HR, 06-01-1967
ECLI:NL:PHR:1967:AB7143
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
06-01-1967
- Zaaknummer
[1967-01-06/NJ_51350]
- LJN
AB7143
- Roepnaam
Cosman/Du Buy
- Vakgebied(en)
Goederenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1967:AB7143, Uitspraak, Hoge Raad, 06‑01‑1967; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1967:AB7143
ECLI:NL:PHR:1967:AB7143, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 06‑01‑1967
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1967:AB7143
- Vindplaatsen
Uitspraak 06‑01‑1967
Inhoudsindicatie
-
6 januari 1967
Br.
De Hoge Raad der Nederlanden,
in de zaak nr. 10.008 van
[eiser] , wonende te [woonplaats], eiser tot cassatie van een door het Gerechtshof te Amsterdam tussen partijen gewezen arrest van 28 januari 1966, vertegenwoordigd door Mr. A.G. Maris, advocaat bij de Hoge Raad,
t e g e n
[verweerder] , wonende te [woonplaats], verweerder in cassatie, kosteloos procederende ingevolge beschikking van de Hoge Raad van 18 november 1966, vertegenwoordigd door Mr. D.J. Veegens, mede advocaat bij de Hoge Raad;
Gehoord partijen;
Gehoord de Advocaat-Generaal Minkenhof, namens de Procureur-Generaal, in haar conclusie tot verwerping van het beroep, met veroordeling van de eiser in de kosten op de cassatie gevallen;
Gezien de stukken;
Overwegende dat uit het bestreden arrest en de stukken van het geding blijkt:
dat [verweerder] bij exploit van 5 december 1962 [eiser] voor de Arrondissements-Rechtbank te Amsterdam heeft gedagvaard tot betaling van een bedrag van DM. 21.194,08, dan wel de tegenwaarde in Nederlandse courant; dat in reconventie [eiser] van [verweerder] heeft gevorderd onder meer de betaling van een bedrag van DM. 1103,29 of de tegenwoordige waarde daarvan in Nederlandse courant; dat bij vonnis van 17 maart 1964 de Rechtbank te Amsterdam in conventie [eiser] heeft veroordeeld tot betaling van het van hem gevorderde bedrag, terwijl in reconventie de Rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard van de vordering kennis te nemen en deze zaak in de stand, waarin zij zich toen bevond, heeft verwezen naar het Kantongerecht te Roermond;
dat [eiser] van voormeld vonnis zowel in conventie als in reconventie bij het Gerechtshof te Amsterdam in hoger beroep is gekomen; dat [eiser] in antwoord op de door [verweerder] voorgestelde exceptie van niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep van 4 maart 1965 blijkens de zesde rechtsoverweging van 's Hofs arrest het volgende heeft gesteld:
‘’Op 19 november 1964 is aan [eiser] door middel van betekening ten verzoeke van de naamloze vennootschap ‘’[A] N.V.’’ gebleken dat [verweerder] op 7 juli 1964 aan deze vennootschap zijn vordering ter zake tegen [eiser] had gecedeerd, althans voor zover hij zulks — naar toen bleek — niet reeds eerder, en wel op 14 mei 1964, aan weer andere derden, te weten zekere [B] en [C] had gedaan. Derhalve kan [verweerder] in zijn verdediging van het beroepen vonnis niet worden ontvangen. Hij is geen eigenaar meer van de door hem in prima geldend gemaakte vordering. Bijgevolg procedeert hij over een aangelegenheid welke hem niet regardeert, zodat hij een volstrekt gemis aan belang heeft. Een cedent is tot voortprocederen niet bevoegd. Vermits [verweerder] dus geen recht en belang ter zake meer heeft, kan op zijn verweer geen acht geslagen worden. Daar hij geen eigenaar van de door hem gepretendeerde vordering meer is, kan deze hem niet worden toegewezen en moet het beroepen vonnis reeds op die grond worden vernietigd.’’;
dat het Hof bij het bestreden arrest [eiser] niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep voor zover, dit was gericht tegen het in reconventie gewezen vonnis, de voorgestelde niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep voor het overige heeft verworpen en het beroepen vonnis, voor zover in conventie gewezen, heeft bekrachtigd;
dat het Hof daarbij omtrent de bovenaangehaalde nieuwe weer van [eiser] het navolgende heeft overwogen en beslist:
‘’dat uit de door [eiser] in het geding gebrachte acte van cessie d.d. 7 juli 1964, welke op 19 november 1964 aan hem is betekend, blijkt dat [verweerder] aan [A] opeisbaar is verschuldigd DM. 26.152,35, behoudens nabelastingen en dat hij ook opeisbare betalingsverplichtingen heeft jegens de firma ‘’[B]’’, heren- en jongensconfectie’’ te 's-Gravenhage en ‘’[C] N.V.’’ te Almelo; voorts dat de cessie van dat deel van de vordering van [verweerder] op [eiser], dat hij niet heeft gecedeerd aan [B] en [C], zijnde de som van DM. 7194,08 met rente naar 5% per jaar over het bedrag van DM. 21.194,08 van 5 december 1962 af welke [eiser] nog aan [verweerder] verschuldigd zal worden, is geschied door [verweerder] aan [A] tot zekerheid voor de voldoening van de schuld welke [verweerder] aan [A] heeft; dat al hetgeen [eiser] in mindering op diens schuld aan [verweerder], betaalt aan [A], in mindering zal strekken op de schuld van [verweerder] aan [A], en tenslotte dat, zodra door [verweerder] de gehele vordering van [A] op hem zal zijn voldaan, [A] verplicht is de vordering op [eiser] te retrocederen aan [verweerder];
‘’dat bij de gehouden pleidooien onweersproken is gesteld dat ook de cessies aan [B] en [C] zijn cessies tot zekerheid, zoals die aan [A];
‘’dat uit een en ander blijkt, dat [verweerder] bij de door hem ingestelde vordering nog wel degelijk belang heeft en diensvolgens gerechtigd is de appelprocedure tegen [eiser] ook na deze zekerheidscessie op eigen naam door te zetten, en dat dit nieuwe verweer van [eiser] moet worden verworpen;’’
Overwegende dat [eiser] deze beslissing met het navolgende cassatiemiddel heeft bestreden:
‘’Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan niet-inachtneming nietigheid meebrengt, in het bijzonder van de artikelen 625, 639, 668, 1177, 1179, 1180, 1196, 1198, 1199, 1200, 1201, 1202, 1203, 1204, 1205, 1206, 1349, 1355, 1356, 1374, 1375, 1401, 1402, 1403, 1417, 1421, 1422, 1423, 1902 en 1903 van het Burgerlijk Wetboek, 48, 59, 332, 339, 343, 347, 348, 349 en 353 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, 20 en 69 van de Wet op de Zamenstelling der Regterlijke Magt en het Beleid der Justitie, 175 van de Grondwet, door te overwegen en op grond daarvan recht te doen, gelijk in voormeld arrest is omschreven, ten onrechte,
(1) omdat het Hof zijn arrest niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed, aangezien het Hof niet althans niet begrijpelijk beslist heeft op het verweer van [eiser], dat de door [verweerder] gepretendeerde vordering hem niet kan worden toegewezen daar hij geen eigenaar van de door hem gepretendeerde vordering meer is, en dat het beroepen vonnis reeds op die grond moet worden vernietigd,
(2) hebbende het Hof althans in strijd met het recht bekrachtigd het vonnis van de Rechtbank, waarvan hoger beroep, voor zover in conventie gewezen, welk vonnis inhield onder meer de veroordeling van [eiser] om tegen kwijting aan [verweerder] te betalen DM. 21.194,08 met rente als nader in dat vonnis is omschreven, en/of beslist, dat [verweerder], ondanks de cessies, waarop het Hof doelt, belang bij de door hem ingestelde vordering heeft en/of gerechtigd is de appelprocedure tegen [eiser] op eigen naam door te zetten en/of dat het door het Hof bedoelde nieuwe verweer van [eiser] moet worden verworpen,
(3) aangezien [verweerder] na en door de cessie tot zekerheid het recht, dat hij uit de vordering tegen [eiser] kon doen gelden heeft uit handen gegeven en/of niet meer bevoegd was om het bedrag der schuld van [eiser] te vorderen of een bekrachtiging van een vonnis tot betaling door [eiser] aan [verweerder] te verkrijgen en/of eigenmachtig de hoegrootheid der inschuld in een met [eiser] als schuldenaar gevoerd geding te doen vaststellen,
(4) en aangezien [eiser] ingevolge de wet na en door de cessies tot zekerheid althans nadat deze aan [eiser] betekend waren, aan [verweerder] niet bevrijdend — met werking tegenover de cessionarissen tot zekerheid — vermag te betalen en [verweerder] [eiser] geen kwijting — met werking tegenover de cessionarissen tot zekerheid — vermag te verlenen,
(5) aan welk een en ander niet afdoet, dat het hier niet cessies zonder meer of blijvende cessies doch cessies tot zekerheid betreft, als door het Hof vastgesteld, aangezien het voorgaande evenzeer voor zodanige cessies tot zekerheid geldt, ook al gelet op de ten deze naar analogie of op grond van een redelijke wetstoepassing of op grond van billijkheid en goede trouw toepasselijke rechtsregels ter zake van pand,
(6) hebbende het Hof althans in strijd met het recht beslist, dat ten deze sprake is van cessies tot zekerheid, zijnde immers de door [verweerder] aan de door het Hof genoemde [A], [B] en [C] op grond van de door het Hof bedoelde aan [eiser] betekende overeenkomst of overeenkomsten verleende rechten pandrechten of onlichamelijke roerende zaken met daaraan verbonden rechten onder meer tot inning, en derhalve beheerst door de daarop betrekking hebbende bepalingen, die tot dezelfde conclusies leiden als hiervoor onder (2) — (4) aangevoerd;’’
Overwegende omtrent het middel:
dat de onder (1) aangevoerde grief feitelijke grondslag mist, omdat het Hof het door [eiser] gevoerde, in de zesde rechtsoverweging weergegeven, verweer in de zevende, de achtste en negende rechtsoverweging heeft behandeld en zijn beslissing daaromtrent heeft gegrond op het belang dat [verweerder] ook na de cessie bij de ingestelde vordering heeft behouden;
dat het middel zich in de alinea's (2) tot en met (5) echter terecht over voormelde beslissing beklaagt;
dat immers, al blijft na een zekerheidscessie, als in het onderhavige geval door het Hof aangenomen, de cedent bij de overgedragen vordering in verschillende opzichten belang behouden, zulks niet wegneemt dat hij als gevolg van de overdracht ophoudt schuldeiser te zijn en mitsdien een eis tot betaling van de vordering te zijnen aanzien voor toewijzing niet meer vatbaar is;
dat dit weliswaar niet onder alle omstandigheden behoeft te betekenen dat in een vóór de cessie tussen de cedent en de debiteur aangevangen geding tussen deze partijen geen beslissing meer zou kunnen worden gegeven ten aanzien van het bestaan en de hoegrootheid van de vordering met het oog op het belang dat de cedent bij de vaststelling daarvan tussen hem en de debiteur kan hebben behouden, doch deze beslissing, zolang de cessie van kracht blijft, niet kan zijn een veroordeling van de debiteur om aan de cedent te betalen;
dat, waar in het onderhavige geval niet blijkt dat [verweerder] zijn voor de cessie tegen [eiser] ingestelde vordering na de cessie heeft gewijzigd in een ook onder de gewijzigde omstandigheden voor toewijzing vatbare eis, het Hof de vordering had moeten afwijzen;
dat uit het bovenstaande volgt dat het onder (6) in het middel gestelde geen behandeling behoeft;
Overwegende dat het bestreden arrest van het Gerechtshof te Amsterdam dus niet in stand kan blijven voor zover het beroepen vonnis van de Rechtbank in conventie gewezen, daarbij werd bekrachtigd, dit arrest en genoemd vonnis in zover moeten worden vernietigd en de door [verweerder] ingestelde vordering alsnog moet worden afgewezen;
Overwegende ten aanzien van de kosten:
dat [eiser]'s veroordeling in de in eerste aanleg gevallen kosten in stand moet blijven omdat, al brengt de omstandigheid dat [verweerder] zijn vordering op [eiser] tijdens de behandeling van het hoger beroep cedeerde, mee dat die vordering ten slotte moet worden afgewezen, blijkens 's Hofs — in zover niet bestreden — arrest [eiser] bij dat vonnis terecht in het ongelijk is gesteld;
dat, voor wat de appelinstantie betreft, grond bestaan voor compensatie van de kosten in dier voege dat elke partij haar eigen kosten draagt; dat immers, al heeft het Hof het beroep van [eiser] op de cessie ten onrechte van de hand gewezen en op dit punt [eiser] dus ten onrechte in het ongelijk gesteld, in cassatie de verwerping van de door [eiser] tegen het vonnis van de Rechtbank aangevoerde grieven niet is bestreden, zodat in zover [eiser] de positie van een in het ongelijk gestelde partij heeft behouden en, wat deze instantie betreft, mitsdien beide partijen moeten worden beschouwd als over en weer op enige punten in het ongelijk te zijn gesteld;
dat, wat de cassatie betreft, [eiser] geheel in het gelijk is gesteld zodat [verweerder] de op deze instantie gevallen kosten zal moeten dragen;
Vernietigt de bestreden uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam, voor zover het beroepen vonnis van de Arrondissements-Rechtbank aldaar, in de conventie gewezen, daarbij is bekrachtigd;
Vernietigt het vonnis van de Rechtbank in zoverre, behalve voor wat de kostenveroordeling betreft, en wijst de ingestelde vordering af;
Bekrachtigt dit vonnis voor het overige;
Compenseert de op het hoger beroep gevallen kosten in dier voege dat ieder der partijen haar eigen kosten zal dragen;
Veroordeelt [verweerder] in de op de voorziening in cassatie gevallen kosten, aan de zijde van [eiser] tot op deze uitspraak begroot op ƒ 92,-- aan verschotten en ƒ 1.200,-- voor salaris.
Aldus gedaan door de Heren Mrs. de Jong, Vice-President, Wiarda, Houwing, Loeff en Beekhuis, Raden, en door de Vice-President voornoemd uitgesproken ter openbare terechtzitting van de zesde januari 1900 zeven en zestig, in tegenwoordigheid van de Advocaat-Generaal van Oosten.
Conclusie 06‑01‑1967
Inhoudsindicatie
Cessie.
L.
Nr. 10.008
Zitting 18 november 1966.
Mr. Minkenhof
Conclusie inzake:
[eiser]/[verweerder].
Edelhoogachtbare Heren,
[verweerder], de verweerder in cassatie, vordert in eerste aanleg van de eiser tot cassatie, [eiser], een bedrag aan geld, hetwelk hem door de Rechtbank werd toegewezen. [eiser] komt in appel en concludeert voor grieven. Bij memorie van antwoord in appel voert [verweerder] een aantal argumenten aan tegen de ontvankelijkheid van het door [eiser] ingestelde hoger beroep. Dit wordt door [eiser] beantwoord met een ‘’memorie van antwoord op de exceptie van niet-ontvankelijkheid’’ en in dit stuk voert [eiser] tevens aan, dat [verweerder] geen eigenaar meer is van de door hem geldend gemaakte vordering en bijgevolg procedeert over een aangelegenheid, welke hem niet meer regardeert, zodat hij een volstrekt gemis aan belang heeft. Immers op een datum, na de memorie van grieven, is aan [eiser] betekend een akte, waarbij [verweerder] zijn vordering tegen [eiser] cedeert (op 7 juli 1964, na de dagvaarding in appel) aan een zekere Bolijn, voorzover de vordering niet reeds eerder aan twee anderen is gecedeerd. [eiser] produceert de betreffende akten (exploit van betekening en cessieovereenkomst), waaruit blijkt, dat het een cessie tot zekerheid betreft. Het Hof overweegt, dat bij de pleidooien onweersproken is gesteld, dat ook de voorafgaande cessies zijn cessies tot zekerheid; voorts, dat uit de akte van cessie blijkt, dat al hetgeen [eiser] in mindering op zijn schuld aan [verweerder] betaalt aan Bolijn, in mindering zal strekken op de schuld van [verweerder] aan Bolijn en dat, zodra [verweerder] zijn schuld aan Bolijn geheel zal hebben voldaan, Bolijn verplicht is de vordering op [eiser] aan [verweerder] te retrocederen.
Met betrekking tot het bovenvermelde nieuwe verweer van [eiser] overweegt het Hof, dat uit een en ander blijkt, dat [verweerder] bij de door hem ingestelde vordering nog wel degelijk belang heeft en diensvolgens gerechtigd is de appelprocedure tegen [eiser] ook na deze zekerheidscessie op eigen naam door te zetten, en dat dit nieuwe verweer van [eiser] moet worden verworpen.
In het eerste onderdeel van het cassatiemiddel verwijt [eiser] het Hof onvoldoende motivering, aangezien niet beslist is op het verweer van [eiser], dat [verweerder] geen eigenaar meer is van de gepretendeerde vordering. [eiser]'s verweer toch hield niet slechts in, dat [verweerder] geen belang meer heeft, maar tevens dat zijn recht door de cessie verloren was gegaan.
Deze klacht lijkt mij gegrond toe. Uit de overweging van het Hof, dat [verweerder] bij de vordering nog belang heeft en diensvolgens gerechtigd is de procedure op eigen naam door te zetten, kan ik geen beantwoording lezen van [eiser]'s stelling, dat [verweerder] geen eigenaar meer is van de vordering en dus geen recht meer heeft.
In de volgende alinea's van het middel bestrijdt [eiser] de beslissing van het Hof, welke er op neer komt, dat een eiser, die hangende de procedure zijn vordering cedeert tot zekerheid, deze procedure op eigen naam mag doorzetten. Volgens Uw arrest van 17 maart 1961, N.J. 1961 no. 310 (noot Rutten) gaat de wet uit van het beginsel, dat een eenmaal tussen bepaalde partijen aangevangen rechtsgeding ook in volgende instanties tussen dezelfde partijen moet worden voortgezet. Deze zaak betrof een vordering door een vroegere werknemer ingesteld tegen een vennootschap onder firma, in eerste instantie toegewezen, van welk vonnis de N.V., die al de rechten en verplichtingen van de vennootschap onder firma had overgenomen, in hoger beroep kwam. Dit appel werd niet-ontvankelijk verklaard en het cassatieberoep daartegen werd verworpen. Hiermede is echter niet beslist over de vraag, wat het lot is van een vordering, wanneer het recht waarvan de eiser nakoming vordert, hangende de procedure aan een ander wordt overgedragen. Volgens Wiarda (Cessie of overdracht van schuldvorderingen op naam, diss. 1937, blz. 428/9) en Van Creveld (Cessie van schuldvorderingen, blz. 121) kan, wanneer in de procedure blijkt, dat de vordering gecedeerd is, geen toewijzing plaatsvinden. Omtrent de moeilijkheden die dit oplevert moge ik verwijzen naar de noot van Rutten onder bovengenoemd arrest van 1961. Is er nu aanleiding hierover anders te oordelen, wanneer het een cessie tot zekerheid betreft? Mijns inziens niet. De tot zekerheid gecedeerde vordering is bestemd om in het vermogen van de cedent terug te keren, nl. wanneer hij aan zijn verplichtingen jegens de cessionaris heeft voldaan, maar dat neemt niet weg, dat hij krachtens de cessie thans niet de beschikking heeft over de vordering. Volgens Uw arrest van 27 februari 1914 N.J. 1914 blz. 545 is ook de pandgever van een vordering onbevoegd tot inning. Er lijkt geen reden te zijn een regel, die geldt zowel voor de gewone cessie als voor de inpandgeving niet toepasselijk te achten op de cessie tot zekerheid, waar volgens Uw Raad de regelen die voor pand gelden naar analogie op de eigendomsoverdracht tot zekerheid van toepassing zijn (H.R. 3 januari 1941 N.J. 1941 no. 470, noot P.S., 30 januari 1953 N.J. 1953 no. 578, noot Houwing).
De onderdelen 3, 4 en 5 van het middel komen mij derhalve gegrond voor. In het algemeen is het gevolg van de cessie tot zekerheid, dat de oorspronkelijke schuldeiser, die zijn vordering tot zekerheid heeft gecedeerd, deze niet meer mag innen en dat, na betekening, de debiteur aan de cedent niet meer rechtsgeldig kan betalen. Dit geldt zoals gezegd in het algemeen; het is denkbaar dat in een bijzonder geval — het kan zijn overeengekomen — krachtens de verhouding tussen de cedent en de cessionaris dit inningsrecht nog wel bestaat en dat betaling aan de cedent wel bevrijdend is. De bijzondere omstandigheden die dit teweegbrengen moeten dan echter zijn gebleken.
In dit verband dient de stelling van [verweerder] te worden besproken, dat het Hof met het in dit late stadium van het proces aangevoerde verweer van [eiser] in het geheel geen rekening had mogen houden en dus in elk geval tot hetzelfde resultaat had moeten komen. Weliswaar moet de rechter, ook de appelrechter, rekening houden met alle feiten, waarop de eiser zich in de loop der procedure heeft beroepen, ook met die welke na de dagvaarding hebben plaatsgevonden, behalve voorzover de wederpartij zich overeenkomstig art. 134 Rv. met goed gevolg tegen het beroep op die feiten heeft verzet (aldus Uw arrest van 19 juni 1964 N.J. 1965 no. 341, noot J.H.B.; zie ook H.R. 16 juni 1939 N.J. 1939 no. 1044, 16 april 1936 N.J. 1936 no. 469, Rutten De devolutieve werking van het appel blz. 164 v. en Star Busmann no. 201), maar toch moet dunkt mij aan deze regel een zekere grens gesteld worden. De wet heeft een aantal conclusies in appel beperkt tot een van iedere kant en daarnaast nog een conclusie tegen de voorgestelde exceptie van niet-ontvankelijkheid toegelaten. Laat men bij deze gelegenheid nog een beroep op een nieuw feit toe, dan komt het recht tot verweer daartegen in het gedrang. Zodra de invloed van het nieuw aangevoerde feit op de juridische positie aanleiding tot debat kan zijn, brengt m.i. het beginsel van het hoor en wederhoor mede dat de rechter, wanneer er voor de tegenpartij geen gelegenheid tot verweer meer is, de gestelde feiten buiten beschouwing moet laten. Het is mogelijk, dat het novum van zo zuiver feitelijke en eenvoudige aard is, dat de rechter het, op grond van de uitlatingen daaromtrent van de tegenpartij bij pleidooi als tussen partijen vaststaand kan aanmerken (zie H.R. 5 februari 1954 N.J. 1954 no. 199). Ik zou dit echter als een uitzondering willen beschouwen, welker aanwezigheid uitdrukkelijk door de rechter dient te worden vastgesteld. Een beroep op cessie van de litigieuze vordering, gelijk in deze procedure in dit late stadium is gedaan, geeft aanleiding tot feitelijke en juridisch verweer, waarvoor het pleidooi onvoldoende ruimte biedt. Ik zou dus als regel, zij het niet zonder uitzondering willen aannemen, dat feitelijke en gemengd feitelijk-juridische nova in dit stadium niet meer toelaatbaar zijn.
In dit concrete geval is het nu naar mijn mening aldus, dat uit de zevende en achtste rechtsoverweging volgt, dat over de gegrondheid van [eiser]'s betoog zeker een debat mogelijk geweest was, dat de mogelijkheden die het geding in appel in dit stadium biedt, te buiten ging. Ik meen dus dat Uw Raad zelfstandig zal kunnen oordelen, dat bijvoorbaat vaststaat, dat na verwijzing [eiser]'s betoog toch in geen geval meer in aanmerking zal kunnen komen, hetgeen medebrengt, dat [eiser] bij zijn cassatieberoep generlei belang kan hebben.
Ik heb derhalve de eer te concluderen tot verwerping van het beroep, met veroordeling van de eiser in de kosten op de cassatie gevallen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,