De rechtbank doelt kennelijk op het voorschrift van art. 47 lid 3 in verbinding met art. 46 lid 1 Wet Bopz, dat inhoudt dat de geneesheer-directeur uiterlijk 4 dagen na het besluit tot intrekking van het voorwaardelijk ontslag de patiënt schriftelijk in kennis stelt van zijn beslissing, onder mededeling van de redenen die tot de intrekking hebben geleid.
HR, 11-06-2004, nr. R04/034HR
ECLI:NL:HR:2004:AO7733
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
11-06-2004
- Zaaknummer
R04/034HR
- Conclusie
Mr. F.F. Langemeijer
- LJN
AO7733
- Vakgebied(en)
Gezondheidsrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2004:AO7733, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 11‑06‑2004
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2004:AO7733
ECLI:NL:HR:2004:AO7733, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 11‑06‑2004; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2004:AO7733
Beroepschrift, Hoge Raad, 14‑04‑2004
- Wetingang
- Vindplaatsen
JBPr 2004/52 met annotatie van Mw. mr. E.L. Schaafsma-Beversluis
BJ 2004/39 met annotatie van W. Dijkers
Conclusie 11‑06‑2004
Mr. F.F. Langemeijer
Partij(en)
Conclusie inzake:
stichting Mentrum
tegen
[verweerster]
In deze Wet Bopz-zaak heeft de geneesheer-directeur een voorwaardelijk ontslag uit het ziekenhuis ingetrokken. De rechtbank heeft die beslissing tot intrekking ongedaan gemaakt. In cassatie staat de ontvankelijkheidsvraag centraal.
1. De feiten en het procesverloop
1.1
Op 6 mei 2003 heeft de rechtbank te Amsterdam een machtiging voor de duur van een jaar verleend tot het voortgezet verblijf van verweerster in cassatie (hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis. Betrokkene is opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis van de stichting Mentrum.
1.2
Op 3 juli 2003 is, bij een door de waarnemend geneesheer-directeur van het ziekenhuis ondertekend schrijven, aan betrokkene voorwaardelijk ontslag uit het ziekenhuis verleend (art. 47 Wet Bopz). In deze brief is onder meer als voorwaarde vermeld: ‘Mocht er in de thuissituatie sprake zijn van escalatie met buren, dan wel van een acuut gevaarlijke situatie, zal patiënte wederom worden opgenomen op de gesloten unit’.
1.3
Bij schriftelijke beslissing van 1 oktober 2003 heeft de geneesheer-directeur het voorwaardelijk verleende ontslag ingetrokken (art. 47 lid 3 in verbinding met art. 46 Wet Bopz). Als reden van intrekking is opgegeven: ‘Niet nakomen van afspraken omtrent ambulante behandeling, overlast naar buren, maatschappelijke verwaarlozing’.
1.4
Betrokkene heeft, op de voet van art. 47 lid 3 jo. 46 lid 2 Wet Bopz, aan de officier van justitie te Amsterdam verzocht de beslissing van de rechter te verzoeken. De officier van justitie heeft dienovereenkomstig op 6 november 2003 aan de rechtbank verzocht een beslissing te nemen over de beslissing tot intrekking van het voorwaardelijk verleende ontslag.
1.5
De rechtbank heeft betrokkene en zijn raadsman alsmede de behandelend psychiater en twee arts-assistenten gehoord. Bij beschikking van 4 december 2003 heeft de rechtbank de beslissing van de geneesheer-directeur tot intrekking van het voorwaardelijk ontslag vernietigd. De rechtbank overwoog dat de geneesheer-directeur in strijd met art. 4:8 Awb heeft nagelaten betrokkene in de gelegenheid te stellen haar zienswijze naar voren te brengen. Ten overvloede wijst de rechtbank erop dat niet is komen vaststaan dat betrokkene de beslissing tot intrekking van het voorwaardelijk ontslag binnen de wettelijke termijn op schrift heeft ontvangen1.. Tenslotte overweegt de rechtbank dat de opgegeven grond van intrekking (het niet nakomen van afspraken over ambulante behandeling) de intrekking van het ontslag niet rechtvaardigt, nu daarover met betrokkene geen afspraken zijn gemaakt.
1.6
De stichting Mentrum heeft — tijdig — cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van 4 december 2003. Namens betrokkene is een verweerschrift ingediend, waarin primair wordt verzocht de stichting in haar cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren. Namens de stichting is op 14 april 2004 op het ontvankelijkheidsverweer gereageerd.
2. De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
2.1
Art. 426 lid 1 Rv bepaalt dat tegen beschikkingen op rekest beroep in cassatie kan worden ingesteld door degenen die in een der vorige instanties zijn verschenen. Uit HR 6 november 1998, NJ 1999, 117, volgt dat een persoon of rechtspersoon is verschenen in de zin van art. 426 lid 1 Rv indien hij een verweerschrift heeft ingediend of ter terechtzitting is gehoord.
2.2
Uit de aan de Hoge Raad overgelegde gedingstukken, uit de processen-verbaal van de mondelinge behandeling door de rechtbank, noch uit de bestreden beschikking zelf volgt dat de stichting Mentrum bij de rechtbank een verweerschrift heeft ingediend of ter terechtzitting van de rechtbank is gehoord. Derhalve staat cassatieberoep voor de stichting Mentrum niet open.
2.3
De omstandigheid dat de behandelend psychiater — van wie de rechtbank niet heeft vastgesteld, doch veronderstellenderwijs kan worden aangenomen, dat hij in dienst is van de stichting Mentrum — door de rechtbank is gehoord, maakt niet dat de stichting Mentrum geacht kan worden als partij bij de rechtbank te zijn verschenen. Het horen van de behandelend psychiater wordt verklaard doordat art. 47 lid 3, in verbinding met art. 46 lid 2, in verbinding met art. 49 lid 9, in verbinding met art. 8 lid 4 Wet Bopz, bepaalt dat de rechtbank zich zo mogelijk laat voorlichten door (onder meer:) de instelling of psychiater die de betrokkene behandelt of begeleidt. Meer dan dat is hier niet gebeurd2.. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de stichting Mentrum in haar cassatieberoep niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard en dat het middel verder onbesproken kan blijven3..
3. Conclusie
De conclusie strekt tot de niet-ontvankelijkverklaring van verzoekster tot cassatie in haar cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 11‑06‑2004
Ik laat in het midden of de stichting kan worden aangemerkt als ‘belanghebbende’ in de zin van art. 282 Rv. De toepasselijkheid van dat artikel volgt uit art. 261 Rv; zie ook: W.J.A.M. Dijkers, Doen en laten in de Bopz-machtigingsprocedure, diss. 2003, blz. 60–62 en blz. 152. Een andere mogelijkheid lijkt mij te zijn, dat de geneesheer-directeur wiens beslissing wordt aangevochten zich tot de officier van justitie wendt met het verzoek ter terechtzitting van de rechtbank te verschijnen om de intrekking van het ontslag te verdedigen, waarna de officier zo nodig cassatieberoep kan instellen.
De in het middel aangehaalde beschikking HR 19 december 2003, RvdW 2004, 5, is gepubliceerd in BJ 2004, 3 m.nt. W. Dijkers en H.E. Bröring. Zie naar aanleiding van deze uitspraak: A.H.J. Lennaerts, NJB 2004, blz. 785–786.
Uitspraak 11‑06‑2004
Inhoudsindicatie
11 juni 2004 Eerste Kamer Rek.nr. R04/034HR JMH/AS Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: De stichting MENTRUM, instelling voor geestelijke gezondheidszorg te Amsterdam, gevestigd te Amsterdam, VERZOEKSTER tot cassatie, advocaat: mr. P. Garretsen, t e g e n [Verweerster], wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. G.E.M. Later. 1. Het geding in feitelijke instanties...
11 juni 2004
Eerste Kamer
Rek.nr. R04/034HR
JMH/AS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
De stichting MENTRUM, instelling voor geestelijke gezondheidszorg te Amsterdam,
gevestigd te Amsterdam,
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[Verweerster],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. G.E.M. Later.
1. Het geding in feitelijke instanties
Op 6 mei 2003 heeft de rechtbank te Amsterdam een machtiging voor de duur van een jaar verleend tot het voortgezet verblijf van verweerster in cassatie - verder te noemen: verweerster - in het psychiatrisch ziekenhuis van verzoekster tot cassatie, hierna de stichting.
Op 3 juli 2003 heeft de waarnemend geneesheer-directeur van het ziekenhuis aan verweerster voorwaardelijk ontslag uit het ziekenhuis verleend.
Bij schriftelijke beslissing van 1 oktober 2003 heeft de geneesheer-directeur het voorwaardelijk verleende ontslag ingetrokken.
Verweerster heeft, op de voet van art. 47 lid 3 in verbinding met art. 46 lid 2 Wet Bopz aan de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam verzocht de beslissing van de rechter te verzoeken. De officier van justitie heeft dienovereenkomstig de rechtbank te Amsterdam verzocht een beslissing te nemen over de beslissing tot intrekking van het voorwaardelijk verleende ontslag.
Nadat de rechtbank verweerster, bijgestaan door haar raadsman, alsmede de behandelend psychiater en twee artsen had gehoord, heeft zij bij beschikking van 4 december 2003 de beslissing van de geneesheer-directeur tot intrekking van het voorwaardelijk verleende ontslag vernietigd.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de rechtbank heeft de stichting beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
Verweerster heeft primair verzocht de stichting niet-ontvankelijk te verklaren in haar cassatieberoep.
De stichting heeft op het ontvankelijkheidsverweer gereageerd.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de stichting in haar cassatieberoep.
De advocaat van de stichting heeft bij brief van 7 mei 2004 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.1 Bij beschikking van 4 december 2003 heeft de rechtbank de beslissing van de geneesheer-directeur tot intrekking van het aan verweerster voorwaardelijk verleende ontslag vernietigd. Tegen deze beschikking heeft de stichting beroep in cassatie ingesteld.
3.2 Art. 426 lid 1 Rv. bepaalt dat tegen beschikkingen op rekest beroep in cassatie kan worden ingesteld door degenen die in een der vorige instanties zijn verschenen. Een persoon of rechtspersoon is verschenen in de zin van art. 426 lid 1 Rv. indien hij een verweerschrift heeft ingediend of ter terechtzitting is gehoord (HR 6 november 1998, nr. R98/066, NJ 1999, 117).
Uit de aan de Hoge Raad overgelegde gedingstukken, uit de processen-verbaal van de mondelinge behandeling door de rechtbank, noch uit de bestreden beschikking zelf blijkt dat de stichting bij de rechtbank een verweerschrift heeft ingediend of ter terechtzitting van de rechtbank is gehoord.
Het horen door de rechtbank van de behandelend psychiater is geschied op grond van art. 8 lid 4 Wet Bopz, dat bepaalt dat de rechtbank zich zo mogelijk laat voorlichten door (onder meer) de instelling of psychiater die de betrokkene behandelt of begeleidt, en kan niet uitgelegd worden als een verschijnen van de stichting in de hiervoor bedoelde zin.
3.3 Uit het voorgaande volgt dat de stichting in haar cassatieberoep niet kan worden ontvangen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de stichting niet-ontvankelijk in haar beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren E.J. Numann en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 11 juni 2004.
Beroepschrift 14‑04‑2004
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
te 's Gravenhage
Geeft eerbiedig te kennen:
STICHTING MENTRUM, instelling voor geestelijke gezondheidszorg. gevestigd te Amsterdam. te dezer zake woonplaats hebbende gekozen ten kantore van de advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. P. Garretsen, Prins Hendrikstraat 63, 2518 HL 's Gravenhage die door verzoekster tot haar advocaat is gesteld.
In cassatieberoep van de Stichting Mentrum, instelling voor geestelijke gezondheidszorg tegen de beslissing van de rechtbank Amsterdam d.d. 4 december 2003 tot vernietiging van de beslissing van de geneesheer directeur, welke beslissing inhield het intrekken van het voorwaardelijk ontslag van [naam], wonende te [woonplaats], te deze zake woonplaats hebbende gekozen aan de Riouwstraat 131, 2585 HP 's Gravenhage, ten kantore van mr. G.E.M. Later.
In reactie op het verweer d.d. 25 maart 2004 van mr. G.E.M. Later het navolgende:
1. Stichting Mentrum als belanghebbende
Mentrum is als belanghebbende aan te merken in de zin van de Algemene Wet Bestuursrecht. Geneesheer directeur is een functie binnen de instelling. De geneesheer directeur is in dienst van de instelling. De instelling is als werkgever verantwoordelijk voor en uiteindelijk aansprakelijk voor de gedragingen van de functionaris in de uitoefening van zijn functie. In de onderhavige zaak is de stichting Mentrum op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk gesteld voor de geleden schade van mevrouw [naam] door de vrijheidsbeneming.
De gevraagde beslissing van uw Raad is dan ook direct en rechtstreeks van invloed op de rechtspositie van Mentrum. Mentrum heeft om die reden een belang bij de gevraagde beslissing.
Daarnaast is Mentrum gehouden krachtens staturen en wettelijke regels te streven naar een optimale behandeling van haar patiënten. In dat kader behartigt Mentrum een algemeen belang als zij uw oordeel vraagt over de onderhavige kwestie.
2. Grondslag voor de vrijheidsberoving
De grondslag voor de vrijheidsberoving. (Mentrum spreekt over de gedwongen opname) is de door de rechter verstrekte machtiging. In casu staat vast dat de machtiging opgelegd aan mevrouw [naam] geldig is. Het verlenen en intrekken van voorwaardelijk ontslag doet aan die grondslag niet af.
Mevrouw [naam] is niet gedwongen opgenomen omdat het voorwaardelijk ontslag is ingetrokken. Echter door het intrekken van het voorwaardelijk ontslag herleefde de machtiging, wat in de dagelijkse praktijk een gelijke uitwerking heeft, namelijk het gedwongen worden een opname te dulden.
Wel/niet volledige beoordeling
3a. Inhoud rechterlijke beslissing; de tekst van de Wet.
Bij het verlenen van voorwaardelijk ontslag wordt de opname (vrijheidsroving) onder voorwaarde niet uitgevoerd. Het een en ander conform artikel 47 BOPZ. Via schakelbepaling 47 lid 3BOPZ is artikel 46 BOPZ van toepassing, die luidt als volgt:
‘de geneesheer directeur trekt het in artikel 45 bedoeld verlof in, wanneer uit de stoornis van de geestvermogens voortvloeiende gevaarlijkheid van betrokkene dit noodzakelijk maakt en wanneer het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend.
Het verlof kan door de geneesheer directeur worden ingetrokken wanneer de patiënt de gestelde voorwaarde niet nakomt of op verzoek van de patiënt.’
(Tot zover het citaat, cursivering door auteur)
In dit citaat is te lezen dat de geneesheer directeur het voorwaardelijk ontslag moet intrekken als er een toename is van het gevaar en het gevaar niet afgewend kan worden.
Hij ‘kan’ het voorwaardelijk ontslag intrekken als er niet wordt voldaan aan de gestelde voorwaarde(n) of op verzoek van de patiënt. Er is geen plicht tot intrekken tenzij uiteraard het gevaar is toegenomen. Via de schakelbepaling artikel 47 lid 3 BOPZ zijn deze criteria ook van toepassing bij het intrekken van het voorwaardelijk ontslag.
Volgens artikel 46 lid 2 BOPZ staat de mogelijkheid open te verzoeken om de beslissing van de rechter te vorderen.
Bij de behandeling door de rechtbank ligt het in de rede dat de rechtbank alle aspecten in zijn besluitvorming betrekt. Om zulks te doen dient de rechtbank het besluit te toetsen aan de criteria van artikel 46 BOPZ en aan de procedurele voorschriften van de Algemene Wet Bestuursrecht. Dat brengt met zich mee dat er een volledige rechterlijke beslissing tot stand moet komen.
3b. Inhoud rechtelijke beslissing, bespreking van de conclusie bij HR 19 dec 2003
Uw Raad heeft zich op 19 december 2003 in een overweging ten overvloede uitgesproken over de omvang van de rechterlijke beslissing in het geval patiënt verzoekt om ontslag en de afwijzende beslissing voorgelegd wordt aan de rechter. In de conclusie van mr. F.F. Langemeijer gaat hij uitvoerig in op de positie van de geneesheer directeur als bestuursorgaan. Zijn bevindingen zijn als volgt kort weer te geven. De besluiten van de geneesheer directeur zijn beschikkingen in de zin van de AWB. Echter de wetgever heeft ervoor gekozen het rechtsbeschermingstelsel van de BOPZ te handhaven, om reden dat er bij de civiele rechtbanken veel kennis en ervaring voorhanden is die node gemist kan worden.
De algemene bepalingen van de Algemene Wet Bestuursrecht zijn wel van toepassing. De procedure is beschreven in de BOPZ.
Op grond van de tekst van artikel 49 BOPZ staat het verzoek om ontslag centraal, de beslissing is op verzoek van patiënt. Dat zou volgens de procureur generaal liggen bij een beslissing intrekken verlof en intrekken voorwaardelijk ontslag. Het verschil is dat de geneesheer directeur eigener beweging een besluit neemt. In overweging 3.23 schrijft de procureur generaal dat uit de plaatsing in hoofdstuk 4 afgelezen kan worden dat ook bij procedures ex artikel 46 en 47 BOPZ de wetgever een volledige beoordeling voorstaat.
Verzoekster is van mening dat ook bij besluiten ex artikel 46 en 47 BOPZ niet de beslissing van de geneesheer directeur voorgelegd wordt aan de rechter, maar het besluit tot intrekking. Dit blijkt ook uit de bewoordingen van de wet die stelt dat er een mogelijkheid is ‘te verzoeken de beslissing van de rechter te vorderen’ (artikel 46 lid 2). Verzoekster deelt de mening van de procureur generaal dat uit de plaatsing in hoofdstuk 4 blijkt dat de wetgever een volledige beoordeling heeft voorgestaan.
3c. Inhoud rechtelijke beslissing, samenvatting.
Zowel bij een grammaticale, eest systematische als een historische uitleg van de wet komt verzoekster tot de conclusie dat de wetgever een volledige beoordeling heeft voorgestaan bij de regeling van de procedure ex artikel 47 BOPZ.
De rechtbank dient bij het opmaken van haar oordeel de criteria te hanteren zoals deze zijn vermeld in 46 lid 1BOPZ met inachtneming van de algemene regels van de Algemene Wet Bestuursrecht. Verzoekster sluit daarbij tevens aan bij de opvattingen van de procureur generaal zoals blijkt uit de conclusie bij het arrest van uw Raad d.d. 19 december 2003.
4. Verloop van de behandeling tot aan 4 december:
Het voorwaardelijk ontslag is verleend om reden dat er intramuraal geen zinvolle behandeling verleend kon worden. Het voorwaardelijk ontslag van mevrouw [naam] is ingetrokken om redenen dat er een toename van het gevaar zichtbaar is geworden. De toename van het gevaar blijkt uit het feit dat zij niet langer bereid was behandeling en begeleiding door het ambulant team te aanvaarden en de berichten van overlast naar de buren. Op basis van deze informatie hem verstrekt door de toezichthoudende persoon (ex artikel 46 lid 1 BOPZ voorlaatste volzin) heeft de geneesheer directeur besloten het voorwaardelijk ontslag in te trekken. Hij heeft dit besluit schriftelijk kenbaar gemaakt aan mevrouw [naam] middels het (doen) uitreiken van het schrijven d.d. 01-10-04 aan haar; de betreffende brief wordt als aanvullend processtuk in het geding gebracht.
WESHALVE de stichting Mentrum persisteert bij het ingestelde beroep.
's‑Gravenhage, 14 april 2004.
Advocaat