2001, p. 895. Vriesendorp spreekt een voorkeur uit voor de eerste oplossing.
Tollenaar, preadvies 2017, §2.4 (“Vereenvoudiging van de mogelijkheid om arbeidsovereenkomsten te beëindigen bij een onderneming die insolvent dreigt te raken, dient het behoud van werkgelegenheid: dit stelt de werkgelegenheid die de onderneming nog wel kan dragen, tijdig veilig.”). Maar zie ook reeds Van Schaik 1983, p. 93.
Vgl. §2.4.3.
Zie Schreurs 2016; OO&R in opdracht van het WODC: ‘Ondernemingen in financiële moeilijkheden en de arbeidsrechtelijke positie van hun werknemers’ 2016, p. 7, 61, 96, 189-191.
Het voorontwerp WCO II sloot de wijziging van werknemersrechten reeds uit, zie art. 368 lid 9 Voorontwerp WCO II. Tollenaar meent dat de categorische uitsluiting van de verplichtingen uit arbeidsovereenkomst de belangen van werknemers juist schaadt, maar erkent dat er sprake is van een politiek taboe: Tollenaar 2017b, p. 37. Josephus Jitta meent dat heroverweging op zijn plaats is, vgl. Josephus Jitta 2017, §4.5.5.
Kamerstukken II 2017/18, 33 695, nr. 16 (Verslag van een schriftelijk overleg, 20 december 2017); www.internetconsultatie.nl/overgang_van_onderneming_in_faillissement (laatst geraadpleegd 30 december 2019).
Tollenaar 2017b, §2.4. Vgl. ook Broeders 2018, p. 158-159; Josephus Jitta 2017, p. 168.
Zie daarover Broeders 2018, p. 159. Josephus Jitta schetst in zijn preadvies een afwijkende wijze van besluitvorming: de beslissing over de wijziging van werknemersrechten zou in zijn voorstel niet aan de werknemers worden voorgelegd, maar in handen zijn van de vakorganisaties of ondernemingsraad. Zie ook reeds Van Gangelen & Gispen 2012, §4. Zij bepleitten dat het akkoord moet kunnen voorzien in ontslag en in wijziging van de arbeidsvoorwaarden.
Zie Boels Zanders, Consultatiereactie WHOA, p. 1-2.
VNO-NCW, consultatiereactie WHOA, p. 4.
Tollenaar 2017b, §2.4.
Tollenaar 2019b. Hoewel schuldeisers in dat geval een preferente schadevergoedingsvordering krijgen als gevolg van de opzegging, en de werknemers conform hun rang mogen delen in de reorganisatiewaarde meen ik dat de rechtsbescherming in een dergelijke systeem wel erg summier is. De rechter toetst in het geheel niet of de opzegging redelijk is, een bezwaar dat ik in nr. 429-430 eveneens naar voren zal brengen. Aan werknemers wordt alle mogelijke ontslagbescherming ontnomen. De schuldenaar zou in een dergelijk geval volledig vrij zijn in de selectie van de op te zeggen arbeidsovereenkomsten, hetgeen tot strategisch gedrag van de schuldenaar zou kunnen leiden.
377. Het WHOA-akkoord kan alle typen vermogensverschaffers binden. Anders dan de huidige regelingen van het surseance- en faillissementsakkoord kunnen dus ook de rechten van preferente schuldeisers en aandeelhouders worden gewijzigd middels een pre-insolventieakkoord.1 Deze uitbreiding maakt het pre-insolventieakkoord tot een serieus en modern herstructureringsinstrument. Het komt tegemoet aan een van de meest gehoorde bezwaren tegen de bestaande akkoordregelingen.2 Het ruime ‘personele toepassingsbereik’ is in lijn met het uitgangspunt dat ik in nr. 133-135 formuleerde. Doordat alle typen vermogensverschaffers aan het akkoord kunnen worden gebonden, wordt het mogelijk de reorganisatiewaarde daadwerkelijk conform de rangorde te verdelen.
De gedachte dat alle typen schuldeisers én aandeelhouders kunnen worden betrokken in een akkoord sluit aan bij Chapter 11 en de regeling inzake de scheme of arrangement.3 Ook de Europese Herstructureringsrichtlijn veronderstelt dat alle typen crediteuren, inclusief preferente en zekerheidsgerechtigde crediteuren, gebonden moeten kunnen worden aan een herstructureringsplan.4 Over de binding van aandeelhouders is de Richtlijn wat diffuser. De strekking van art. 12 is dat aandeelhouders niet op onredelijke wijze de goedkeuring of uitvoering van een herstructureringsplan mogen belemmeren. Zo mag volgens de considerans de goedkeuring van een akkoord niet afhangen van de instemming van ‘out of the money’-aandeelhouders.5 Lidstaten mogen zelf kiezen hoe zij dit verwezenlijken. Zij kunnen ervoor opteren aandeelhouders te laten stemmen over het akkoord, maar dan moet er wel een cross class cram down mogelijk zijn. Ook kunnen zij aandeelhouders het stemrecht ontzeggen. Hoe in dat geval geregeld moet worden dat de aandeelhouders niet – langs vennootschapsrechtelijke weg – op onredelijke gronden de totstandkoming of uitvoering van het akkoord belemmeren, blijft onduidelijk. In de considerans wordt een aantal suggesties gedaan. Zo zouden lidstaten aan art. 12 kunnen voldoen door geen “onredelijk veeleisende meerderheidsvoorschriften” voor te schrijven voor de vennootschapsrechtelijke besluitvorming die noodzakelijk is om de herstructurering te verwezenlijken. Ook zouden zij kunnen bepalen dat aandeelhouders “geen bevoegdheid6 hebben met betrekking tot herstructureringsmaatregelen die geen rechtstreekse gevolgen hebben voor hun rechten”.7 Deze wat omfloerste bepalingen en overwegingen vinden waarschijnlijk hun oorsprong in het feit dat sommige lidstaten huiverachtig waren voor gedetailleerde voorschriften over de positie van de aandeelhouder.8
378. Eén type schuldeiser is uitgesloten van het toepassingsbereik van de WHOA: de werknemer. Art. 369 lid 7 Fw bepaalt dat de afdeling over het pre-insolventieakkoord niet van toepassing is op rechten van werknemers in dienst van de schuldenaar die voortvloeien uit arbeidsovereenkomsten in de zin van art. 7:610 BW.9 Voor de wijziging van verplichtingen van de schuldenaar uit hoofde van een arbeidsovereenkomst is het traject uit de Wet Werk en Zekerheid en de Wet Arbeidsmarkt in Balans de aangewezen route.10 De Nederlandse wetgever kiest er niet voor de ruimte te benutten die de Herstructureringsrichtlijn op dit punt biedt. In de Herstructureringsrichtlijn wordt niet uitgesloten dat rechten van werknemers worden gewijzigd door middel van het preventieve herstructureringsstelsel.11
De positie van werknemers van financieel noodlijdende ondernemingen is al decennialang onderwerp van debat. Werknemers genieten buiten insolventieprocedures veel bescherming op grond van het arbeidsrecht, terwijl hun rechtspositie in faillissement met aanzienlijk minder waarborgen is omkleed. Dit verschil doet zich met name voelen wanneer er pogingen worden gedaan noodlijdende ondernemingen te redden, al dan niet vanuit een faillissement.
Ondernemingen in financiële moeilijkheden dienen hun kostenstructuur in overeenstemming te brengen met hun bedrijfsmodel. Een van de kostenposten die daartoe mogelijk gesaneerd moet worden, wordt gevormd door de personeelslasten. Sanering van de personeelslasten behoort echter in geval van een dreigend faillissement meestal niet tot de mogelijkheden, omdat met het reorganisatieproces veel tijd en geld gemoeid is.12 Een noodlijdende onderneming ontbreekt het aan beide. De enige overgebleven route om de onderneming te behouden verloopt dan via een doorstart vanuit faillissement. In faillissement is vooralsnog het uitgangspunt dat de wet overgang van onderneming niet geldt.13 Een doorstarter is dan ook vrij in zijn keuze (een aantal) werknemers over te nemen, en tegen welke voorwaarden hij dat doet.14 Er is op dit punt een fundamentele rechtspolitieke keuze vereist. Vriesendorp heeft deze keuze omschreven als:
“ofwel accepteren dat in tijden van financiële problemen (mits uiteraard afdoende aangetoond) een relatief soepele reductie van arbeidskosten mogelijk moet zijn (door aanpassing van salarissen en/of ontslag van een deel van de werknemers), maar dan de ondernemer niet dwingen om uitsluitend voor dit doel de faillietverklaring uit te lokken;
ofwel niet accepteren – zelfs niet bij financiële moeilijkheden – dat werknemers op een relatief eenvoudige wijze kunnen worden ontslagen, maar dit dan ook niet als een vluchtweg bieden via faillissement.”15
Inmiddels is ook wel opgemerkt dat een versobering van de arbeidsrechtelijke bescherming van werknemers ook wel eens zou kunnen bijdragen aan het behoud van zoveel mogelijk werkgelegenheid.16 Het faillissement is immers een paardenmiddel, dat tot veel schade en waardeverlies leidt.17 Het snijvlak, of, zo men wil: de botsing van het insolventie- en arbeidsrecht heeft veel pennen in beweging gebracht. Het lijkt inmiddels communis opinio dat het sterke contrast tussen de vergaande bescherming van werknemers buiten insolventiescenario’s en de magere bescherming in faillissement genuanceerd dient te worden. In de literatuur is geopperd dat ook het pre-insolventieakkoord hier een functie zou kunnen vervullen, bijvoorbeeld om een collectief loonoffer te bewerkstelligen, in de zin van wijziging van primaire of secundaire arbeidsvoorwaarden, de sanering van een verlofurenstuwmeer of afvloeiingsverplichtingen.18 De wetgever houdt deze boot in de WHOA echter af.19 De rechtspositie van werknemers zal in het wetsvoorstel bevordering doelmatigheid van het faillissementsprocesrecht (voorheen WCO III) en in het wetsvoorstel overgang van onderneming in faillissement aan bod komen.20
Diverse auteurs beschouwen het feit dat de WHOA het niet mogelijk maakt de positie van werknemers te wijzigen als een gemiste kans.21 Wanneer werknemers als aparte klasse over het akkoordvoorstel zouden stemmen, zou op die manier over een collectief loonoffer kunnen worden besloten.22 Ook zou met het akkoord afstand gedaan kunnen worden van overtollige vakantieaanspraken.23 VNO-NCW bepleit dat met het preinsolventieakkoord secundaire arbeidsvoorwaarden gewijzigd moeten kunnen worden.24 Tollenaar stelt in 2017 in zijn preadvies dat ten minste reeds verschuldigde afvloeiings- en transitievergoedingen door middel van het akkoord gesaneerd moeten kunnen worden.25 In een latere publicatie verdedigt hij dat de arbeidsovereenkomst, net zoals alle overeenkomsten, moet kunnen worden opgezegd op grond van de in §7.8.3 te besprekingen regeling van art. 373 Fw. Het enkele feit dat de onderneming pre-insolvent is rechtvaardigt dat de schuldenaar mag opzeggen. 26
Hoewel de sanering van afvloeiingsvergoedingen net zoals een collectief loonoffer, ongetwijfeld kan bijdragen aan de reorganisatie van financieel noodlijdende ondernemingen, vergt beantwoording van de vraag of het wenselijk is dit mogelijk te maken via het pre-insolventieakkoord een integrale analyse van het krachtenveld. Indien het ontslagrecht wordt versoepeld, in die zin dat het eenvoudiger wordt personeel te ontslaan in geval van aantoonbare financiële moeilijkheden zonder dat daarvoor de opening van een insolventieprocedure is vereist, is tornen aan het beginsel van ‘pacta sunt servanda’ door middel van het akkoordproces minder geboden. Beantwoording van de fundamentele en rechtspolitieke vraag hoe de rechtspositie van werknemers van financieel noodlijdende bedrijven dient te worden aangepast, valt dan ook buiten het bestek van dit onderzoek.