HR, 10-08-2001, nr. C00/040HR
ECLI:NL:HR:2001:AB2558
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10-08-2001
- Zaaknummer
C00/040HR
- LJN
AB2558
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2001:AB2558, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑08‑2001; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2001:AB2558
ECLI:NL:PHR:2001:AB2558, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 10‑08‑2001
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:AB2558
- Vindplaatsen
JOL 2001, 453
NJ 2001, 527
RvdW 2001, 141
JWB 2001/202
Uitspraak 10‑08‑2001
Inhoudsindicatie
-
10 augustus 2001
Eerste Kamer
Nr. C00/040HR
AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Eiser 1],
2. [Eiseres 2],
beiden wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. A.J.Th. de Bree,
t e g e n
POSTBANK SCHADEVERZEKERING N.V., gevestigd te 's-Gravenhage,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instantie
Eisers tot cassatie - verder te noemen: [eiser] c.s. - hebben bij exploit van 12 maart 1999 verweerster in cassatie - verder te noemen: de Postbank - gedagvaard voor de Kantonrechter te Amsterdam en gevorderd de Postbank te veroordelen tot betaling aan [eiser] c.s. gezamenlijk van een bedrag van ƒ 9.613,25, te vermeerderen met de wettelijke rente over ƒ 8.106,70 vanaf 5 maart 1999 tot aan de dag der algehele voldoening.
De Postbank heeft bij conclusie van antwoord een exceptie van onbevoegdheid opgeworpen alsmede de vordering bestreden.
De Kantonrechter heeft zich, na een tussenvonnis van 23 juli 1999, bij eindvonnis van 15 oktober 1999 in het incident onbevoegd verklaard en in de hoofdzaak de zaak verwezen naar de Kantonrechter te 's-Gravenhage.
Het eindvonnis van de Kantonrechter is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het eindvonnis van de Kantonrechter hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de Postbank is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] c.s. toegelicht door hun advocaat.
De conclusie van de Plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] c.s. in hun beroep.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.1 Wat betreft de feiten en het verloop van de procedure verwijst de Hoge Raad naar punt 1 van de conclusie van de Plaatsvervangend Procureur-Generaal en naar het hiervoor onder 1 overwogene.
3.2 Ingevolge art. 157b lid 4 Rv. is tegen het vonnis, houdende onbevoegdverklaring, waarbij wordt verwezen naar een rechter van gelijke rang, geen hogere voorziening toegelaten. Derhalve dienen [eiser] c.s. niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun beroep. Daaraan doet, anders dan [eiser] c.s. in cassatie betogen, niet af dat de Hoge Raad in zijn arrest van 18 juni 1993, nr. 15030, NJ 1994, 4, het cassatieberoep ontvankelijk heeft geacht tegen een vonnis waarbij de kantonrechter zich onbevoegd had verklaard, nu het in die zaak ging om het geval waarin de kantonrechter oordeelde dat hij absoluut onbevoegd was en de Hoge Raad van oordeel was dat in een zodanig geval het cassatieberoep ontvankelijk was op grond van het bepaalde in art. 100 lid 1, aanhef en onder 3°, RO.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart [eiser] c.s. niet-ontvankelijk in hun beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Postbank begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren R. Herrmann, als voorzitter, H.A.M. Aaftink en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 10 augustus 2001.
Conclusie 10‑08‑2001
Inhoudsindicatie
-
Nr. C 00/40 HR
Mr. M.R. Mok
Zitting 4 mei 2001
Conclusie inzake
1. [Eiser 1]
2. [Eiseres 2]
tegen
POSTBANK SCHADEVERZEKERING N.V.
(niet verschenen)
Edelhoogachtbaar college,
1. KORTE BESCHRIJVING VAN DE ZAAK
1.1. Eisers van cassatie, [eiser] c.s, hebben van verweerster, Postbank (Schade), uit hoofde van een reisverzekering vergoeding van door hen als gevolg van diefstal geleden schade verlangd. Postbank Schade heeft geweigerd deze schade te vergoeden.
1.2. Vervolgens hebben [eiser] c.s. Postbank Schade gedagvaard voor de kantonrechter te Amsterdam en vergoeding van de schade gevorderd. Het totale bedrag bedroeg, inclusief rente en kosten, rond f 9.163.
Postbank Schade heeft een exceptie van onbevoegdheid opgeworpen, omdat zij statutair gevestigd is te Den Haag. De door eisers geleden schade heeft zij bestreden.
1.3. Bij vonnis van 15 oktober 1999 heeft de kantonrechter overwogen dat, gelet op art. 1:10, lid 2, BW, de woonplaats van een vennootschap de plaats is waar haar zetel is gevestigd, en dat is i.c. onbestreden in Den Haag. Het filiaal te Amsterdam zou niet als woonplaats van de Postbank kunnen gelden.
De kantonrechter heeft zich daarom onbevoegd verklaard en de zaak verwezen naar de kantonrechter in Den Haag.
1.4. Tegen dit vonnis hebben [eiser] c.s. bij dagvaarding van 17 januari 2000(1) (tijdig) beroep in cassatie ingesteld. Het beroep steunt op een enkelvoudig cassatiemiddel.
2. ONTVANKELIJKHEID VAN HET CASSATIEBEROEP
2.1. Op grond van art. 157b, lid 4, Rv., is tegen een vonnis tot onbevoegdverklaring, waarbij wordt verwezen naar een rechter van gelijke rang, geen hogere voorziening toegelaten.
2.2. Het middel wijst op een arrest van de Hoge Raad(2), waaruit zou blijken, dat op grond van art.100, lid 1,aanhef en onder 3º, van de Wet RO, wel degelijk beroep in cassatie zou openstaan.
2.3. Art. 100, lid 1, aanhef en onder 3º, Wet RO houdt in dat tegen vonnissen van kantonrechters in burgerlijke zaken, beroep in cassatie in burgerlijke zaken is toegelaten wegens onbevoegdheid.
Het gaat hier om een algemene regel, waaraan m.i. de specifieke bepaling van art. 157b, lid 4, Rv. voor het specifieke geval van onbevoegdverklaring met verwijzing naar een andere kantonrechter derogeert.
2.4.1. Het in noot 2 genoemde arrest leidt niet tot een andere slotsom. In dat geval ging het om onbevoegdverklaring omdat de wet voor de procedure die daar aan de orde was (geschil over salaris advocaat) een bijzondere rechter heeft aangewezen.
De Hoge Raad heeft in dat arrest overwogen (ro. 3.4.):
"Beroep in cassatie tegen vonnissen van kantonrechters in burgerlijke zaken is blijkens art. 100 lid 1 aanhef en onder 3º en 4º Wet RO onder meer toegelaten wegens onbevoegdheid en wegens overschrijding van rechtsmacht. De strekking van deze bepalingen is partijen de mogelijkheid te geven de vragen van bevoegdheid en rechtsmacht van de kantonrechter in cassatie aan de Hoge Raad voor te leggen in geval voor partijen geen ander gewoon rechtsmiddel openstaat of heeft opengestaan. Op grond van deze bepalingen kan derhalve in cassatie niet alleen worden geklaagd over een bevoegdverklaring, maar ook over een onbevoegdverklaring door een kantonrechter."
2.4.2. M.i. zegt dit arrest niet meer dan dat men op grond van art. 100, lid 1, aanhef en onder 3º, van de Wet RO niet alleen tegen een bevoegdverklaring, maar ook tegen een onbevoegdverklaring van een kantonrechter beroep in cassatie kan instellen. Het behandelt niet de verhouding van genoemde wetsbepaling tot art. 157b, lid 4, Rv.
2.4.3. In het geval van het arrest van 1993 ging het om absolute onbevoegdheid van de kantonrechter. De desbetreffende kantonrechter had zich onbevoegd verklaard omdat het geschil z.i. op grond van art. 32 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken aan de bevoegde raad van toezicht moest worden voorgelegd.
Indien een onbevoegdheidsverklaring door de kantonrechter inhoudt dat een eiser niet bij de gewone rechter terecht kan, omdat een bijzondere rechter bevoegd zou zijn, is het een eis van rechtsbescherming dat de vraag of dit juist is door de Hoge Raad getoetst kan worden.
2.4.4. Bij relatieve onbevoegdverklaring met verwijzing naar een andere kantonrechter is de rechtsbescherming niet in het geding.
Het is moeilijk in te zien waarom eisers in hun belangen geschaad zouden worden doordat hun vordering behandeld wordt door de kantonrechter in Den Haag, de statutaire vestigingsplaats van de gedaagde, in plaats van die in Amsterdam, waar een filiaal van gedaagde is.
2.5. Ik kom tot de slotsom dat er geen grond is art. 157b, lid 4, Rv. in deze zaak niet onverkort toe te passen.
Er staat m.i. derhalve geen beroep in cassatie open, zodat eisers in het door hen ingestelde cassatieberoep niet ontvangen kunnen worden.
3. CONCLUSIE
De conclusie luidt tot niet-ontvankelijkverklaring van eisers in hun beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
plv.
(1). Een maandag.
(2). HR 18 juni 1993, NJ 1994, 4, m.nt. H.E. Ras.