JOL 2001, 597
Wet BOPZ. Voorlopige machtiging: nodige bereidheid en gevaarscriterium.
HR 02-11-2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4030
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
2 november 2001
- Magistraten
F.H.J. Mijnssen, R. Herrmann, A.E.M. van der Putt-Lauwers, A.G. Pos, P.C. Kop
- Zaaknummer
R01/101HR
- Conclusie
A-G Langemeijer
- LJN
AD4030
- Vakgebied(en)
Aanbestedingsrecht / Gunning
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Bouwrecht / Stedenbouw en welstand
Juridische beroepen / Rechter
Personen- en familierecht / Bescherming meerderjarige
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Personen- en familierecht / Kinderbescherming
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Internationaal publiekrecht / Rechtshandhaving
Fiscaal procesrecht / Beroepsfase
Privacy / Verwerking persoonsgegevens
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Staatsrecht / Rechtspraak
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2001:AD4030, Uitspraak, Hoge Raad, 02‑11‑2001
ECLI:NL:PHR:2001:AD4030, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 02‑11‑2001
Essentie
Wet BOPZ. Voorlopige machtiging: nodige bereidheid en gevaarscriterium.
Het middel faalt op de gronden uiteengezet in de conclusie van de A-G: een rechterlijke machtiging wordt vereist bij het ontbreken van de nodige bereidheid van betrokkene tot voortzetting van het verblijf op vrijwillige basis; de wetgever heeft aan de rechter een beoordelingsmarge gelaten; uitgaande van de vaststelling dat betrokkene iedere vorm van behandelinterventie weigert, kon Rechtbank oordelen dat nodige bereidheid ontbrak. Motivering Rechtbank biedt voldoende inzicht in de aard en de ernst van het gevaar dat zij bij haar beslissing voor ogen heeft gehad.
Partij(en)
[Verzoekster], te ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.