AB 2025/114
Zozeer-indruistcriterium. Niet van belang is of het gaat om bewijsmiddelen waarvan de inspecteur zonder wettelijke belemmering kennis had kunnen nemen.
HR 31-01-2025, ECLI:NL:HR:2025:154, m.nt. R. Stijnen
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
31 januari 2025
- Magistraten
Mrs. J.A.R. van Eijsden, M.W.C. Feteris, M.T. Boerlage, A.E.H. van der Voort Maarschalk, R. Kuiper
- Zaaknummer
22/04816
- Noot
R. Stijnen
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD4349:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Bewijs
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:154, Uitspraak, Hoge Raad, 31‑01‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 31‑01‑2025
ECLI:NL:PHR:2023:1076, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 24‑11‑2023
- Wetingang
Essentie
Zozeer-indruistcriterium. Niet van belang is of het gaat om bewijsmiddelen waarvan de inspecteur zonder wettelijke belemmering kennis had kunnen nemen. Aan het zozeer-indruistcriterium kan ook zijn voldaan zonder dat sprake is van opzettelijk onrechtmatig handelen.
Samenvatting
In het arrest van 20 maart 2015 heeft de Hoge Raad, afgezien van gevallen waarin het recht van de belanghebbende op een behoorlijk proces op grond van art. 6 EVRM noodzaakt tot bewijsuitsluiting, slechts in uitzonderlijke gevallen de mogelijkheid aanvaard dat in belastingzaken uitsluiting van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs is geboden als rechtsstatelijke waarborg. Daarvoor geldt volgens dit arrest als ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.