HR, 28-06-2002, nr. R00/102HR
ECLI:NL:PHR:2002:AD8189
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
28-06-2002
- Zaaknummer
R00/102HR
- LJN
AD8189
- Roepnaam
Sonesta/Ennia Caribe
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Verzekeringsrecht (V)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2002:AD8189, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 28‑06‑2002; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2002:AD8189
ECLI:NL:PHR:2002:AD8189, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 28‑06‑2002
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AD8189
- Wetingang
art. 263 Wetboek van Koophandel
art. 263 Wetboek van Koophandel
- Vindplaatsen
NJ 2002, 609 met annotatie van M.M. Mendel
AV&S 2003, p. 60 met annotatie van T.J. Dorhout Mees
NJ 2002, 609 met annotatie van M.M. Mendel
AV&S 2003, p. 60 met annotatie van T.J. Dorhout Mees
Uitspraak 28‑06‑2002
Inhoudsindicatie
-
28 juni 2002
Eerste Kamer
Nr. R00/102HR
AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
de vennootschap naar vreemd recht SONESTA HOTELS OF ANGUILLA LTD., gevestigd op Anguilla, Brits West Indië,
EISERES tot cassatie,
advocaat:voorheen mr. S.V. Langeveld,
thans mr. G.C. Makkink,
t e g e n
ENNIA CARIBE SCHADE N.V., gevestigd op Curaçao, Nederlandse Antillen,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. H.A. Groen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 7 januari 1997 gedateerd verzoekschrift heeft eiseres tot cassatie - verder te noemen: Sonesta - zich gewend tot het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, en - na wijziging van eis - gevorderd voor recht te verklaren:
- dat verweerster in cassatie - verder te noemen: Ennia - aan zowel Casablanca als Sonesta dekking moet verlenen en alle bedrijfsschade onder limieten en voor de waarden van de polis aan hen moet vergoeden;
- dat de uitkering over de periode 5 september 1995 tot en met 30 september 1995 wordt gestort op een escrow-rekening als niet vastgesteld kan worden dat Casablanca/Sonesta de enige gerechtigden zijn;
- dat Ennia alle directe en indirecte bedrijfsschade dient te vergoeden waaronder ook schade als gevolg van minder toeristenaanbod, dit onder limieten en voorwaarden van de polis.
Ennia heeft de vorderingen gemotiveerd bestreden.
Na een tussenvonnis van 14 september 1998 heeft het Gerecht in Eerste Aanleg bij eindvonnis van 19 april 1999 voor recht verklaard dat Ennia ingevolge de bedrijfsschadeverzekering in kwestie dekking moet verlenen aan Casablanca tot de datum van overdracht (te betalen aan Sonesta voor zover aan Sonesta gecedeerd) en aan Sonesta vanaf de datum van overdracht; voorts heeft het Gerecht voor recht verklaard dat voor zover niet vaststaat aan wie over de periode 5 - 30 september 1995 uitgekeerd moet worden de uitkering op een escrow-rekening wordt gestort ten name van Casablanca/Sonesta en FDR, en het meer of anders gevorderde afgewezen.
Tegen beide vonnissen heeft Ennia hoger beroep ingesteld bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba. Sonesta heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij vonnis van 2 mei 2000 heeft het Hof op het principaal appel het tussenvonnis van 14 september 1998, waarvan beroep, bevestigd, het bestreden eindvonnis van 19 april 1999 vernietigd en in zoverre opnieuw rechtdoende voor recht verklaard dat Sonesta jegens Ennia een vorderingsrecht heeft ter zake van de in artikel 1.1 van de verzekeringsvoorwaarden bedoelde bedrijfsschade van Casablanca over een periode van maximaal 13 weken, aanvangende op 6 september 1995, en het meer of anders gevorderde afgewezen. In het incidenteel appel heeft het Hof het beroep verworpen wegens gebrek aan belang.
Het vonnis van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van het Hof heeft Sonesta beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Ennia heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot terugwijzing van de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof ter verdere behandeling en beslissing.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:
(i) Ennia heeft, als verzekeraar, op 28 februari 1994 een verzekeringsovereenkomst gesloten met Casablanca Resorts Anguilla Ltd. (hierna: Casablanca), als verzekerde, met betrekking tot het aan Casablanca in eigendom toebehorende hotel/resort te Anguilla. De verzekering gaf onder meer dekking voor bedrijfsschade gedurende maximaal 104 weken en tot een maximum bedrag van US$ 5.5 miljoen.
(ii) De op deze bedrijfsschadeverzekering van toepassing zijnde algemene voorwaarden houden onder meer in:
"1. Extent of cover:
1.1. This insurance covers net profit and all standing charges if the business hereinbefore described in this policy is brought wholly or partly to a standstill or is interrupted as a consequence of material damage to and/or destruction of the buildings and/or contents of the buildings and annexes and/or objects located on this site (all being the property of the insured and/or of the insured and/or of third parties), caused by one or more of the perils mentioned in art. 2.1 to 2.11 incl. or in consequences of the occurrence of one or more of the perils mentioned in art. 2.12 and 2.13.
(...).
5. Period of indemnity
(...).
5.3. Regardless of the expiry date of this policy, the period of indemnity shall be limited to the number of succesive weeks mentioned in this policy. If, after the occurrence, however, the insured's business is permanently discontinued or liquidated or if, within 8 weeks after the occurrence, no efforts have been made to restore the business to its capacity prior to the occurrence, the period of indemnity shall be reduced to 13 weeks (...).
(...).
23. Transfer of interest
23.1. In case of transfer of the insured interest the following provisions apply:
23.1.1. In case of transfer by contract the insurance wil continue in favour of the new interested party for the time of 1 month from the date the risk had been transferred in accordance with the said contract. The insurance will continue also beyond the said period provided the new interested party, within 8 days from the date of the transfer of the risk, has given advice of same in writing to the insurers and provided the insurers did not, within a fortnight after the said advice, inform the new acquirer by means of a registered letter or by legal writ that they do not wish to continue the insurance."
(iii) Op 5 en 6 september 1995 werd Anguilla getroffen door de orkaan Luis. Ten gevolge hiervan is het hotel/resort beschadigd. Een orkaan is een "peril" in de zin van art. 1 van de verzekeringsvoorwaarden. De exploitatie van het hotel/resort, die door de orkaan was komen stil te liggen, is op 18 januari 1996 weer hervat.
(iv) Nadat Casablanca en Sonesta op 25 augustus 1995 een "letter of intent" hadden ondertekend, heeft Casablanca op 10 november 1995 het hotel/resort voor de daarin genoemde koopprijs van US$ 10 miljoen aan Sonesta verkocht. De overdracht vond op 28 november 1995 plaats.
(v) Casablanca heeft haar aanspraken/rechten op schadepenningen op grond van de bedrijfsschadeverzekering ter zake van schade als gevolg van de orkaan Luis op 28 november 1995 en 21 maart 1996 aan Sonesta gecedeerd. Ennia heeft beide cessies erkend.
3.2 Ennia heeft de hiervoor onder 1 weergegeven vordering, strekkende tot vergoeding aan Casablanca en Sonesta van de tengevolge van de orkaan geleden bedrijfsschade, bestreden met onder meer een beroep op art. 5.3 van de verzekeringsvoorwaarden. Ennia stelt zich daarbij op het standpunt dat de overdracht van het hotel/resort op 28 november 1995 door Casablanca aan Sonesta meebrengt dat "the insured's business is permanently discontinued" in de zin van die bepaling zodat "the period of indemnity" slechts dertien weken omvat.
3.3 Het Gerecht heeft dit verweer verworpen op de grond dat, beoordeeld naar de wettelijke maatstaf in verzekeringsovereenkomsten, de overdracht niet gelijk gesteld kan worden met het staken van de onderneming, aangezien de wet aan die overdracht de voortzetting van de verzekering ten behoeve van de verkrijger verbindt, en dat de verzekeringsovereenkomst daar in artikel 23 van de verzekeringsvoorwaarden bij aanknoopt.
3.4 Het Hof achtte het door Ennia gevoerde verweer gegrond. Daartoe overwoog het:
"4.4.1. De eerste vraag die zal worden beantwoord is gedurende welke periode op grond van de onderhavige verzekeringsovereenkomst jegens Ennia aanspraak kan worden gemaakt op de geleden bedrijfsschade.
4.4.2. Casablanca is in de onderhavige verzekeringsovereenkomst (een van ) de verzekerden. Er is geen verzekering ten behoeve van een derde gesloten. Blijkens artikel 1.1 van de verzekeringsvoorwaarden in verbinding met pagina 1 van het polisblad voorziet de verzekering in de dekking van het risico van winstderving en van de uitgaven van vaste lasten indien de onderneming van de verzekerde geheel of gedeeltelijk tot stilstand wordt gebracht. Gelet hierop moet artikel 5.3 van de verzekeringsvoorwaarden aldus worden uitgelegd dat sprake is van "permanently discontinue" van "the insured's business" als het hotel/resort door de verzekerde (lees: Casablanca) niet blijvend wordt voortgezet. De uitleg van Sonesta dat onder de "insured's business" moet worden verstaan het hotel/resort, ongeacht wie het hotel exploiteert wordt verworpen. Aanvaarding van deze uitleg zou in strijd zijn met het beginsel dat een verzekering, behoudens wanneer het tegendeel wordt overeengekomen, uitsluitend strekt ter dekking van het belang van de verzekerde. Bovendien zou de uitleg van Sonesta betekenen dat de verzekeraar niet de vrijheid zou hebben te beslissen om een verzekerde die hem niet aanstaat niet of (zoals in casu) niet langer te accepteren. Dit is met name van belang in een geval als het onderhavige waarbij de omvang van de verzekerde schade c.q. het door de verzekeraar te dekken risico in belangrijke mate afhankelijk is van de wijze waarop het hotel/resort door de verzekerde wordt geëxploiteerd. Gelet op het bepaalde in artikel 23.1.1 van de verzekeringsvoorwaarden heeft de verzekeraar van zijn bevoegdheid tot weigering van een opvolgend eigenaar van het hotel/resort als verzekerde geen afstand gedaan, nu dit artikel de verzekeraar de mogelijkheid biedt om de verzekering met die opvolger niet voort te zetten.
4.4.3. Gelet op het vorenstaande kan op grond van de onderhavige verzekeringsovereenkomst jegens Ennia slechts gedurende maximaal de in artikel 5.3 van de verzekeringsvoorwaarden genoemde termijn van 13 weken aanspraak worden gemaakt op vergoeding van de in artikel 1.1 van die voorwaarden bedoelde bedrijfsschade."
3.5 Bij de beoordeling van het cassatiemiddel moet het volgende tot uitgangspunt worden genomen. Het door de onderhavige bedrijfsschadeverzekering verzekerde belang is het belang dat de verzekerde heeft bij een ongestoorde bedrijfsuitoefening. Naar haar aard biedt een dergelijke verzekering - in het algemeen gedurende een bepaalde periode en tot een bepaald maximum - dekking voor verlies aan bedrijfsinkomsten in het geval de exploitatie geheel of ten dele onmogelijk is geworden als gevolg van beschadiging van in de verzekeringsvoorwaarden omschreven zaken waarin en waarmee het bedrijf wordt uitgeoefend, indien deze schade is veroorzaakt door een of meer van de in die voorwaarden vermelde gebeurtenissen. Een verzekerde die het verzekerde bedrijf overdraagt aan een derde zal daardoor in het algemeen het verzekerde belang verliezen, terwijl de nieuwe gerechtigde de belanghebbende wordt. In beginsel is een bedrijfsschadeverzekering niet een verzekering van een of meer zaken, zodat een verzekerd voorwerp ontbreekt. Dit betekent dat art. 330 lid 1 WvK NA - evenals art. 263 K - in de regel op dergelijke verzekeringen niet van toepassing is, nu deze bepaling slechts een regeling geeft voor het geval voorwerpen (zaken) verzekerd zijn en deze worden verkocht of in eigendom overgaan. Dit is alleen anders in gevallen waarin bij dezelfde overeenkomst waarbij een overeenkomst tot verzekering van voorwerpen (zaken) wordt gesloten, een overeenkomst tot verzekering van bedrijfsschade als bijkomstige verzekering tot stand komt, hetgeen zich met name zal voordoen indien bij een verzekeringsovereenkomst niet alleen de zaken waarin en waarmee het bedrijf wordt uitgeoefend zijn verzekerd tegen beschadiging door bepaalde gebeurtenissen, maar ook dekking wordt verleend tegen bedrijfsschade tengevolge van het door die beschadiging tijdelijk onmogelijk worden van de bedrijfsuitoefening. Aan de hand van de desbetreffende verzekeringsovereenkomst moet worden vastgesteld welke belangen verzekerd zijn en kan de vraag beantwoord worden of de regeling van art. 330 lid 1 daarop van toepassing is. Het Hof heeft slechts vastgesteld dat de onderhavige verzekeringsovereenkomst onder meer bestaat uit een bedrijfsschadeverzekering, terwijl partijen dit punt niet in hun debat hebben betrokken. In cassatie moet dan ook ervan worden uitgegaan dat art. 330 lid 1 niet van toepassing is. Art. 23.1 van de verzekeringsvoorwaarden bevat echter een regeling voor de gevolgen van "transfer of the insured interest".
3.6.1 De onderdelen 2.3 en 2.4 richten zich tegen de hiervoor in 3.4 weergegeven overwegingen van het Hof met de klacht, kort samengevat, dat het Hof een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan de verzekeringsvoorwaarden, in het bijzonder de artikelen 5.3 en 23.1.1.
3.6.2 Het Hof heeft bij zijn uitleg van de verzekeringsvoorwaarden kennelijk tot uitgangspunt genomen het beginsel dat een verzekering, behoudens wanneer het tegendeel wordt overeengekomen, uitsluitend strekt tot dekking van het belang van de verzekerde, zodat in dit geval moet worden aangenomen dat alleen verzekerd is het belang dat Casablanca heeft bij het uitblijven van het risico van winstderving en van de uitgaven van vaste lasten indien haar onderneming geheel tot stilstand wordt gebracht, kort gezegd het belang van Casablanca bij een ongestoorde bedrijfsuitoefening. Blijkens hetgeen hiervóór in
3.5 is overwogen, is dit uitgangspunt juist en moet voorts worden aangenomen dat Casablanca met de overdracht van de verzekerde bedrijfsuitoefening aan een derde (Sonesta) het verzekerd belang heeft verloren. Tegen deze achtergrond is niet onbegrijpelijk dat het Hof heeft geoordeeld dat art. 5.3 van de verzekeringsvoorwaarden niet, zoals Sonesta had bepleit, aldus moet worden uitgelegd dat ingevolge die bepaling de verzekering dekking biedt tegen ongestoorde bedrijfsuitoefening, ongeacht wie het hotel/resort exploiteert. Daarbij heeft het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk art. 5.3 gelezen als een regeling omtrent de "period of indemnity" met het oog op de aan de verzekerde Casablanca te vergoeden schade en niet als een regeling omtrent de gevolgen van de overdracht van het bedrijf voor de aanspraken van de opvolgende exploitant.
Bij het hiervoor vermelde uitgangspunt (dat, behoudens wanneer het tegendeel is overeengekomen, slechts het belang van de verzekerde is verzekerd) is evenmin onbegrijpelijk dat het Hof heeft geoordeeld dat voor het antwoord op de vraag gedurende welke periode jegens Ennia aanspraak kan worden gemaakt op de geleden bedrijfsschade (zie rov. 4.4.1) aan art. 5.3 van de verzekeringsvoorwaarden deze betekenis toekomt dat de in de verzekeringsvoorwaarden voorziene korte uitkeringsperiode van (in beginsel) dertien weken, en niet de lange uitkeringsperiode van maximaal 104 weken van toepassing is, omdat de overdracht van het bedrijf het geval oplevert dat "the insured's business is permanently discontinued" in de zin van art. 5.3.
3.6.3 Het bepaalde in art. 330 lid 1 WvK NA en in art. 23.1 van de verzekeringsvoorwaarden maakt deze uitleg van art. 5.3 niet onbegrijpelijk. Zoals hiervóór in 3.5 is overwogen, komt aan art. 330 lid 1 in het onderhavige geval geen betekenis toe. Art. 23.1 van de verzekeringsvoorwaarden moet, naar het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld, aldus worden uitgelegd dat dit artikellid meebrengt dat Ennia aan Sonesta, die na de overdracht van het bedrijf ingevolge art. 23.1 als nieuwe verzekerde moet worden beschouwd, dekking dient te verlenen voor door deze geleden bedrijfsschade indien een schadeveroorzakende gebeurtenis zich mocht voordoen in de periode gedurende welke de verzekering na die overdracht met Sonesta wordt voortgezet. Dat is derhalve een andere situatie dan zich hier voordoet, namelijk het geval waarin de schadeveroorzakende gebeurtenis zich vóór die overdracht heeft voorgedaan en waarin Sonesta, naar het Hof kennelijk heeft aangenomen, slechts ingevolge cessie aanspraak kon maken op de aan de oorspronkelijk verzekerde Casablanca toekomende uitkering.
3.7 Onderdeel 5, dat zich richt tegen rov. 4.5 tot en met 4.7 waarin het Hof een aantal stellingen van Sonesta beoordeelt en afwijst, tegen rov. 4.8 waarin het Hof aangeeft tot welke beslissingen de voorafgaande overwegingen leiden en tegen rov. 4.9.2 en 4.9.3 waarin het Hof oordeelt dat Sonesta geen belang heeft bij haar incidentele grieven, neemt als uitgangspunt de door Sonesta verdedigde, doch door het Hof niet aanvaarde uitleg van de verzekeringsvoorwaarden op grond waarvan Ennia gehouden zou zijn tot vergoeding van de geleden bedrijfsschade over een langere periode dan dertien weken. Uit het hiervoor onder 3.6 overwogene volgt dat dit uitgangspunt onjuist is, zodat dit onderdeel faalt.
3.8 De onderdelen 1 en 2 richten zich eveneens tegen het in rov. 4.9.2 en 4.9.3 vervatte oordeel van het Hof dat Sonesta geen belang heeft bij haar incidentele grieven die betrekking hebben op (de omvang van) na de periode van dertien weken voorgevallen bedrijfsschade. Ook deze onderdelen falen nu dit oordeel berust op en voortvloeit uit 's Hofs, door Sonesta blijkens het hiervoor onder 3.6 overwogene tevergeefs bestreden, uitleg van de verzekeringsvoorwaarden. Anders dan onderdeel 1 betoogt kan Sonesta, zoals reeds volgt uit het hiervoor onder 3.5 overwogene, ter ondersteuning van haar standpunt geen beroep doen op het in art. 330 lid 1 WvK NA bepaalde.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt Sonesta in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Ennia begroot op € 286,88 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.G. van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, A.G. Pos, D.H. Beukenhorst en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 28 juni 2002.
Conclusie 28‑06‑2002
Inhoudsindicatie
-
Rek.nr. R00/102HR (NA)
Mr L. Strikwerda
Zt. 11 jan. 2002
conclusie inzake
Sonesta Hotels of Anguilla Ltd.
tegen
Ennia Caribe Schade N.V.
Edelhoogachtbaar college,
1. Het gaat in deze zaak om de uitleg van een verzekeringsovereenkomst met betrekking tot een hotel/resort. De verzekering biedt onder meer dekking voor bedrijfsschade. Het hotel/resort is door de verzekeringsnemer verkocht en geleverd aan een derde. Partijen houdt verdeeld of en in hoeverre de verzekeraar onder de polis jegens de nieuwe eigenaar gehouden is tot uitkering van bedrijfsschade die gedeeltelijk vóór en gedeeltelijk na de eigendomsoverdracht is geleden.
2. Voor zover thans in cassatie nog van belang, liggen de feiten als volgt (zie r.o. 4.1 van het bestreden vonnis).
(i) Thans verweerster in cassatie, hierna: Ennia, heeft als verzekeraar op 28 februari 1994 een verzekeringsovereenkomst gesloten met Casablanca Resorts Anguilla Ltd, hierna: Casablanca, als verzekerde. De verzekering betrof een aan Casablanca in eigendom toebehorend hotel/resort te Anguilla.
(ii) De verzekering bestond onder meer uit een bedrijfsschadeverzekering. Blijkens de polis gaf die verzekering dekking voor bedrijfsschade gedurende maximaal 104 weken en tot een maximumbedrag van US$ 5,5 miljoen.
(iii) De algemene verzekeringsvoorwaarden die op de bedrijfsschadeverzekering van toepassing zijn houden onder meer het volgende in:
"1. Extent of cover
1.1. This insurance covers net profit and all standing charges if the business hereinbefore described in this policy is brought wholly or partly to a standstill or is interrupted as a consequence of material damage to and/or destruction of the buildings and/or contents of the buildings and annexes and/or objects located on this site (all being the property of the insured and/or of third parties), caused by one or more of the perils mentioned in art. 2.1 to 2.11 incl. or in consequences of the occurence of one or more of the perils mentioned in art. 2.12 and 2.13.
(...).
5. Period of indemnity
(...).
5.3. Regardless of the expiry date of this policy, the period of indemnity shall be limited to the number of succesive weeks mentioned in this policy. If, after the occurrence, however, the insured's business is permanently discontinued or liquidated or if, within 8 weeks after the occurence, no efforts have been made to restore the business to its capacity prior to the occurence, the period of indemnity shall be reduced to 13 weeks (...).
(...).
23. Transfer of interest
23.1. In case of transfer of the insured interest the following provisions apply:
23.1.1. In case of transfer by contract the insurance will continue in favour of the new interested party for the time of 1 month from the date the risk had been transferred in accordance with the said contract. The insurance will continue also beyond the said period provided the new interested party, within 8 days from the date of the transfer of the risk, has given advice of same in writing to the insurers and provided the insurers did not, within a fortnight after the said advice, inform the new acquirer by means of a registered letter or bij legal writ that they do not wish to continue the insurance."
(...).
(iv) Op 5 en 6 september 1995 werd Anguilla getroffen door de orkaan Luis. Ten gevolge hiervan heeft het hotel/resort schade geleden. Een orkaan is een "peril" in de zin van art. 1 van de verzekeringsvoorwaarden.
(v) Op 10 november 1995 heeft Casablanca het hotel/resort verkocht aan thans verzoekster van cassatie, hierna: Sonesta. Over de koopprijs van US$ 10 miljoen was reeds in augustus 1995 overeenstemming bereikt. De overdracht vond plaats op 28 november 1995.
(vi) In november 1995 heeft Casablanca aan Sonesta verkocht de rechten/aanspraken van Casablanca op schadepenningen op grond van de bedrijfsschadeverzekering ter zake van schade als gevolg van de orkaan Luis voor zover betrekking hebbend op de periode vanaf 1 maart 1996. De overdracht van deze rechten heeft bij akte van cessie van 28 november 1995 plaatsgevonden. Bij brief d.d. 6 december 1995 is de cessie aan Ennia medegedeeld, die deze vervolgens op 8 december 1995 heeft erkend.
(vii) In maart 1996 heeft Casablanca aan Sonesta verkocht alle rechten uit de bedrijfsschadepolis, voorzover betrekking hebbend op de periode vanaf 5 september 1995 tot eind februari 1996. De overdracht van deze rechten heeft bij akte van cessie van 21 maart 1996 plaatsgevonden. Bij brief d.d. 12 april 1996 is de cessie ter kennis van Ennia gebracht. Ennia heeft de cessie bij faxbericht van 8 mei 1996 erkend.
(viii) De exploitatie van het hotel/resort, die door de orkaan was komen stil te liggen, is op 18 januari 1996 hervat.
3. Sonesta heeft bij inleidend verzoekschrift d.d. 7 januari 1997 Ennia in rechte betrokken voor het Gerecht in Eerste Aanleg, zittingsplaats Curaçao. Voor zover thans nog van belang vorderde Sonesta, na wijziging van eis, dat Ennia aan zowel Casablanca als Sonesta dekking moet verlenen en alle bedrijfsschade onder de limieten en voorwaarden van de polis aan hen moet vergoeden.
4. Ennia heeft de vordering weersproken en heeft zich onder meer beroepen op art. 5.3 van de polisvoorwaarden. Zij stelt zich op het standpunt dat, doordat Casablanca het hotel op 28 november 1995 heeft overgedragen aan Sonesta, zich het geval voordoet dat "the insured's business is permanently discontinued", zodat "the period of indemnity" ingevolge genoemd art. 5.3 is beperkt tot 13 weken.
5. In zijn vonnis d.d. 19 april 1999 heeft het GEA het verweer van Ennia verworpen en voor recht verklaard
"dat Ennia ingevolge de bedrijfsschadeverzekering in kwestie dekking moet verlenen aan Casablanca tot de datum van overdracht (te betalen aan Sonesta voor zover aan Sonesta gecedeerd) en daarna aan Sonesta vanaf de datum van overdracht."
Daartoe overwoog het GEA, kort weergegeven, het volgende. De overdracht kan niet gelijkgesteld worden met het staken van de onderneming, aangezien de wet aan die overdracht de voortzetting van de verzekering ten behoeve van de verkrijger verbindt. De verzekeringsovereenkomst knoopt daar in artikel 23 bij aan (r.o. 5.1). De aanspraak op vergoeding zet zich, van dag tot dag zolang de gedekte schade voortduurt, voort over de termijn die de polis stelt (r.o. 6.1). De voortzetting strekt vanaf de datum van overdracht ten behoeve van de rechtsopvolgster, Sonesta, want vanaf die dag gaat het om háár bedrijf, dus haar belang (r.o. 6.3). Dit brengt mee dat die aanspraak vanaf de datum van overdracht niet meer toekwam aan Casablanca en dus, voor zover zij de periode na de overdracht betreft, niet gecedeerd kon worden aan Sonesta; Sonesta heeft over de periode vanaf die dag een eigen aanspraak (r.o. 6.4). Waar de overeenkomst niet is voortgezet op de wijze voorzien in art. 23 van de verzekeringsvoorwaarden, is de verzekeringsovereenkomst volgens de regeling van dat artikel een maand na de overdracht geëindigd (r.o. 7.1 t/m 7.3). Beëindiging van een verzekeringsovereenkomst beëindigt echter niet een reeds ontstane dekkingsplicht (r.o. 7.4). De conclusie is derhalve dat Ennia onder de tijdslimiet en overige voorwaarden van de polis tot de datum van overdracht aan Casablanca en na de datum van overdracht aan Sonesta moet uitkeren (r.o. 7.5).
6. Ennia is van het vonnis van het GEA in hoger beroep gegaan bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba. Sonesta tekende incidenteel hoger beroep aan.
7. Ennia had succes. Bij vonnis d.d. 2 mei 2000 heeft het Gemeenschappelijk Hof het vonnis van het GEA op het principaal appèl vernietigd en, opnieuw recht doende, voor recht verklaard
"dat Sonesta jegens Ennia een vorderingsrecht heeft ter zake van de in artikel 1.1 van de verzekeringsvoorwaarden bedoelde bedrijfsschade van Casablanca over een periode van maximaal 13 weken, aanvangende op 6 september 1995",
onder afwijzing van het meer of anders gevorderde. Het Hof was, met Ennia, van oordeel dat op grond van de onderhavige verzekeringsovereenkomst jegens Ennia slechts gedurende maximaal de in art. 5.3 van de verzekeringsvoorwaarden genoemde termijn van 13 weken aanspraak kan worden gemaakt op vergoeding van de in art. 1.1 van die voorwaarden bedoelde bedrijfsschade. Daartoe overwoog het Hof (r.o. 4.4.2):
"Blijkens artikel 1.1 van de verzekeringsvoorwaarden in verbinding met pagina 1 van het polisblad voorziet de verzekering in de dekking van het risico van winstderving en van de uitgaven van vaste lasten indien de onderneming van de verzekerde geheel of gedeeltelijk tot stilstand wordt gebracht. Gelet hierop moet artikel 5.3 van de verzekeringsvoorwaarden aldus worden uitgelegd dat sprake is van "permanently discontinue" van "the insured's business" als het hotel/resort door de verzekerde (lees: Casablanca) niet blijvend wordt voortgezet. De uitleg van Sonesta dat onder de "insured's business" moet worden verstaan het hotel/resort, ongeacht wie de eigenaar van het hotel/resort is en ongeacht wie het hotel exploiteert wordt verworpen. Aanvaarding van deze uitleg zou in strijd zijn met het beginsel dat een verzekering, behoudens wanneer het tegendeel wordt overeengekomen, uitsluitend strekt ter dekking van het belang van de verzekerde. Bovendien zou de uitleg van Sonesta betekenen dat de verzekeraar niet de vrijheid zou hebben te beslissen om een verzekerde die hem niet aanstaat niet of (zoals in casu) niet langer te accepteren. Dit is met name van belang in een geval als het onderhavige waarbij de omvang van de verzekerde schade c.q. het door de verzekeraar te dekken risico in belangrijke mate afhankelijk is van de wijze waarop het hotel/resort door de verzekerde wordt geëxploiteerd.
Gelet op het bepaalde in artikel 23.1.1 van de verzekeringsvoorwaarden heeft de verzekeraar van zijn bevoegdheid tot weigering van een opvolgend eigenaar van het hotel/resort als verzekerde geen afstand gedaan, nu dit artikel de verzekeraar de mogelijkheid biedt om de verzekering met die opvolger niet voort te zetten."
Voorts overwoog het Hof dat Casablanca niet meer rechten dan zij zelf heeft aan Sonesta kan cederen, zodat de cessies die betrekking hebben op aanspraken op verzekeringspenningen over de periode na de overdracht, rechtskracht missen (r.o. 4.5).
In het incidenteel appèl verwierp het Hof de grieven van Sonesta wegens gebrek aan belang (r.o. 4.9.2 en 4.9.3).
8. Sonesta is tegen het vonnis van het Hof (tijdig) in cassatie gekomen met een uit vijf onderdelen opgebouwd middel. Ennia heeft een verweerschrift in cassatie ingediend en daarbij de Hoge Raad verzocht het cassatieberoep te verwerpen.
9. De onderdelen 1 en 2 van het middel bestrijden de verwerping door het Hof van de in het incidenteel appèl door Sonesta aangevoerde grieven, terwijl de onderdelen 3, 4 en 5 betrekking hebben op het oordeel van het Hof dat de periode waarover Ennia gehouden is tot uitkering maximaal 13 weken bedraagt.
10. Ik bespreek eerst de onderdelen 3 t/m 5. Centraal in deze onderdelen staat de klacht dat door het Hof gegeven uitleg aan art. 5.3 en 23.1.1 van de polisvoorwaarden, mede gezien de bepaling van art. 330 lid 1 WvK NA, onbegrijpelijk is.
11. Bij de beoordeling van deze klacht dient het volgende vooropgesteld te worden. Art. 330 lid 1 WvK NA, dat gelijkluidend is aan art. 263 lid 1 (oud) van het Nederlandse WvK, bepaalt het volgende:
"Bij verkoop en andere eigendomsovergang van verzekerde voorwerpen loopt de verzekering ten voordele van de koper of nieuwe eigenaar, zelfs zonder overdracht, voor zover schaden betreft, opgekomen nadat het voorwerp ten bate of schade van de koper of nieuwe verkrijger is gekomen, alles tenzij het tegendeel tussen de verzekeraar en de oorspronkelijke verzekerde ware bedongen."
Naar aanleiding van de invoering van het huidige Nederlandse BW is de redactie van art. 263 (oud) WvK gewijzigd. Daarmee werd geen inhoudelijke wijziging beoogd. In het toekomstige verzekeringsrecht wordt deze materie geregeld in art. 7.17.2.5 NBW. Belangrijkste wijziging is dat, anders dan onder het huidige recht, de looptijd van de verzekering ten behoeve van de nieuwe rechthebbende niet onbeperkt is; de verzekering blijft slechts gedurende één maand doorlopen. Zie hierover F. Stadermann, in: Het nieuwe verzekeringsrecht, een eerste verkenning van 7.17 NBW (2000), blz. 107-109; T.J. Dorhout Mees, Nederlands handels- en faillissementsrecht III*, het nieuwe verzekeringsrecht (1987), blz. 60-62.
12. De regel van art. 330 WvK NA wordt veelal samengevat als "verzekering volgt belang". Blijkens HR 13 februari 1930, NJ 1930, blz. 415 nt. EMM wordt hiermee bedoeld dat
"bij den daarbedoelde overgang van het risico, de overeenkomst van verzekering ten opzichte van den oorspronkelijke een einde neemt en de daaruit voortspruitende rechten en verplichtingen in vollen omvang op den kooper of nieuwe verkrijger overgaan."
Het probleem dat de verzekeraar aldus een onbekende en wellicht ongewenste nieuwe verzekerde krijgt opgedrongen, wordt ondervangen doordat de wettelijke regeling van aanvullend recht is. Of in de woorden van de Hoge Raad in zijn zojuist geciteerde arrest:
"dat, zeker, dusdoende de verzekeraar zijnen medecontractant verliest, en, onafhankelijk van zijnen wil, een ander in diens plaats gesteld ziet, maar de wettelijke regeling geldt tenzij het tegendeel tusschen den verzekeraar en den oorspronkelijke verzekerde is overeengekomen, zoodat de wet zelve het middel aangeeft, om een mogelijk ongewenscht gevolg van haar stelsel te ontgaan."
Zie ook HR 9 maart 1956, NJ 1959, 135.
13. Het in art. 330 lid 1 WvK NA uitgedrukte beginsel brengt mee dat de aanspraak jegens de verzekeraar op vergoeding van schade ontstaan door een schade-evenement dat heeft plaatsgevonden na de eigendomsovergang van het verzekerde voorwerp toekomt aan de nieuwe eigenaar van de zaak. Is de schade gevallen voordat het verzekerde voorwerp in eigendom is overgegaan, dan blijft aanspraak op schadevergoeding van de oorspronkelijk verzekerde heeft, bij deze berusten. De aanspraak kan slechts door middel van cessie worden overgedragen aan de nieuwe eigenaar. Vgl. T.J. Dorhout Mees, Schadeverzekeringsrecht, 1967, blz. 142/143; Asser-Clausing 5-VI (1998), nr. 213.
14. Bij een bedrijfsschadeverzekering als de onderhavige vallen gevaarsobject, d.w.z. de lichamelijke zaak waaraan de ramp zich zou kunnen voltrekken ("the buildings and/or contents of the buildings and annexes and/or the objects located on the site"), en het voorwerp der verzekering, d.w.z. het verzekerde belang ("loss of net profits and all standing charges"), niet samen. Dat sluit de toepasselijkheid van de bepaling van art. 330 lid 1 WvK NA m.i. niet uit. De verzekering waarop de bepaling ziet betreft verzekering van een belang dat is verbonden aan een bepaalde zaak. Bij een bedrijfsschadeverzekering als de onderhavige is het verzekerde belang (verlies aan bedrijfsinkomsten) verbonden aan een bepaalde zaak (het hotel/resort met aanhorigheden). De bepaling van art. 330 lid 1 WvK NA is hier dus, behoudens uitsluiting of afwijking in de polisvoorwaarden, van toepassing. Vgl. P.L. Wery, Hoofdzaken verzekeringsrecht, 8e dr. 1995, blz. 36.
15. De eigendomsovergang van het hotel/resort van Casablanca naar Sonesta vond plaats nadat de orkaan Luis de exploitatie van het hotel had stilgelegd. Brengt dit, afgezien van eventuele afwijkingen in de polisvoorwaarden, mee dat, nu het schade-evenement heeft plaatsgevonden vóór de eigendomsovergang, de aanspraak op vergoeding van de schade uitsluitend toekomt aan Casablanca en niet aan Sonesta, ook al is een deel van die schade pas opgetreden na de eigendomsovergang? Of moet worden aangenomen dat de aanspraak op vergoeding van de schade opgetreden vóór de eigendomsovergang toekomt aan Casablanca en de aanspraak op vergoeding van de schade opgetreden na de eigendomsovergang toekomt aan Sonesta? M.i. is dit laatste het geval. Het verzekerd belang is immers niet het eigenaarsbelang bij de opstallen en aanhorigheden van het hotel/resort, maar het bedrijfsbelang bij de exploitatie van het hotel/resort. De bedrijfsschade geleden na de eigendomsovergang kwam voor rekening van Sonesta, zodat, nu het verzekerde belang de exploitatie van het hotel/resort betrof, dit belang niet meer bij Casablanca doch bij Sonesta lag.
16. Tegen deze achtergrond is 's Hofs uitleg van de art. 5.3 en 23.1.1 van de polisvoorwaarden inderdaad onbegrijpelijk.
17. Art. 23.1.1 regelt de overdracht van het verzekerd belang ("transfer of interest"). Het bepaalt dat in geval van "transfer by contract" de verzekering doorloopt ten gunste van de nieuwe rechthebbende gedurende één maand na de overdracht van het verzekerd belang; voor de periode daarna moet de nieuwe rechthebbende toestemming vragen aan de verzekeraar binnen acht dagen na de overdracht van het verzekerd belang. De bepaling van art. 23.1.1 regelt derhalve hetzelfde onderwerp als art. 330 lid 1 WvK NA. Zij sluit de wettelijke regeling niet uit, maar geeft daarop een beperking: de verzekering volgt het belang, doch slechts gedurende één maand na de overgang van het verzekerde voorwerp. Daarna loopt de verzekering slechts door ten gunste van de nieuwe eigenaar indien de verzekeraar instemt met een daartoe strekkend verzoek van de nieuwe eigenaar.
18. Beschouwd in het licht van de bepaling van art. 23.1.1 ligt het dan ook niet voor de hand dat de enkele overdracht van het verzekerde voorwerp door de oorspronkelijke verzekerde aan een derde moet worden aangemerkt als een geval waarin "the insured's business is permanently discontinued or liquidated" in de zin van art. 5.3 van de polisvoorwaarden. De bepaling van art. 23.1.1 is dan zinledig. De door het Hof gevolgde redenering waarom dit anders is (het beginsel dat een verzekering uitsluitend strekt ter dekking van het belang van de verzekerde; de vrijheid van de verzekeraar om te beslissen om een verzekerde die hem niet aanstaat niet (langer) te accepteren), sluit niet. Uit art. 330 lid 1 WvK NA volgt immers dat in geval van eigendomsovergang van het verzekerde voorwerp de verzekering nu juist wel kan strekken ten voordele van de nieuwe verkrijger. Dat de verzekeraar daardoor een onbekende en wellicht ongewenste nieuwe verzekerde krijgt opgedrongen, wordt ondervangen doordat de wettelijke regeling van aanvullend recht is (vgl. HR 13 februari 1930, NJ 1930, blz. 415 nt. EMM).
19. De centrale klacht van de onderdelen 3 t/m 5 van het middel acht ik derhalve gegrond. Ik loop de afzonderlijke in deze onderdelen opgeworpen klachten langs.
20. Dat de eerste motiveringsklacht van onderdeel 3 gegrond is, volgt uit het vorenstaande. In het licht van de door Sonesta verdedigde uitleg van de bepaling van art. 23.1.1 van de polisvoorwaarden is niet begrijpelijk dat het Hof heeft geoordeeld dat onder het geval waarin "the insured's business is permanently discontinued or liquidated" als bedoeld in art. 5.3 van de polisvoorwaarden tevens begrepen moet worden het geval waarin de oorspronkelijke verzekerde het verzekerde voorwerp verkoopt en overdraagt. De tweede motiveringsklacht van het onderdeel acht ik ongegrond. Anders dan het onderdeel betoogt, is binnen 's Hofs uitleg van de polisvoorwaarden, niet onbegrijpelijk dat het Hof heeft geoordeeld dat Sonesta jegens Ennia slechts gedurende maximaal de in art. 5.3 genoemde termijn van 13 weken aanspraak op vergoeding van schade kan maken. Dit oordeel berust niet op de door het onderdeel aan het Hof toegeschreven opvatting dat art. 5.3 een regeling zou geven van de overgang van het belang, maar op de opvatting dat in dit geval ingevolge art. 5.3 de maximale duur van de schadevergoeding 13 weken bedraagt en dat deze aan Casablanca toekomende aanspraak op 13 weken schadevergoeding door Casablanca aan Sonesta is gecedeerd (r.o. 4.4.3 en 4.5).
21. De klacht van subonderdeel 4.1 mist feitelijke grondslag. Het Hof doelt in de bestreden overweging niet op het indemniteitsbeginsel, maar kennelijk op het beginsel dat alleen partijen aan de overeenkomst rechten of plichten kunnen ontlenen.
22. Subonderdeel 4.2 betoogt terecht dat, zonder nadere motivering, onbegrijpelijk is het oordeel van het Hof dat art. 5.3 van de polisvoorwaarden tevens ziet op het geval waarin de oorspronkelijke verzekerde het verzekerde voorwerp in eigendom overdraagt. Zoals gezegd, is deze uitleg zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet goed begrijpelijk in verband met het bepaalde in art. 23.1.1 van de polisvoorwaarden dat nu juist de strekking lijkt te hebben dat bij overgang van het verzekerde voorwerp de verzekering doorloopt ten voordele van de nieuwe rechthebbende.
23. Subonderdeel 4.3 klaagt terecht dat het Hof in r.o. 4.2.2 de regel van art. 330 WvK NA heeft miskend door te overwegen dat een verzekering behoudens wanneer het tegendeel wordt overeengekomen, uitsluitend strekt ter dekking van het belang van de verzekerde. Eveneens terecht is de klacht dat het Hof er voorts aan voorbij heeft gezien dat art. 23.1.1 van de polisvoorwaarden een regeling voor de overgang van het verzekerd belang bevat, zodat niet begrijpelijk is 's Hofs overweging dat de uitleg van Sonesta zou betekenen dat de verzekeraar niet de vrijheid zou hebben te beslissen om een verzekerde die hem niet aanstaat niet (langer) te accepteren.
24. Eveneens gegrond is de klacht van subonderdeel 4.4 die strekt ten betoge dat het Hof voorbij is gegaan aan de stelling van Sonesta dat de verzekeringsovereenkomst ingevolge art. 23.1.1 van de polisvoorwaarden door haar is voortgezet. Voor zover 's Hof overweging dat de verzekeraar van zijn bevoegdheid tot weigering van een opvolgend eigenaar van het hotel/resort als verzekerde geen afstand heeft gedaan, moet worden aangemerkt als de motivering van 's Hofs oordeel dat die stelling niet opgaat, is die motivering niet begrijpelijk. Dat de verzekeraar geen afstand heeft gedaan van zijn door het Hof bedoelde bevoegdheid, sluit het betoog van Sonesta dat ingevolge art. 23.1.1 de verzekering gedurende enige tijd doorloopt ten voordele van de nieuwe rechthebbende niet uit.
25. De klacht van subonderdeel 4.5 mist feitelijke grondslag. Het Hof heeft, anders dan het subonderdeel betoogt, aan zijn oordeel dat het geval als bedoeld in art. 5.3 van de polisvoorwaarden zich heeft voorgedaan, niet de conclusie verbonden dat de verzekeringsovereenkomst is geëindigd, doch slechts dat de maximale aanspraak op schadevergoeding is beperkt tot 13 weken. Het oordeel van het Hof dat Sonesta aan de verzekering niet (rechtstreeks) een aanspraak op schadevergoeding jegens Ennia kan ontlenen berust evenmin op het oordeel dat de verzekeringsovereenkomst zou zijn beëindigd; het berust op 's Hofs oordeel dat Sonesta aan de tussen Casablanca en Ennia gesloten verzekeringsovereenkomst geen rechten kan ontlenen.
26. De op de onderdelen 3 en 4 voortbouwende klachten van onderdeel 5 tegen 's Hofs overwegingen in r.o. 4.6 t/m 4.8 treffen doel voor zover de klachten van de onderdelen 3 en 4 doel treffen.
27. Resteert nog de bespreking van de onderdelen 1 en 2 van het middel, die opkomen tegen de verwerping door het Hof van de in het incidenteel appèl door Sonesta aangevoerde grieven.
28. De onderdeel 1 richt zich tegen r.o. 4.9.2, waarin het Hof de eerste incidentele grief van Sonesta verwerpt. De grief heeft betrekking op de - door het GEA in ontkennende zin beantwoorde - vraag of Sonesta (tijdig) aan Ennia heeft verzocht de verzekering van Casablanca te mogen overnemen. Het Hof heeft de grief verworpen op grond van de overweging dat Sonesta daarbij geen belang heeft, aangezien de eventuele overgang van de verzekering niet meebrengt dat Sonesta aanspraak kan maken op schade die het gevolg is van een evenement dat zich voor die overgang heeft voorgedaan.
29. Het onderdeel treft doel. 's Hofs oordeel berust kennelijk op zijn uitleg van art. 5.3 en 23.1.1 van de polisvoorwaarden, welke uitleg door de onderdelen 3 t/m 5 van het middel terecht als onbegrijpelijk is bestreden.
30. Onderdeel 2 keert zich tegen r.o. 4.9.3 waarin het Hof de tweede incidentele grief van Sonesta verwerpt. De grief heeft betrekking op de - door het GEA eveneens in ontkennende zin beantwoorde - vraag of tot de verzekerde bedrijfsschade ook de schade moet worden gerekend die na heropening van het hotel/resort is geleden doordat het gastenaanbod als gevolg van de maandenlange sluiting langzaam op gang kwam en niet meteen weer op het oude niveau was. Naar 's Hofs oordeel strandt ook deze grief op gebrek aan belang, zulks omdat de uitkeringsplicht van Ennia beperkt is tot 13 weken.
31. Waar ook dit oordeel van het Hof kennelijk is gebaseerd op 's Hofs - door de onderdelen 3 t/m 5 terecht bestreden - uitleg van de polisvoorwaarden, treft het doel.
De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot terugwijzing van de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof ter verdere behandeling en beslissing.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,