HR, 09-05-2003, nr. C01/226HR
ECLI:NL:HR:2003:AF3412
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
09-05-2003
- Zaaknummer
C01/226HR
- LJN
AF3412
- Roepnaam
El Hachioui/Hester
- Vakgebied(en)
Vervoersrecht (V)
Arbeidsrecht / Algemeen
Arbeidsrecht / Arbeidsomstandigheden en beroepsschade
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Arbeidsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Verzekeringsrecht (V)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Onrechtmatige daad
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2003:AF3412, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 09‑05‑2003
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2003:AF3412
ECLI:NL:HR:2003:AF3412, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 09‑05‑2003; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2003:AF3412
Beroepschrift, Hoge Raad, 25‑07‑2001
- Wetingang
art. 450b Wetboek van Koophandel
art. 450b Wetboek van Koophandel
- Vindplaatsen
NJ 2007, 352 met annotatie van G.J.J. Heerma van Voss
VR 2003, 180
AV&S 2003, p. 232 met annotatie van C.J.M. Klaassen
NJ 2007, 352 met annotatie van G.J.J. Heerma van Voss
VR 2003, 180
AV&S 2003, p. 232 met annotatie van C.J.M. Klaassen
Conclusie 09‑05‑2003
Inhoudsindicatie
-
Rolnr. C01/226HR
Mr L. Strikwerda
Zt. 31 jan. 2003
conclusie inzake
[Eiser]
tegen
1. V.o.f. "Hester"
2. [Verweerder 2]
3. [Verweerster 3]
Edelhoogachtbaar College,
1. Het gaat in deze zaak, die betrekking heeft op een arbeidsongeval aan boord van een schip, om de vraag naar de grenzen van het "eigen schuld"-verweer van de reder/werkgever, zulks in verband met art. 450b K dat art. 7:685 BW van toepassing uitsluit ten aanzien van de dienst van de schepeling aan boord van een schip.
2. In cassatie dient van de volgende feiten te worden uitgegaan uitgegaan (zie r.o. 1 van het arrest van het Hof in verbinding met r.o. 2.1 t/m 2.3 van het vonnis van de President en voorts r.o. 2.1 van het arrest van het Hof).
(i) Verweerster in cassatie sub 1, hierna: de rederij, is eigenaar van het m.s. Hester. Op 8 augustus 1998 heeft zich in het ruim van de Hester tijdens een reis van Bordeaux naar Teignmouth een explosie voorgedaan. Daarbij is eiser tot cassatie, hierna: [eiser], die aan boord als leerling-matroos werkzaam was en die - in strijd met mondeling gegeven instructies - het ruim vlak voor de explosie was binnengegaan, ernstig gewond geraakt.
(ii) De lading die zich in het ruim bevond bestond uit raapzaadmeel, op het cognossement omschreven als "rapeseedextraction in bulk". Rapeseadextraction meal komt voor op de lijst van gevaarlijke stoffen van de International Maritime Organisation als zijnde materiaal dat onder bepaalde omstandigheden spontaan tot zelfontbranding kan overgaan. Het raapzaadmeel was gespoeld met hexaan.
(iii) De kapitein van de Hester ging ervan uit dat de lading volstrekt ongevaarlijk was en heeft geen navraag gedaan omtrent bijzondere eigenschappen van de lading dan wel bijzondere maatregelen die tijdens de reis dienden te worden getroffen. Tijdens de reis is niet geventileerd en de luiken van het ruim waren dicht.
3. Bij inleidende dagvaarding van 7 juli 1999 heeft [eiser] de rederij in een kort geding voor de President van de Rechtbank te Rotterdam gedagvaard. [Eiser] heeft gesteld dat de rederij als werkgever onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld als gevolg waarvan [eiser] schade heeft geleden. In eerste aanleg heeft hij een voorschot gevorderd op de schadevergoeding ter hoogte van f 100.000,-. De rederij heeft de vordering weersproken met een beroep op eigen schuld van [eiser] nu deze in strijd met de mondelinge instructies het ruim is binnengegaan.
4. In zijn vonnis van 21 september 1999 heeft de President geoordeeld dat de rederij weliswaar onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser], maar dat niet valt uit te sluiten dat tevens sprake is van eigen schuld aan de zijde van [eiser] (r.o. 5.1). De President heeft het gevraagde voorschot daarom gematigd en de vordering van [eiser] toegewezen tot een bedrag van f 25.000,-.
5. De rederij is van het vonnis van de President in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. [Eiser] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Hij heeft bij die gelegenheid zijn eis vermeerderd tot een bedrag van f 250.000,-.
6. Bij arrest van 19 juni 2001 heeft het Hof het vonnis van de President vernietigd. Het Hof oordeelde dat de kapitein van de Hester onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door een aantal voorschriften verband houdende met de gevaarlijke aard van de lading niet na te leven terwijl ervan moet worden uitgegaan dat de explosie is veroorzaakt door het niet naleven van die voorschriften (r.o. 2.3). Het Hof was evenwel van oordeel dat er sprake is van eigen schuld van [eiser] doordat deze tegen de instructies in toch het ruim is ingegaan. Hierdoor bevond hij zich dichter bij de explosie waardoor zijn verwondingen ernstiger zijn en dus zijn schade groter is dan wanneer hij zich niet het ruim zou hebben bevonden ten tijde van de explosie (r.o. 3.2). Voor de bepaling van de mate van eigen schuld is naar 's Hofs oordeel van belang dat de kapitein de lading volstrekt ongevaarlijk achtte zodat ook [eiser] daarvan mocht uitgaan (3.3). Het Hof oordeelde dan ook een lichtere mate van eigen schuld aanwezig dan de President (3.4). Het Hof heeft de - vermeerderde - vordering van [eiser] toegewezen tot een bedrag van f 50.000,-.
7. [Eiser] is tegen het arrest van het Hof (tijdig) in cassatie gekomen met een uit vier onderdelen opgebouwd middel. De rederij is in cassatie niet verschenen. [Eiser] heeft bij gelegenheid van de schriftelijke toelichting subonderdeel 2.a van het middel ingetrokken.
8. Aangezien de klacht van subonderdeel 3.a van het middel van de verste strekking is, zal ik deze klacht eerst bespreken. De klacht richt zich tegen hetgeen het Hof heeft overwogen en beslist met betrekking tot de vraag of sprake is van eigen schuld bij [eiser] en verwijt het Hof een onjuiste toepassing te hebben gegeven aan art. 6:101 BW door na te laten de in lid 1 vervatte billijkheidscorrectie toe te passen, althans onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het de billijkheidscorrectie niet heeft toegepast. Betoogd wordt dat de billijkheidscorrectie ertoe leidt dat de vergoedingsplicht van de rederij geheel in stand blijft nu, aangenomen dat de schade mede het gevolg is van het binnengaan door [eiser] van het ruim tegen de instructies in, het gedrag van [eiser] geen opzet of bewuste roekeloosheid vormt. Daaraan staat niet in de weg dat ingevolge art. 450b K art. 7:658 op de rechtsverhouding tussen [eiser] en de rederij niet van toepassing is, aldus het middel.
9. Ná het uitbrengen van de cassatiedagvaarding is op 12 april 2002 door de Hoge Raad uitspraak gedaan in de zaak [betrokkene 1 en 2] (RvdW 2002, 70). De uitspraak is rechtstreeks van belang voor het onderhavige geval. Ook in [betrokkene 1 en 2] ging het om een arbeidsongeval dat plaatsvond aan boord van een schip. [Betrokkene 1], de ingeleende kapitein van het schip, was in 1990 tijdens het afmeren gewond geraakt doordat hij met zijn been verstrikt was geraakt in een lus. Daarbij was hij ten val gekomen en had hij zijn been op verschillende plaatsen gebroken. [Betrokkene 1] sprak de eigenaar van het schip, [betrokkene 2], aan tot schadevergoeding. [Betrokkene 1] stelde dat sprake was van een onrechtmatige daad van de tweede machinist ([betrokkene 3]) waarvoor [betrokkene 2] aansprakelijk was; [betrokkene 3] had tegen de instructies van de kapitein een tros losgegooid. Het Hof oordeelde dat in beginsel op [betrokkene 2] aansprakelijkheid rustte, maar dat tevens sprake was van eigen schuld van de kapitein, nu deze in de lus van de tros was gaan staan terwijl er met de tros werd gemanoeuvreerd. In cassatie werd er onder meer over geklaagd dat het Hof aldus een onjuiste toepassing heeft gegeven aan art. 6:101 BW omdat fouten van [betrokkene 1] slechts aan hem kunnen worden toegerekend in het geval van opzet of grove schuld. Ten aanzien van deze klacht overwoog de Hoge Raad:
"3.5. Het onderdeel slaagt. Wel missen in een geval als het onderhavige zowel art. 7A:1638x lid 2 (oud) BW als art. 7:658 lid 2 toepassing, niet alleen als gevolg van het bepaalde in art. 391 K, maar ook omdat in art. 1638x niet een bepaling als het vierde lid van art. 7:658 was opgenomen. Ingevolge deze bepalingen kan de werkgever ter afwering van zijn aansprakelijkheid voor schade die de werknemer heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden, slechts dan een beroep op eigen schuld van de werknemer doen, wanneer aan deze opzet of bewuste roekeloosheid kan worden verweten. Deze beperking past in het stelsel van de wet, dat ten aanzien van door de werknemer bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst aan de werkgever of aan een derde jegens wie de werkgever tot vergoeding van die schade is gehouden, toegebrachte schade inhoudt dat de werknemer te dier zake in beginsel niet jegens de werkgever aansprakelijk is, tenzij de schade een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid; zie art. 7:661 en art. 7A:1639da (oud), welke artikelen in art. 391 K niet buiten toepassing zijn verklaard. Weliswaar golden deze bepalingen nog niet in 1990, maar toen was wel reeds in de jurisprudentie aanvaard dat de werknemer voor door hem aan de werkgever toegebrachte schade slechts aansprakelijk kon zijn, indien hem daarvan een ernstig verwijt kon worden gemaakt (HR 1 november 1991, nr. 14 388, NJ 1992, 32).
In het licht van dit een en ander, en in aanmerking genomen dat de ontstaansgeschiedenis van art. 391 K niet tot een ander oordeel noopt, moet worden aanvaard dat art. 391 niet eraan in de weg staat aan te nemen dat eventuele fouten van een kapitein, die hebben bijgedragen tot het ontstaan van de schade waarvan hij op grond van onrechtmatige daad vergoeding vordert van de werkgever, slechts aan hem kunnen worden toegerekend indien de schade in belangrijke mate het gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. Zulks geldt ook in de relatie tussen een ingeleende arbeidskracht en degene die hem heeft ingeleend en die door hem wordt aangesproken op grond van art. 1403 (oud) BW.
3.6. Het Hof heeft dan ook door te oordelen dat de mate waarin de fout van [betrokkene 3], indien bewezen, aan de schade heeft bijgedragen in verhouding tot de mate waarin de aan [betrokkene 1] toe te rekenen omstandigheden tot het ontstaan van de schade hebben bijgedragen, dermate gering is dat de schade geheel voor rekening van [betrokkene 1] dient te blijven, hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting - in het geval dat het van een andere maatstaf dan hiervoor in 3.5 is vermeld mocht zijn uitgegaan -, hetzij zijn oordeel niet begrijpelijk gemotiveerd."
10. In het arrest [betrokkene1 en 2] was sprake was van uitsluiting van de toepassing van art. 7A:1638x(oud)/art. 7:658 BW op grond van art. 391 K, en niet op grond van art. 450b K, zoals in het onderhavige geval. Art. 391 K ziet namelijk op de arbeidsovereenkomst van de kapitein, terwijl art. 450b K betrekking heeft op de arbeidsovereenkomst met de (overige) schepelingen. Uit de conclusie van Advocaat-Generaal Langemeijer voor het arrest [betrokkene 1 en 2] (onder 2.3 e.v.) blijkt evenwel dat doel en strekking van de beide bepalingen dezelfde zijn. Daaruit vloeit voort dat het arrest [betrokkene 1 en 2] onverkort van toepassing is op situaties die zijn onderworpen aan art. 450b K.
11. In de eerder genoemde conclusie staat Langemeijer uitvoerig stil bij de achtergrond en wetsgeschiedenis van de artt. 391 en 450b K. Hij komt tot de conclusie dat de uitsluiting van art. 7A:1638x (oud)/art. 7:658 BW haar grondslag vindt in de bijzondere omstandigheden waaronder op een zeereis de arbeid wordt verricht, maar dat vandaag de dag niet gemakkelijk te begrijpen is waarom die uitsluiting nog bestaat. In het licht van de beschouwingen van Langemeijer kan men het dan ook eens zijn met de opmerking in de namens [eiser] gegeven schriftelijke toelichting dat de "stiefmoederlijke behandeling" van de schepelingen eerder lijkt op "een omissie dan een bewuste politieke keuze" en dat uit de wetsgeschiedenis van art. 450b K niet blijkt "dat het ooit de bedoeling van de wetgever is geweest om schepelingen minder bescherming te bieden dan overige werknemers" (onder 36).
12. In ieder geval is duidelijk dat in het licht van de uitspraak van de Hoge Raad in de zaak [betrokkene 1 en 2] subonderdeel 3.a slaagt. Mede gelet op zijn ontstaansgeschiedenis staat art. 450b K niet eraan in de weg om aan te nemen dat eventuele fouten van een matroos, die hebben bijgedragen tot het ontstaan van de schade waarvan hij op grond van onrechtmatige daad vergoeding vordert van de werkgever, slechts aan hem kunnen worden toegerekend indien de schade in belangrijke mate het gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid. Het oordeel van het Hof dat de mate waarin de aan [eiser] toe te rekenen omstandigheden tot het ontstaan van de schade hebben bijgedragen zodanig groot is dat de schade grotendeels voor rekening van [eiser] dient te blijven, is daarom hetzij gegrond op een onjuiste rechtsopvatting - in het geval dat het Hof van een andere maatstaf dan hiervoor is vermeld mocht zijn uitgegaan -, hetzij ontoereikend gemotiveerd, aangezien zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is dat de enkele omstandigheid dat [eiser] tegen de mondelinge instructies het ruim is binnengegaan aangemerkt dient te worden als opzet of bewuste roekeloosheid.
13. Terzijde merk ik nog het volgende op. In de namens [eiser] gegeven schriftelijke toelichting (blz. 6, voetnoot 5) wordt als opvatting naar voren gebracht dat de kwestie of [eiser] opzettelijk of met bewuste roekeloosheid heeft gehandeld zowel in het kader van de toerekening (i.v.m. de primaire verdelingsmaatstaf van art. 6:101 lid 1 BW), als in het kader van de billijkheidscorrectie kan worden geplaatst. Of deze opvatting als juist kan worden aanvaard is afhankelijk van het antwoord op de (omstreden) vraag of bij de primaire verdelingsmaatstaf van art. 6:101 BW het algemene criterium van art. 6:98 BW geldt dan wel een sine qua non-verband met een eigensoortig toerekeningscriterium (vgl. Asser-Hartkamp 4-I nr. 448a). Aan de toepassing van de billijkheidscorrectie behoeft men in de eerstbedoelde opvatting niet toe te komen, indien de schade niet mede het gevolg is van een omstandigheid die aan de werknemer kan worden toegerekend omdat geen sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. In de laatstbedoelde opvatting wordt direct doorgegrepen naar de billijkheidscorrectie.
14. Ik diep de kwestie niet verder uit en volsta ermee erop te wijzen dat in HR 9 november 2001, NJ 2002. 79 nt. PAS de invloed van opzettelijk of bewust roekeloos gedrag van de werknemer kennelijk werd geplaatst in het kader van de billijkheidscorrectie. De zaak betrof overigens een "gewoon" arbeidsongeval waarbij geen sprake was van een wettelijke uitsluiting van de toepassing van art. 7:658 BW. Art. 6:101 BW speelde in de zaak een rol omdat de werkneemster om haar moverende redenen ervoor had gekozen de werkgever op grond van art. 6:170 BW aansprakelijk te stellen. De Hoge Raad oordeelde dat wanneer er schade binnen dienstverband wordt geleden en het de werkgever is die in eerste instantie de arbeidsomstandigheden bepaalt, de in art. 6:101 BW bedoelde billijkheid eist om de schuld van de werknemer die niet bestaat in opzet of bewuste roekeloosheid, voor rekening van de werkgever te laten komen. De Hoge Raad sluit met deze overweging aan bij de (in de conclusie voor het arrest geciteerde) wetsgeschiedenis op art. 7:658 BW. Uit die wetsgeschiedenis blijkt voorts dat art. 7:658 BW kan worden gezien als een uitwerking van art. 6:101 BW. In [betrokkene 1 en 2] werd de kwestie van de invloed van opzettelijk of bewust roekeloos gedrag van de werknemer evenwel in het kader van de toerekening geplaatst. Het verschil in aanpak kan niet worden verklaard uit de omstandigheid dat art. 7:658 BW in het arrest van 9 november 2001 op grond van een keuze van de werkneemster niet rechtstreeks van toepassing was, terwijl in [betrokkene 1 en 2] de toepassing van art. 7:658 BW op grond van een wettelijke bepaling was uitgesloten. Beide arresten vinden immers hun ratio in het - door P.A. Stein in zijn NJ-noot onder het eerstgenoemde arrest geformuleerde - algemene rechtsbeginsel dat een werknemer, behoudens eigen opzet of roekeloosheid, niet betrokken kan worden in de schade die bij de uitvoering van zijn werkzaamheden voor hemzelf, voor de werkgever of voor een derde is ontstaan. Aan het verschil is aanpak is m.i. niet de conclusie te verbinden dat door de Hoge Raad een koerswijziging heeft ingezet; het berust kennelijk op de omstandigheid dat het cassatiemiddel in [betrokkene 1 en 2] het probleem enkel in het kader van de primaire verdelingsmaatstaf van art. 6:101 BW plaatste.
15. Als onderdeel 3a slaagt, behoeft onderdeel 3b geen behandeling. Hetzelfde geldt voor de onderdeel 1 en subonderdeel 2.b.
16. Onderdeel 4 klaagt dat het Hof de proceskosten in het incidenteel appèl heeft gecompenseerd. Nu deze beslissing kennelijk mede berust op 's Hofs, door subonderdeel 3.a terecht bestreden oordeel dat sprake is van eigen schuld van [eiser], kan deze beslissing evenmin in stand blijven.
17. Na vernietiging van het bestreden arrest, zal verwijzing moeten volgen, aangezien, ook al zou de Hoge Raad de zaak zelf kunnen afdoen op de vraag of sprake is van eigen schuld van [eiser], het Hof - onbestreden in cassatie - heeft geoordeeld dat bij de beoordeling van de vraag tot welk bedrag het door [eiser] gevorderde voorschot voor toewijzing in aanmerking komt rekening dient te worden enerzijds met het - volgens het Hof aanwezige - restitutierisico en anderzijds met het belang van [eiser], wiens inkomsten als gevolg van het ongeval aanzienlijk zijn gedaald (r.o. 3.5). Het rekening houden met deze factoren vergt een feitelijke afweging waarvoor in cassatie geen plaats is.
De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Uitspraak 09‑05‑2003
Inhoudsindicatie
-
9 mei 2003
Eerste Kamer
Nr. C01/226HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. J.B.M.M. Wuisman,
t e g e n
1. de vennootschap onder firma "Hester",
gevestigd te Rotterdam,
2. [Verweerder 2],
wonende te [woonplaats],
3. [Verweerster 3],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 7 juli 1999 verweerders in cassatie - tezamen verder te noemen: de rederij - in kort geding gedagvaard voor de President van de Rechtbank te Rotterdam en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de rederij te veroordelen om aan [eiser] als voorschot op de totale schadevergoeding te betalen tot een bedrag van ƒ 100.000,--, althans een zodanig bedrag als de President in goede justitie vermeent te behoren, met veroordeling van de rederij in de kosten van dit geding.
De rederij heeft de vordering bestreden.
De President heeft bij vonnis van 21 september 1999 de rederij veroordeeld om aan [eiser] te betalen een bedrag van ƒ 25.000,-- en het meer of anders gevorderde afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft de rederij hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. [Eiser] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en daarbij zijn eis vermeerderd tot een bedrag van ƒ 250.000,-- als voorschot op de uiteindelijke schadevergoeding, althans een zodanig bedrag als het Hof in goede justitie zal vermenen te behoren.
Bij arrest van 19 juni 2001 heeft het Hof het vonnis waarvan beroep behoudens de kostenveroordeling vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vordering van [eiser] toegewezen tot een bedrag van ƒ 50.000,--.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de niet verschenen rederij is verstek verleend.
[Eiser] heeft de zaak doen toelichten door zijn advocaat en door mr. J. Sluysmans, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een ander Gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De rederij is eigenares van het m.s. Hester (hierna: het schip). Op 8 augustus 1998 heeft zich in het ruim van het schip tijdens een reis van Bordeaux naar Teignmouth (Engeland) een explosie voorgedaan. Daarbij is [eiser], die aan boord als leerling-matroos werkzaam was en vlak voor de explosie tegen de instructies in dat ruim was binnengegaan, ernstig gewond geraakt (hierna: het ongeval).
(ii) De lading van het schip, die zich in het ruim bevond, bestond uit raapzaadmeel, op het cognossement omschreven als "rapeseedextraction meal in bulk". Rapeseedextraction meal komt voor op de lijst van gevaarlijke stoffen van de International Maritime Organisation als materiaal dat onder bepaalde omstandigheden tot zelfontbranding kan overgaan. Het raapzaadmeel was gespoeld met hexaan.
(iii) Met hexaan gespoeld raapzaadmeel dient voor belading goed te worden gelucht en tijdens de reis te worden geventileerd in verband met de mogelijke aanwezigheid van resten werkzaam hexaangas, dat zeer explosief is. De kapitein van het schip is echter ervan uitgegaan dat de lading volstrekt ongevaarlijk was en heeft geen navraag gedaan naar de eigenschappen daarvan. Evenmin heeft hij geïnformeerd of tijdens de reis bijzondere maatregelen dienden te worden getroffen. Tijdens die reis is de lading niet geventileerd; de luiken van het ruim waren dicht.
3.2 [Eiser] heeft aan zijn onder 1 weergegeven vordering ten grondslag gelegd dat de rederij heeft nagelaten voor de onderhavige reis te onderzoeken wat de aard van de lading was en dat zij niet heeft voldaan aan de voorschriften voor het vervoer van een dergelijke lading, waardoor een verhoogd risico op arbeidsongevallen is ontstaan, welk risico zich heeft verwezenlijkt. Hij heeft daaraan toegevoegd dat de rederij hem evenmin heeft gewaarschuwd dat de lading gevaarlijk was.
De rederij heeft de gevraagde voorziening betwist met een beroep op eigen schuld van [eiser] aan zijn schade. Daartoe heeft zij zich erop beroepen dat [eiser] tegen de uitdrukkelijke instructies het ruim van het schip heeft betreden. Voorts heeft zij betoogd dat art. 7:658 BW niet op de rechtsverhouding tussen partijen van toepassing is, gezien art. 450b K.
3.3 De President heeft, kort gezegd, de rederij in beginsel aansprakelijk geacht voor de door [eiser] geleden schade, maar aannemelijk geacht dat [eiser] daaraan een zekere mate van eigen schuld had.
Het Hof is samengevat weergegeven ervan uitgegaan dat de explosie is veroorzaakt doordat de kapitein de toepasselijke veiligheidsvoorschriften niet heeft nageleefd, nu de rederij niet aannemelijk heeft gemaakt dat de explosie zich ook zou hebben voorgedaan als die voorschriften wél waren nageleefd. Daarom is de rederij tegenover [eiser] in beginsel aansprakelijk voor de gevolgen van het ongeval (rov. 2.3). [Eiser] heeft evenwel een zekere mate van eigen schuld aan zijn schade, doordat hij in strijd met de instructies het ruim is binnengegaan. Het Hof waardeerde deze eigen schuld echter minder zwaar dan de President omdat de kapitein de lading volstrekt ongevaarlijk achtte, zodat ook [eiser] daarvan mocht uitgaan (rov. 3.2-3.4).
3.4 Het tegen deze beslissing gerichte middel, dat uit vier onderdelen bestaat, komt met name op tegen 's Hofs beslissing dat [eiser] eigen schuld heeft aan zijn schade. Onderdeel 3a, dat de Hoge Raad als eerste zal bespreken, betoogt in de kern dat het Hof een onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd bij zijn beoordeling van de onderhavige vraag, althans zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd.
3.5 De Hoge Raad heeft onlangs in een geval waarin de reder van een schip werd aangesproken door de kapitein daarvan voor de schade die deze had geleden als gevolg van de fout van een opvarende, geoordeeld - samengevat weergegeven - dat weliswaar art. 391 K. meebrengt dat art. 7:658 BW geen toepassing vindt ten aanzien van de dienst van de kapitein aan boord van een schip, maar dat moet worden aanvaard dat art. 391 K., gelet op het stelsel van de wet ten aanzien van door een werknemer aan de werkgever of aan derden toegebrachte schade en op de ontstaansgeschiedenis van art. 391 K., niet eraan in de weg staat aan te nemen dat eventuele fouten van een kapitein die hebben bijgedragen tot het ontstaan van de schade waarvan hij op grond van onrechtmatige daad vergoeding vordert van de werkgever, slechts aan hem kunnen worden toegerekend indien deze schade in belangrijke mate het gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid (HR 12 april 2002, C 00/207, RvdW 2002, 70). Op dezelfde gronden moet worden aangenomen dat deze uitleg ook heeft te gelden ten aanzien van art. 450b K., dat in dezelfde bewoordingen als art. 391 K. bepaalt dat art. 7:658 BW geen toepassing vindt ten aanzien van de dienst van de schepeling aan boord van een schip en dat dezelfde ontstaansgeschiedenis heeft (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 11). Indien het Hof dit heeft miskend is de rechtsklacht gegrond; indien het de juiste maatstaf heeft gehanteerd is zijn daarop gebaseerde oordeel zonder nadere motivering, die evenwel ontbreekt, onbegrijpelijk.
3.6 Nu onderdeel 3a slaagt, is ook onderdeel 4, dat is gericht tegen de beslissing van het Hof ver de proceskosten, terecht voorgedragen. De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 19 juni 2001;
verwijst de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar het Gerechtshof te Amsterdam;
veroordeelt de rederij in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] in totaal begroot op € 4.683,53, waarvan € 4.590,51 op de voet van artikel 243 Rv. te voldoen aan de Griffier en € 93,02 aan [eiser].
Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren D.H. Beukenhorst, A. Hammerstein, P.C. Kop en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer O. de Savornin Lohman op 9 mei 2003.
Beroepschrift 25‑07‑2001
DAGVAARDING IN CASSATIE
Heden, de [vijfentwintigste] juli tweeduizendeen (2001), ten verzoeke van [requirant], wonende te [woonplaats], voor de met dit exploit in te leiden cassatieprocedure woonplaats kiezende te Den Haag aan de Zuid-Hollandlaan nr. 7 ten kantore van de advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden Mr J. Wuisman, die zich voor verzoeker tot advocaat stelt;
Heb ik,
[…]
AAN:
- 1.
de vennootschap onder firma ‘HESTER’, gevestigd te Rotterdam;
- 2.
[gerequireerde 2], vennoot van gerequireerde sub 1, wonende te [woonplaats]; en
- 3.
[gerequireerde 3], vennoot van gerequireerde sub 1, wonende te [woonplaats];
die allen in de appèlinstantie voor het laatst woonplaats hebben gekozen te Den Haag aan het Koningin Julianaplein Nr 30 (kantorengebouw ‘Babylon’), ten kantore van hun procureur in die aanleg Mr H.C. Grootveld, aan deze gekozen woonplaats mijn exploit doende, voor ieder van de gerequireerden een afschrift dezes latende aan en sprekende met:
[mevrouw D. Vries, aldaar werkzaam]
AANGEZEGD:
dat mijn verzoeker in cassatie komt van het arrest, dat het Gerechtshof te 's‑Gravenhage ter openbare zitting van 19 juni 2001 onder rolnummer 99/1068 heeft uitgesproken tussen gerequireerden als (principaal) appellanten en mijn verzoeker als (principaal) geïntimeerde;
voorts heb ik, deurwaarder, exploit doende enz. als hiervoor vermeld, gerequireerden
GEDAGVAARD:
om op vrijdag zeven (7) september tweeduizendeen (2001), 's ochtends om 10.00 uur, te verschijnen, niet in persoon maar vertegenwoordigd door een advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, op de zitting van de Enkelvoudige Kamer voor Burgerlijke zaken van de Hoge Raad der Nederlanden, die alsdan wordt gehouden in het Gerechtsgebouw van de Hoge Raad aan de Kazernestraat nr. 52 in Den Haag;
TENEINDE:
alsdan onder aanvoering van het volgende
Middel van cassatie:
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, die bij niet-inachtneming tot nietigheid leiden, door het Hof door in het bestreden arrest te overwegen en in het dictum te beslissen als ter aangehaalde plaatse staat vermeld, meer in het bijzonder om de volgende, voor zoveel nodig in onderling verband te beschouwen redenen:
Inleiding
[requirant] vordert van verweerders in cassatie — verder aan te duiden met Hester c..s — een voorschot op de vergoeding voor de schade, die hij als leerling-matroos als gevolg van een ongeval — (explosie in het ruim) — op 8 augustus 1998 op het door Hester c.s. gerede motorschip QUO VADIS heeft geleden. In rov. 2.3 van het bestreden arrest acht het Hof vanwege tekortkomingen van de kapitein Hester c.s. in beginsel aansprakelijk voor het ongeval en schadeplichtig jegens [requirant]. Omtrent het door Hester c.s. opgeworpen verweer van ‘eigen schuld’ bij [requirant] overweegt het Hof het volgende:
- (i)
vanwege de duidelijke bepaling van artikel 450bK is voor analogische toepassing van artikel 7:658 BW geen plaats (rov. 3.1);
- (ii)
doordat [requirant] tegen de instructies in toch het ruim is ingegaan, bevond hij zich dichter bij de explosie waardoor zijn verwondingen ernstiger zijn en zijn schade groter is dan wanneer hij zich niet in het ruim zou hebben bevonden ten tijde van de explosie (rov. 3.2);
- (iii)
voor de mate van eigen schuld acht het Hof van belang, dat de kapitein de lading volstrekt ongevaarlijk achtte, zodat ook [requirant] daarvan mocht uitgaan;
Een en ander houdt in dat naar het oordeel van het Hof de schade die [requirant] heeft geleden en nog zal lijden, wegens ‘eigen schuld’ voor een deel voor zijn rekening blijft althans dat te verwachten valt dat deze voor een deel voor zijn rekening zal blijven. Mede hierom stelt het Hof het door Hester te betalen voorschot vast op een bedrag van fl. 50.000,-, terwijl een bedrag van fl. 250.000,- was gevorderd. De ‘eigen schuld’ van [requirant] speelt ook mee in de beslissing om in het incidenteel appel de proceskosten te compenseren.
klachten
De vraag of Hester c.s. met recht een beroep op ‘eigen schuld’ van [requirant] doen, wordt in ieder geval beheerst door artikel 6:101 BW. Uit lid 1 van dat artikel volgt dat voor het aanvaarden van eigen schuld onder meer vereist is dat de schade mede het gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend. De omstandigheid waarom het in het onderhavige geval gaat, betreft het binnengaan door [requirant] van het ruim tegen de instructies in. Ter rechtvaardiging van zijn gedrag heeft [requirant] ook in appel aangevoerd: ‘Omstreeks 17.00 uur die dag het tijdstip van einde werktijd, heb ik een ronde over het schip gemaakt. Wij bevonden ons toen al op zee. Ik maakte deze ronde omdat de afspraak was bij einde werktijd te kijken of alles zeevast zat. Ik zag dat het stuurboord luik nabij de brug, dat toegang gaf tot het ruim, openstond. Ik hoorde tevens een soort gebonk in het ruim, alsof er een stuk ijzer ergens tegen aan sloeg. Uit eigen initiatief ging ik vervolgens het ruim in om vast te stellen wat dat geluid was’ (memorie van antwoord, sub 7.6) Aan deze stellingen besteedt het Hof geen aandacht; zij worden niet onjuist bevonden, zodat zij in cassatie voor juist mogen worden gehouden. De door [requirant] gestelde rechtvaardiging voor het binnengaan van het ruim en het feit dat hij niet gewaarschuwd was voor enig gevaar van de lading en daarmee ook niet anderszins bekend was, staan er aan in de weg althans kunnen er aan in de weg staan om het binnengaan in het ruim tegen de instructies in als een omstandigheid aan te merken, die aan [requirant] is toe te rekenen in de zin als in artikel 6:101 BW bedoeld. Indien het Hof aan de gestelde rechtvaardiging is voorbijgegaan omdat zij voor de vraag van de toerekening geen relevante omstandigheid is of kan zijn, geeft het Hof daarmee blijk van een onjuiste opvatting. In ieder geval is het arrest niet voldoende gemotiveerd, omdat uit het arrest niet blijkt waarom het Hof aan de gestelde rechtvaardiging is voorbij gegaan.
2
Om de schade geheel of gedeeltelijk voor rekening van de gelaedeerde te kunnen laten wegens een hem toe te rekenen omstandigheid, is rechtens vereist dat die omstandigheid in causaal verband staat met de schade.
- a.
Het ernstige letsel dat [requirant] heeft opgelopen, is veroorzaakt door de explosie. Van eigen schuld van [requirant] kan pas sprake zijn wanneer komt vast te staan dat [requirant] aan het plaatsgrijpen van de explosie en zo aan het ontstaan van zijn letsel (schade) heeft bijgedragen. Het Hof heeft dit miskend. Het Hof heeft niet meer vastgesteld dan dat [requirant] tegen de instructies in het ruim is binnen gegaan en zo zich dichter bij de explosie bevond. Daarmee staat echter niet vast dat [requirant] (mede) de explosie heeft veroorzaakt. Dat is ook niet anderszins komen vast te staan of aannemelijk geworden.
- b.
Voor de vaststelling of het causaal verband aanwezig is, is niet voldoende dat de omstandigheid, die aan de gelaedeerde op de voet van artikel 6:101 BW kan worden toegerekend, een conditio sine qua non voor het lijden van de schade is geweest maar is tevens vereist dat de schade op de voet van artikel 6:98 BW aan de gelaedeerde kan worden toegerekend. Aan dit causaliteitsaspect gaat het Hof voorbij, hoewel er aanleiding bestond om er aandacht aan te geven. [requirant] was niet gewaarschuwd voor enig gevaar van de lading en was daarmee ook niet anderszins bekend. De schade die [requirant] heeft geleden en nog lijdt, bestaat uit schade als gevolg van zeer ernstig letsel. Dat letsel hoefde hij bij het binnengaan van het ruim, ook al geschiedde dat tegen de instructies in, wegens onbekendheid met enig gevaar van de lading in het ruim in redelijkheid niet te verwachten. Gelet op deze omstandigheden, dient te worden geoordeeld althans kan worden geoordeeld dat de schade, die [requirant] als gevolg van het ongeval op 8 augustus 1998 heeft geleden en nog lijdt, niet aan hem is toe te rekenen. Indien het Hof de zojuist genoemde omstandigheden niet relevant heeft geoordeeld voor de in dit onderdeel aan de orde zijnde toerekeningsvraag, geeft het Hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting. In ieder geval is het arrest niet naar de eisen van de wet gemotiveerd, omdat uit het arrest niet blijkt waarom het Hof de zojuist genoemde omstandigheden niet relevant acht voor de hier aan de orde zijnde toerekeningsvraag. Een en ander geldt nog te meer, indien de in onderdeel 1 vermelde rechtvaardiging voor het binnengaan van het ruim door [requirant] in aanmerking wordt genomen.
3
Ook al zou moeten worden aangenomen dat het Hof heeft geoordeeld en ook heeft kunnen oordelen dat de schade, die [requirant] heeft geleden en nog lijdt, in causaal verband staat met de omstandigheid dat hij tegen de instructies in het ruim is
binnengegaan, en dat deze laatste omstandigheid hem op zich zelf kan worden toegerekend, zodat de schade mede een gevolg is van een aan [requirant] toe te rekenen omstandigheid, dan heeft het Hof — gelet op de in lid 1 van artikel 6:101 BW vervatte billijkheidscorrectie — niettemin ten onrechte aangenomen althans mogelijk geacht dat een gedeelte van de schade, die [requirant] heeft geleden en nog zal lijden, voor zijn rekening blijft.
- a.
Ingevolge lid 1 van artikel 6:101 BW kan de billijkheid meebrengen dat schade geheel voor rekening van de laedens blijft, ondanks dat aan de schade een omstandigheid heeft bijgedragen die aan de gelaedeerde is toe te rekenen. In het onderhavige geval brengt de billijkheid dit laatste mee. De schade die [requirant] heeft geleden en nog lijdt, is het gevolg van een ongeval dat plaats vond bij de uitoefening door hem van werkzaamheden als werknemer van Hester c.s.. Het ongeval heeft kunnen plaats vinden mede doordat door de kapitein een aantal voorschriften niet in acht zijn genomen, wat Hester c.s. in beginsel jegens [requirant] aansprakelijk voor de schade doet zijn. Weliswaar is de schade mede het gevolg van het binnengaan door [requirant] van het ruim tegen de instructies in, maar dat gedrag vormt geen opzet of bewuste roekeloosheid. Althans dat is door het Hof niet vastgesteld en volgt ook niet zonder meer uit wat het Hof omtrent de eigen schuld van [requirant] heeft overwogen. Onder de zojuist genoemde omstandigheden eist de billijkheid, dat de vergoedingsplicht van Hester c.s. geheel in stand blijft. Daaraan staat niet in de weg dat ingevolge artikel 450b WvK artikel 7:658 BW niet op de rechtsverhouding tussen [requirant] en Hester c.s. van toepassing is.
- b.
Zelfs indien in geval van een schepeling ook buiten het geval van opzet of bewuste roekeloosheid ‘eigen schuld’ van hem bij de toedeling van de schade in aanmerking mag worden genomen, geldt niettemin rechtens dat dat toch slechts zal mogen indien er aan de zijde van de schepeling sprake is van ten minste sterk althans meer dan normaal verwijtbaar gedrag, dat mede aan de schade heeft bijgedragen. Dit heeft het Hof miskend. Wat het Hof in het bestreden arrest omtrent de eigen schuld van [requirant] opmerkt — zie met name de rov. 3.3 en 3.4 van het bestreden arrest —, houdt niet een sterk of meer dan normaal verwijtbaar gedrag van [requirant] in. Althans, indien het Hof daarvan wel is uitgegaan, is zijn uitspraak op dit punt onvoldoende gemotiveerd. Dit geldt te meer, indien de in onderdeel 1 vermelde rechtvaardiging voor het binnengaan van het ruim door [requirant] in aanmerking wordt genomen.
4
In rov. 4 besluit het Hof tot compensatie van de proceskosten in incidenteel appèl en In het dictum beslist het Hof dienovereenkomstig. Deze beslissing rust onmiskenbaar mede op 's Hofs hierboven bestreden oordelen omtrent de eigen schuld van [requirant]. Blijkt het Hof ten onrechte eigen schuld bij [requirant] in aanmerking te hebben genomen, dan kan de beslissing omtrent de proceskosten evenmin stand houden.
te horen eisen en concluderen, dat de Hoge Raad het bestreden arrest zal vernietigen met zodanige verdere uitspraak als de Hoge Raad juist oordeelt; kosten rechtens.
De kosten voor het uitbrengen van het exploit zijn:
ƒ | 140,53 |
- | 26,70 |
ƒ | 167,23 |
Deurwaarder
[NB
Als bij genoemd kostenbedrag een verhoging is opgenomen, komt dit doordat eiser(es)/rekwirant(e) geen omzetbelasting kan verrekenen.]