JOL 2001, 704
Ontvankelijkheid in cassatie; verplichte procesvertegewoordiging; art. 6 EVRM en art. 14 IVBPR.
HR 30-11-2001, ECLI:NL:PHR:2001:AD4497
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
30 november 2001
- Magistraten
P. Neleman, A.G. Pos, P.C. Kop;plv.
- Zaaknummer
R01/107HR
- Conclusie
plv. P-G Mok
- LJN
AD4497
- Vakgebied(en)
Internationaal strafrecht / Overdracht en overname strafvervolging
Strafprocesrecht / Rechtsmiddelen
Internationaal strafrecht / Uitlevering en overlevering
Bestuursprocesrecht / Klachtbehandeling
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Onteigeningsrecht / Voorkeursrecht
Grondzaken / Voorkeursrecht
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Pachtrecht / Pachtprocesrecht
Insolventierecht / Faillissement
Burgerlijk procesrecht (V)
Insolventierecht / Schuldsanering natuurlijke personen
Fiscaal procesrecht / Procesorde
Insolventierecht / Surseance van betaling
Burgerlijk procesrecht / Cassatie
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Bestuursprocesrecht / Beroep
- Brondocumenten
ECLI:NL:PHR:2001:AD4497, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 30‑11‑2001
ECLI:NL:HR:2001:AD4497, Uitspraak, Hoge Raad, 30‑11‑2001
Essentie
Ingevolge art. 847 lid 2 Rv. dient een verzoekschrift waarbij een vordering uit hoofde van rechtsweigering wordt ingesteld, te zijn ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad ingeval het is gericht tot de Hoge Raad. De wet bevat geen uitzondering op het vereiste van verplichte procesvertegenwoordiging; zodanige grond kan evenmin worden gevonden in art. 6 EVRM of art. 14 IVBPR, ook niet in het licht van de door verzoeker aangevoerde omstandigheid dat hij niet erin is geslaagd een procureur bereid ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.