HR, 22-06-2001, nr. R00/034HR
ECLI:NL:HR:2001:AB2239
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
22-06-2001
- Zaaknummer
R00/034HR
- LJN
AB2239
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2001:AB2239, Uitspraak, Hoge Raad, 22‑06‑2001; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AB2239
ECLI:NL:PHR:2001:AB2239, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 22‑06‑2001
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AB2239
- Vindplaatsen
JOL 2001, 387
NJ 2001, 436
RvdW 2001, 115
JWB 2001/177
Uitspraak 22‑06‑2001
Inhoudsindicatie
-
22 juni 2001
Eerste Kamer
Rek.nr. R00/034HR
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De moeder], wonende te [woonplaats], Nederlandse Antillen,
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. J. Groen,
t e g e n
[De vader], wonende te [woonplaats], Nederlandse Antillen,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 8 oktober 1998 gedateerd verzoekschrift heeft verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de moeder - zich gewend tot het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen zittingsplaats Curaçao en verzocht bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande verzet of hoger beroep, verweerder in cassatie - verder te noemen: de vader - te veroordelen om vanaf 1 oktober 1998 maandelijks en bij vooruitbetaling via de Voogdijraad te Curaçao aan de moeder te betalen de som van NAf 350,--, of zoveel meer of minder zoals het de rechter moge behagen toe te wijzen, zulks tot op de dag waarop de minderjarige zijn meerderjarigheid zal hebben bereikt.
De vader heeft geen verweerschrift ingediend.
Het Gerecht in Eerste Aanleg heeft bij uitspraak van 4 februari 1999 de vordering van de moeder toegewezen.
Bij akte van 7 juni 1999 is de vader in verzet gekomen en heeft het Gerecht verzocht de bij verstek gegeven beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te beschikken conform het door de vader gedane aanbod.
Bij beschikking van 26 augustus 1999 heeft het Gerecht het verzet gegrond verklaard en de beschikking van 4 februari 1999 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vader veroordeeld om maandelijks en bij vooruitbetaling met ingang van 1 juni 1999 aan de Voogdijraad te Curaçao te betalen het bedrag van NAf 150,--, zulks ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige en de vader voorts veroordeeld om maandelijks en bij vooruitbetaling met ingang van 1 juni 1999 aan de Voogdijraad te Curaçao te betalen een bedrag van NAf 50,--, zulks totdat hij de achterstand in betalingen gedurende de periode 1 maart 1998 tot 1 juni 1999 heeft voldaan.
Tegen deze uitspraak heeft de vader hoger beroep ingesteld bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba.
Bij beschikking van 11 januari 2000 heeft het Gemeenschappelijk Hof de bestreden uitspraak vernietigd en, opnieuw rechtdoende, met ingang van 1 juni 1999 de kinderbijdrage op nihil gesteld, met dien verstande dat voorzover de vader vanaf die dag tot de dag van zijn beschikking meer heeft betaald of op hem is verhaald, de bijdrage tot de dag van zijn beschikking wordt bepaald op hetgeen door hem is betaald of op hem is verhaald en de vader veroordeeld om maandelijks en bij vooruitbetaling met ingang van 1 juni 1999 aan de Voogdijraad te Curaçao te betalen een bedrag van NAf 50,--, zulks totdat hij de achterstand in betalingen gedurende de periode 1 maart 1998 tot 1 juni 1999 heeft voldaan.
De uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het Hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vader heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal A.S. Hartkamp strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. [..] is de vader van [het kind], geboren op 13 april 1982 te [geboorteplaats]. [..] is de moeder van [het kind].
3.2 In het onderhavige geding heeft de moeder verzocht de vader te veroordelen om haar, via de Voogdijraad te Curaçao van 1 oktober 1998 af maandelijks een bedrag van NAf 350,-- aan kinderalimentatie voor [het kind] te betalen. Het Gerecht in Eerste Aanleg heeft bij beschikking, die bij verstek is gegeven, dit verzoek toegewezen. Op het verzet van de vader heeft het Gerecht in Eerste Aanleg de beschikking vernietigd, de maandelijkse bijdrage van de vader vastgesteld op NAf 150,-- en de vader veroordeeld zijn achterstand te voldoen door middel van maandelijkse afbetalingen van NAf 50,--.
3.3 Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba heeft bij beschikking van 11 januari 2000 de bestreden uitspraak vernietigd en heeft de kinderbijdrage op nihil gesteld met ingang van 1 juni 1999, met dien verstande dat voorzover de vader vanaf deze dag tot de dag van zijn beschikking meer heeft betaald of op hem is verhaald, de bijdrage tot de dag van zijn beschikking wordt bepaald op hetgeen door hem is betaald of op hem is verhaald. Het heeft voorts de vader veroordeeld om maandelijks en bij vooruitbetaling met ingang van 1 juni 1999 aan de Voogdijraad te Curaçao te betalen een bedrag van NAf 50,--, zulks totdat hij de achterstand in betalingen gedurende de periode van 1 maart 1998 tot 1 juni 1999 heeft voldaan.
Het heeft daartoe als volgt overwogen. Het is aannemelijk dat de vader naast zijn AOV-uitkering slechts zeer beperkte inkomsten heeft - mede in verband met onkosten - uit zijn vissersboot en motorrijtuig. Zijn draagkracht laat niet de betaling van een kinderbijdrage toe. Het Hof acht het niet redelijk dat hij zijn vissersboot verkoopt, mede in aanmerking genomen dat deze boot aan het kind ter beschikking staat om vis te vangen, voorzover diens schooltijden dit toelaten. De bestreden uitspraak zal derhalve worden vernietigd. Aangezien alimentatie bestemd is om van maand tot maand te worden besteed, kan van de moeder niet in redelijkheid worden gevergd dat zij tot restitutie van het tot heden teveel ontvangene overgaat. De vader dient de achterstand sedert 1 maart 1998 met een bedrag van NAf 50,-- per maand af te betalen overeenkomstig de veroordeling door het Gerecht in Eerste Aanleg, welk oordeel geen deel uitmaakt van het hoger beroep (rov. 3.2 - 3.4).
3.4 Onderdeel A bevat de klacht dat het Hof heeft miskend dat op de Nederlandse Antillen zwaar wordt getild aan de verplichting om kinderbijdrage te betalen voor een minderjarig kind. Daartoe verwijst het onderdeel naar art. 272bis en 272ter SrNA, welke bepalingen het nalaten gevolg te geven aan een onherroepelijke rechterlijke veroordeling om levensonderhoud te verschaffen ten behoeve van een minderjarig kind strafbaar stellen. De klacht faalt, aangezien de vermelde wettelijke bepalingen, die ervan uitgaan dat de rechter een verplichting tot het betalen van levensonderhoud heeft vastgesteld, niet eraan in de weg staan dat de rechter de bijdrage in het levensonderhoud van een minderjarige op nihil stelt.
3.5 In onderdeel B wordt aangevoerd dat de Voogdijraad, aan wie betaald diende te worden, moest worden gehoord voordat een oordeel werd gegeven, zeker nu het een beslissing betreft waarbij de kinderbijdrage tot nihil wordt gereduceerd. Het onderdeel is tevergeefs voorgesteld. Indien ervan moet worden uitgegaan dat tussen [de vader] en het kind geen familierechtelijke betrekkingen bestaan, volgt weliswaar uit het ook in hoger beroep toepasselijke art. 711 l RvNA in verbinding met art. 469 BWNA dat de rechter, alvorens een einduitspraak te doen, de Voogdijraad hoort, maar noch uit de tekst van eerstgenoemde bepaling noch uit haar strekking volgt dat het horen van de Voogdijraad als zo essentieel moet worden beschouwd dat niet-inachtneming van het desbetreffende voorschrift tot vernietiging moet leiden.
3.6 Onderdeel C faalt. Het Hof heeft door te overwegen als hiervoor in 3.3 weergegeven zijn oordeel, ook in het licht van de in het onderdeel aangehaalde passages uit de gedingstukken voldoende gemotiveerd. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk. Het onderdeel kan ook overigens niet tot cassatie leiden, omdat de afweging en waardering van de factoren die de draagkracht van de man bepalen, zijn voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. In cassatie kan het bestreden oordeel van het Hof verder niet op juistheid worden getoetst.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren W.H. Heemskerk, R. Herrmann, A.E.M. van der Putt-Lauwers en H.A.M. Aaftink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 22 juni 2001.
Conclusie 22‑06‑2001
Inhoudsindicatie
-
Mr. Hartkamp
nr. R00/034
parket 13 april 2001
Conclusie inzake
[De moeder]
tegen
[De vader]
Edelhoogachtbaar College,
Feiten en procesverloop
1) Verweerder in cassatie, de man, is de vader van [het kind], geboren op 13 april 1982 te [geboorteplaats]. Verzoekster tot cassatie, de vrouw, is de moeder van [het kind]. Bij verzoekschrift van 8 oktober 1998 heeft de vrouw het Gerecht in Eerste Aanleg verzocht de man te veroordelen - samengevat - om haar, via de Voogdijraad op Curaçao, vanaf 1 oktober 1998 maandelijks een bedrag van NAf 350,-- aan kinderalimentatie voor [het kind] te betalen. Bij beschikking bij verstek van 4 februari 1999 heeft het Gerecht in Eerste Aanleg dit verzoek toegewezen.
Van deze beschikking is de man in verzet gekomen. Het Gerecht in Eerste Aanleg heeft daarop bij beschikking van 26 augustus 1999 het verzet gegrond verklaard, de beschikking van 4 februari 1999 vernietigd, de maandelijkse bijdrage van de man vastgesteld op NAf 150,-, en de man veroordeeld zijn achterstand te voldoen door middel van maandelijkse afbetalingen van NAf 50,-.
Hiervan is de man in hoger beroep gekomen bij het Gemeenschappelijke Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba. Het Hof heeft het hoger beroep gegrond verklaard. Het Hof achtte aannemelijk dat de man naast zijn AOV-uitkering slechts zeer beperkte inkomsten heeft uit zijn vissersboot en motorrijtuig en oordeelde dat de draagkracht van de man betaling van een kinderbijdrage niet toelaat (r.o. 3.2). Het Hof heeft de bestreden beschikking dan ook vernietigd en de kinderbijdrage vanaf 1 juli 1999 op nihil gesteld.(1)
Van deze beschikking komt thans de vrouw in cassatie met een tijdig(2) ingediend cassatiemiddel dat uit drie onderdelen bestaat. De man is niet verschenen.
Bespreking van het cassatiemiddel
2) Onderdeel A klaagt dat het Hof met zijn bestreden beschikking het recht heeft geschonden, aangezien op de Nederlandse Antillen zwaar wordt getild aan de verplichting een kinderbijdrage te betalen voor een minderjarig kind, hetgeen blijkt uit art. 272bis en 272ter SrNA. Deze bepalingen stellen het opzettelijk of culpoos nalaten gevolg te geven aan een onherroepelijk geworden rechterlijke veroordeling om levensonderhoud te verschaffen ten behoeve van een minderjarig kind, strafbaar.
Ik meen dat deze klacht faalt. Het feit dat aan de verplichting kinderalimentatie te betalen zwaar wordt getild, neemt niet weg dat deze alimentatie moet worden vastgesteld met inachtneming van de draagkracht van de alimentatieplichtige. Dit kan er toe leiden dat de alimentatie op nihil wordt gesteld, zodat het Hof niet is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.
2) Onderdeel B klaagt dat de Voogdijraad gehoord had dienen te worden, zeker nu de kinderbijdrage is gereduceerd tot nihil. In onderdeel C (waarin de motivering van de beslissing tot nihilstelling aan de kaak wordt gesteld) wordt daar nog aan toegevoegd, dat "ware de Voogdijraad gehoord in deze zeker de Voogdijraad zowel de uitgaven als de inkomsten van [de vader] zou hebben gecontroleerd en daarover zou hebben gerapporteerd aan het hof alvorens het hof in deze een beslissing zou hebben genomen".
Deze klacht valt in twee componenten uiteen. Allereerst lees ik er een klacht in over vormverzuim in de zin van art. 99 lid 1 sub 1 RO ("verzuim van vormen voor zover de niet-inachtneming daarvan uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vorm"). Ten tweede lees ik er een motiveringsklacht in, inhoudende dat de beschikking van het Hof gebrekkig is gemotiveerd doordat het Hof geen kennis heeft kunnen nemen van het standpunt van de Voogdijraad, althans de Voogdijraad zijn standpunt niet bekend heeft kunnen maken.
4) Art. 711l RvNA luidt:
"Alvorens op een rechtsvordering, gegrond op artikel 469 van het Burgerlijk Wetboek van de Nederlandse Antillen, een einduitspraak te doen, hoort de rechter de voogdijraad, die hij daartoe in elke stand van het geding kan oproepen. De oproeping geschiedt door de griffier, en wel schriftelijk tenzij de rechter een andere wijze van oproeping beveelt."
Art. 468 lid 1 BWNA luidt:
"Tot het verstrekken van levensonderhoud zijn op grond van bloed- en aanverwantschap gehouden: a. de ouders; ..."
Art. 469 lid 1 BWNA luidt:
"Bestaan tussen een kind en zijn vader geen familierechtelijke betrekkingen, dan is die vader slechts verplicht tot het verstrekken van levensonderhoud gedurende de minderjarigheid van het kind."
Art. 711i lid 2 RvNA luidt:
"De behandeling van het hoger beroep heeft plaats op dezelfde wijze als die in eerste aanleg."
5) De tekst van art. 711l RvNA is duidelijk: bij een procedure tot verstrekking van levensonderhoud jegens een vader die (zie art. 469 lid 1 BWNA, boven geciteerd) niet tot zijn kind in een familierechtelijke betrekking staat, dient de Voogdijraad te worden gehoord, althans daartoe te worden opgeroepen. Voor andere zaken betreffende kinderalimentatie wordt deze eis kennelijk niet gesteld. Allereerst rijst derhalve de vraag of [de vader] tot zijn zoon al dan niet in familierechtelijke betrekking staat. Ik meen dat nu hieromtrent ten processe niets is vastgesteld,(3) de klachten reeds daarom tevergeefs worden voorgesteld.
6) Maar ook uitgaande van de toepasselijkheid van art. 711l, acht ik de klachten niet gegrond.
In de eerste plaats rijst de vraag of de niet-inachtneming van het voorschrift met nietigheid wordt bedreigd, d.w.z. of of het voorschrift zo essentieel is dat het op straffe van vernietiging van de uitspraak in acht moet worden genomen. Zie over dit criterium Veegens/Korthals Altes/Groen, Cassatie in burgerlijke zaken, 1989, nrs. 73 en 112 e.v. Uit het artikel blijkt dat niet. In het ontwerp voor een nieuw wetboek van rechtsvordering van de Nederlandse Antillen is de verplichting vervangen door een facultatief horen van de Voogdijraad(4). Dit pleit tegen de opvatting dat het hier om een verplichting gaat waarvan de niet-inachtneming naar huidige, op de Nederlandse Antillen levende rechtsovertuiging door nietigheid gesanctioneerd zou moeten zijn.(5)
In de tweede plaats is de Voogdijraad door de eerste rechter opgeroepen teneinde te worden gehoord. Uit het dossier blijkt dat de griffier van het GEA:
- bij brief van 23 november 1998 de Voogdijraad heeft opgeroepen aanwezig te zijn bij de uitspraak;
- bij brief van 10 februari 1999 een afschrift van de beschikking van 4 februari 1999 aan de Voogdijraad heeft gezonden;
- bij brief van 17 juni 1999 een afschrift van het verzetschrift van de man aan de Voogdijraad heeft gezonden en deze heeft opgeroepen op 12 augustus 1999 ter raadkamer te verschijnen teneinde te worden gehoord;
- bij brief van 30 augustus 1999 de Voogdijraad een afschrift van de beschikking van 26 augustus 1999 heeft gezonden.
In het middel wordt niet vermeld welke middelen de Nederlands-Antilliaanse rechter ter beschikking heeft om de Voogdijraad tot verschijning te dwingen.
Bovendien blijkt uit het dossier nog dat de alimentatiebetalingen ten behoeve van het kind aan de Voogdijraad werden gedaan en dat de vrouw in verband met de onderhavige procedure in eerste aanleg woonplaats heeft gekozen ten kantore van de Voogdijraad.
Aangenomen kan dan ook worden dat de Voogdijraad geen gevolg heeft gegeven aan de uitnodiging om te worden gehoord, omdat hij zulks niet zinvol heeft geacht, d.w.z. niet heeft verwacht dat hij daarmee het belang van de alimentatiegerechtigde c.q. de verzoekster zou kunnen dienen.
Onder deze omstandigheden kan, dunkt mij, ook indien art. 711i lid 2 RvNA zo zou moeten worden begrepen dat het mede op het voorschrift van art. 711l ziet, niet aan het Hof van Justitie worden verweten dat het de Voogdijraad niet opnieuw heeft opgeroepen.
7) Onderdeel C klaagt over de motivering van de beslissing de alimentatie op nihil te stellen. Gezien het feit dat de man in zijn verzetschrift nog heeft aangeboden NAf 150,-- per maand te betalen en daar rept over inkomsten uit de vissersboot en dat ook het hof rept over inkomsten uit de kleine vrachtauto, is dit oordeel onbegrijpelijk. De man heeft namelijk wel een overzicht van zijn lasten gegeven, doch niet van zijn inkomsten, aldus onderdeel C.
De beslissing van het hof betreft louter de draagkracht van de man. Aan zulke beslissingen stelt de Hoge Raad slechts beperkte motiveringseisen (recent bijv. HR 17 maart 2000, NJ 2000, 313). De beslissing, die mede is gebaseerd op 's hofs kennis van de lokale omstandigheden, is niet onbegrijpelijk en behoefde m.i. in het licht van de gedingstukken geen nadere motivering. De klacht faalt derhalve.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
(Advocaat-Generaal)
1 De veroordeling van de man om zijn achterstand met NAf 50,- per maand in te lopen bleef in stand, aangezien dit onderwerp geen deel uitmaakte van het hoger beroep.
2 Binnen 9 weken, zie art. 711i lid 1 RvNA jo art. 4 Cassatieregeling voor de Nederlandse Antillen en HR 15 oktober 1999, NJ 1999, 771.
3 Het dossier is hierover niet expliciet. De vrouw stelt in haar verzoekschrift slechts dat de minderjarige uit "een relatie" tussen haar en de man is geboren en dat de minderjarige bij haar inwoont en door haar wordt opgevoed en verzorgd. Het GEA stelt in zijn beschikking van 4 februari 1999 vast: "De vrouw wijst de man aan als verwekker van de minderjarige". De man laat zich in zijn verzetschrift niet uit over het al dan niet bestaan van familierechtelijke betrekkingen met zijn zoon.
4 Zie art. 810 NRvNA en de Memorie van Toelichting daarbij.
5 Zie voor het Nederlandse recht HR 8 december 1995, NJ 1996, 405 m.nt. JdB, waarin een klacht dat de Raad voor de Kinderbescherming ten onrechte niet was gehoord, afketste op het feit dat het betrokken voorschrift daartoe de bevoegdheid doch niet de verplichting gaf.