HR, 24-06-2005, nr. C04/224HR (1411)
ECLI:NL:HR:2005:AT2656
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
24-06-2005
- Zaaknummer
C04/224HR (1411)
- LJN
AT2656
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Onteigeningsrecht
Burgerlijk procesrecht (V)
Ruimtelijk bestuursrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2005:AT2656, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 24‑06‑2005
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2005:AT2656
ECLI:NL:HR:2005:AT2656, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 24‑06‑2005; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2005:AT2656
- Wetingang
- Vindplaatsen
NJ 2006, 240 met annotatie van P.C.E. van Wijmen
NJ 2006, 240 met annotatie van P.C.E. van Wijmen
Conclusie 24‑06‑2005
Inhoudsindicatie
24 juni 2005 Eerste Kamer Nr. C04/224HR (1411) JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. J.A.M.A. Sluysmans, t e g e n DE GEMEENTE SITTARD-GELEEN, gevestigd te Sittard-Geleen, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. M.E. Gelpke. 1. Het geding in feitelijke instantie...
Nr. 1411HR
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Zitting: 21 januari 2005 (onteigening)
Conclusie inzake:
[eiser]
tegen
de Gemeente Sittard-Geleen
Het gaat in deze onteigeningszaak uitsluitend over de ontvankelijkheid van verweerster in cassatie, de gemeente Sittard-Geleen, in haar in eerste aanleg ingestelde vordering tot vervroegde onteigening van een aantal percelen.
1. Feiten(1) en procesverloop
1.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:
a. Bij besluit van de Raad van de toenmalige gemeente Geleen (thans: gemeente Sittard-Geleen) van 9 november 2000, goedgekeurd bij Koninklijk Besluit van 22 juni 2001 en openbaar gemaakt in de Nederlandse Staatscourant nummer 131 van 11 juli 2001, is besloten tot onteigening van een aantal onroerende zaken, ten behoeve van de gefaseerde realisering van het bestemmingsplan "Middengebied".
b. Bij het raadsbesluit tot onteigening zijn onder andere ter onteigening aangewezen de percelen kadastraal bekend Gemeente Geleen, sectie [A], nummer [001] en sectie [A] of [B](2), nummer [003].
c. In voormeld Koninklijk Besluit zijn ten aanzien van het perceel met nummer [001] als eigenaren aangewezen [betrokkene 1] (1/3 eigendom), [betrokkene 2] (1/3 eigendom) en [betrokkene 3] (1/3 eigendom), en ten aanzien van het perceel met nummer [003] [betrokkene 1] (3/8 eigendom), [betrokkene 2] (1/4 eigendom) en [betrokkene 3] (3/8 eigendom).
d. [Betrokkene 1] is overleden op 23 juni 1997; [betrokkene 2] is overleden op 23 september 2000 en [betrokkene 3] is overleden op 12 maart 2001(3).
1.2 Bij inleidende dagvaarding van 19 juni 2003 heeft de gemeente Sittard-Geleen [betrokkene 4], [betrokkene 5], [eiser], [betrokkene 6] en [betrokkene 7] als gezamenlijke erfgenamen van [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] gedagvaard voor de rechtbank Maastricht en daarbij onder meer de vervroegde onteigening gevorderd van de onder 1.1 onder b bedoelde percelen.
1.3 [Betrokkene 4], [betrokkene 5], [eiser] en [betrokkene 6] hebben de vordering bestreden. Tegen [betrokkene 7] is verstek verleend.
1.4 [Betrokkene 5], [eiser] en [betrokkene 6] hebben primair het verweer gevoerd dat de gemeente niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de vordering in strijd met artikel 18 Onteigeningswet (hierna: Ow) aanhangig is gemaakt tegen hen als gezamenlijke erfgenamen van [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3]. Deze laatsten zijn de in de onteigeningstitel aangewezen gerechtigden. Nu zij zijn overleden had de gemeente volgens gedaagden conform artikel 20 Ow benoeming van een derde dienen te vragen.
1.5 De rechtbank heeft, voorzover thans van belang, bij vonnis van 31 maart 2004 het door [betrokkene 5], [eiser] en [betrokkene 6] gevoerde ontvankelijkheidsverweer verworpen en daarnaast onder meer de vervroegde onteigening uitgesproken ten name van en ten behoeve van de gemeente Sittard-Geleen van de onder 1.1 onder b genoemde percelen.
1.6 Op 14 april 2004(4) is ter griffie van de rechtbank Maastricht namens [eiser] en [betrokkene 6] verklaard beroep in cassatie in te stellen tegen het vonnis van de rechtbank van 31 maart 2004.
Deze verklaring is tijdig(5) bij exploot van 28 april 2004 ten verzoeke van eiser tot cassatie, [eiser], aan de gemeente Sittard-Geleen betekend, waarbij [eiser] tevens cassatie heeft ingesteld.
1.7 De gemeente Sittard-Geleen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1 [Eiser] heeft zijn middel, dat uit drie onderdelen bestaat, gericht tegen de rechtsoverwegingen 3.2 en 3.3 van het vonnis, waarin de rechtbank als volgt heeft geoordeeld:
"3.2 Zowel [betrokkene 5] als [eiser] en [betrokkene 6] hebben primair het verweer gevoerd dat de Gemeente niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de vordering aanhangig is gemaakt tegen hen als de gezamenlijke erfgenamen van [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3]. Deze laatsten zijn de in de onteigeningstitel aangewezen gerechtigden. Nu zij overleden zijn had door de Gemeente volgens gedaagden conform artikel 20 Ow benoeming van een derde dienen te worden gevraagd.
2.2 Volgens onderdeel 1 heeft de rechtbank aldus artikel 20, eerste lid, Ow geschonden, omdat het gevolg van het niet in acht nemen van dit voorschrift niet-ontvankelijkheid is, waarover de rechter, nu het hier om een zuiver procesrechtelijke bepaling gaat, tevens ambtshalve behoort te oordelen.
2.3 In mijn conclusie in de met de onderhavige zaak samenhangende zaak met nummer 1410 ben ik onder 2.3 tot en met 2.14 in een algemene beschouwing ingegaan op de van de bepalingen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering afwijkende bepalingen in de artikelen 18, eerste lid, en 20 Ow. Ik heb daarin aandacht besteed aan het bepaalde in artikel 18, eerste lid, Ow dat voorschrijft dat de onteigenende partij de bij koninklijk besluit (hierna: KB) aangewezen eigenaar dagvaardt. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 maart 1965(6) geoordeeld dat de rechter aan de hand van het overgelegde koninklijk besluit zal moeten nagaan of de dagvaarding overeenkomstig artikel 18 is gericht tot de eigenaar of mede-eigenaren, die op grond van artikel 14, eerste lid, onder 3º, Ow moeten worden aangewezen, dat in het stelsel van de Onteigeningswet het bepaalde in artikel 14, lid 1, onder 3º, in verbinding met artikel 18 Ow moet worden beschouwd als een opdracht aan de Kroon om er zoveel mogelijk voor te zorgen dat degenen die op grond van artikel 3 Ow als eigenaar worden beschouwd door de onteigenende partij in het geding zullen worden geroepen, en dat er dan naar de opzet van de Onteigeningswet in de procedure voor de rechter geen plaats is voor een onderzoek aangaande de vraag of de in het KB als eigenaar of mede-eigenaren van het goed aangewezen personen in de registers van het kadaster als zodanig staan vermeld, en of in het KB alle personen zijn aangewezen die in de kadastrale registers als mede-eigenaren staan vermeld.
2.4 Ik heb tevens beschreven dat in de literatuur wordt aangenomen dat het bepaalde in artikel 18, eerste lid, Ow imperatief is.
2.5 Ik ben daarna ingegaan op art. 20 Ow, dat, voorzover hier van belang, bepaalt dat indien de verweerder is overleden (lid 3) een derde moet worden benoemd (lid 1) en dat (de erfgenamen van) de verweerder desalniettemin gerechtigd zijn op de aan de door de rechter benoemde derde(7) uitgebrachte dagvaarding te verschijnen in welk geval de dagvaarding in dat geval wordt beschouwd als te zijn uitgebracht aan hen en het geding tegen hen wordt gevoerd (lid 2).
2.6 Uit de in mijn conclusie in de zaak 1410 weergegeven passages uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 20 Ow kan worden afgeleid dat de ratio van artikel 20 is te voorkomen dat de onteigeningsprocedure wordt vertraagd. Indien de onteigenende partij ervan op de hoogte is dat de in het KB aangewezen eigenaar is overleden, behoeft hij niet de erfgenamen van de overledene op te sporen, maar dient hij een derde te laten benoemen.
In de zaak 1410 was de gemeente Sittard-Geleen niet op de hoogte van het overlijden van de in het KB aangewezen eigenaar en dagvaardde zij - terecht - de in het KB aangewezen, overleden, eigenaar.
2.7 In de onderhavige zaak gaat het om de vraag of de gemeente, in de wetenschap dat de in het KB genoemde eigenaren allen zijn overleden, de gezamenlijke erfgenamen mag dagvaarden en wat aldus het gevolg is van het niet naleven van het voorschrift van artikel 20 Ow tot benoeming van een derde.
2.8 In de literatuur zijn daarover de volgende standpunten ingenomen(8).
Van Wijmen(9) is van mening dat de regeling in artikel 20 Ow imperatief is voorgeschreven, omdat de bepaling voorschrijft dat het geding wordt gevoerd. De onteigenende partij heeft te zorgen voor benoeming van een derde als de verweerder is overleden. Het niet in acht nemen van het voorschrift van artikel 20, eerste lid, Ow heeft z.i. niet-ontvankelijkheid tot gevolg, zelfs ambtshalve, aangezien het hier een zuiver procesrechtelijke bepaling betreft. Van Wijmen is voorts van mening dat nu het tweede lid de mogelijkheid opent dat de verweerder op de in de dagvaarding vermelde dag zelf verschijnt, ook al was de dagvaarding uitgebracht aan de derde, de erfgenamen op grond van het bepaalde in artikel 20, derde lid, diezelfde bevoegdheid van artikel 20, tweede lid, toekomt.
2.9 Van Mierlo(10) is eveneens van mening dat artikel 20, gelet op de tekst van de wet, een imperatief voorschrift behelst. Hij stelt dat de onteigenende partij heeft te zorgen voor de benoeming van een derde als de verweerder is overleden. Doet zij dit niet en dagvaardt zij op de gewone wijze als voorgeschreven in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dan zal zij niet-ontvankelijk zijn in de vordering. De erfgenamen van de overledene kunnen vervolgens de bevoegdheid van art. 20, tweede lid uitoefenen(11).
2.10 Volgens Wijting(12) werkt de regeling van art. 20 Ow met betrekking tot de benoeming van een derde ingeval van een overleden gerechtigde alleen zolang de procedure nog niet aanhangig is. Komt een gedaagde tijdens de onteigeningsprocedure te overlijden, dan kent de Ow geen bijzondere formele voorziening.
Wijting vindt de benoeming van een derde indien de verweerder blijkt te zijn overleden een waardevolle regel voor het onteigeningsproces, mede omdat de collectieve dagvaarding aan het sterfhuis uit art. 4, 6e Rv. oud aan een tamelijk korte termijn is gebonden. Ook in het geval de onteigenende partij te maken krijgt met een onbeheerde nalatenschap, biedt de regeling van de benoeming van een derde uitkomst.
2.11 Den Drijver-van Rijckevorsel en Van Engen gaan eveneens uit van een verplichting een derde te benoemen indien de in de onteigeningstitel aangewezen gerechtigde is overleden. Zij stellen evenwel, zonder enige nadere motivering overigens en m.i. ten onrechte (zie onder 2.3), dat de onteigenende partij zal moeten nagaan of deze aangewezene inmiddels is overleden. De eigenlijke gerechtigden, bijvoorbeeld de erfgenamen, kunnen op de dienende dag opkomen en de zaak van de derde overnemen(13).
2.12 Ik meen dat de in de literatuur verdedigde opvatting dat de in artikel 18, eerste lid, Ow en artikel 20, eerste lid, Ow opgenomen voorschriften dwingende bepalingen zijn die op straffe van niet-ontvankelijkheid zijn voorgeschreven, juist is in het licht van de parlementaire geschiedenis van de Onteigeningswet en de rechtspraak van de Hoge Raad.
2.13 Allereerst brengt de aard van de onteigeningsprocedure mee dat de procedure zo snel als mogelijk moet verlopen en niet moet worden vertraagd. De wetgever heeft om die reden bij de totstandkoming van de wet bewust gekozen voor van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering afwijkende bepalingen. De ratio van de art. 18 en 20 Ow is dat de onteigenende partij geen tijd behoeft te verdoen met het opsporen van de eigenaar of de erfgenamen van de overledene. Ook het belang van de onteigende partij is voldoende gewaarborgd, nu deze of diens erfgenamen blijkens het tweede lid op de dienende dag het geding kunnen overnemen.
Deze opvatting vindt voorts bevestiging in de tekst van artikel 20, eerste lid, Ow dat voorschrijft dat het geding wordt gevoerd tegen een derde.
In de derde plaats kan worden gewezen op het hiervoor vermelde arrest van de Hoge Raad van 17 maart 1965, NJ 1965, 278 waaruit mijns inziens kan worden afgeleid dat de rechter het voorschrift van artikel 18, eerste lid, Ow ambtshalve moet toetsen en dus dient na te gaan of de dagvaarding is gericht tot de eigenaar of mede-eigenaren die door het KB worden aangewezen.
2.14 De gemeente Sittard-Geleen heeft in strijd met het bepaalde in artikel 18, eerste lid, Ow de erfgenamen van de bij Koninklijk Besluit van 22 juni 2001 aangewezen eigenaren gedagvaard en geen derde als bedoeld in artikel 20, eerste lid, Ow doen benoemen.
Onderdeel 1 van het middel slaagt mitsdien.
2.15 Aangevoerd zou nog kunnen worden dat de onteigeningsprocedure in dit geval nu juist wordt vertraagd. De gemeente zal, indien nog geen minnelijke regeling is bereikt, immers de procedure opnieuw moeten opstarten en een derde moeten laten benoemen, waarna de erfgenamen - indien zij op één lijn zouden zitten - het geding zouden kunnen overnemen. Per saldo is dan dezelfde situatie bereikt.
Ik meen echter dat aan de formele voorschriften van de Onteigeningswet, waarop drie van de vijf erfgenamen in eerste aanleg een beroep hebben gedaan, de hand moet worden gehouden.
2.16 De onderdelen 2 en 3 van het middel zijn voorwaardelijk voorgesteld voor het geval onderdeel 1 niet slaagt. Nu dit niet het geval is behoeven deze onderdelen geen bespreking meer.
2.17 De Hoge Raad kan de zaak m.i. zelf afdoen als na te melden.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot niet-ontvankelijkverklaring van de gemeente Sittard-Geleen in haar in eerste aanleg ingestelde vorderingen.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 De rechtbank heeft geen feiten vastgesteld.
2 De gemeente spreekt steeds over sectie [A]. In de bij de inleidende dagvaarding gevoegde productie, alsmede in de conclusie van antwoord staat sectie [B] vermeld. De rechtbank vermeldt weer sectie [A].
3 Zie de productie bij de inleidende dagvaarding.
6 HR 17 maart 1965, NJ 1965, 278.
7 Zie voor een beschrijving van de positie van de derde de bijdrage van H.J.M. van Mierlo, "The third man", in de aan P.C.E. van Wijmen aangeboden bundel "Natuurlijk van belang", Kluwer 2003, pag. 69-78.
8 W. Thorbecke, Stelsel en toepassing der onteigeningswet, Gouda Quint Arnhem, 1880, p. 139 was (let wel: vóór de invoering van art. 20 lid 3) van mening dat de in het KB aangewezen eigenaar moet worden gedagvaard, ook indien deze is overleden.
9 W.J.I. van Wijmen, Het onteigeningsproces (1945), p. 74-75 en 79-80.
10 H.J.M. van Mierlo, Onteigening, eigendomsbeperking en kostenverhaal, Hoofdstuk III, par. 53.
11 Van Mierlo, a.w., Hoofdstuk III, par. 49.
12 W. Wijting, Een studie tot hervorming van het onteigeningsprocesrecht, Zwolle 1984, p. 121.
13 J.E.F.M. den Drijver-van Rijckevorsel en A.W. van Engen, Onteigening, Recht en Praktijk 22, derde druk, Deventer 2003, p. 44, par. 3.8.
Uitspraak 24‑06‑2005
Inhoudsindicatie
24 juni 2005 Eerste Kamer Nr. C04/224HR (1411) JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. J.A.M.A. Sluysmans, t e g e n DE GEMEENTE SITTARD-GELEEN, gevestigd te Sittard-Geleen, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. M.E. Gelpke. 1. Het geding in feitelijke instantie...
24 juni 2005
Eerste Kamer
Nr. C04/224HR (1411)
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. J.A.M.A. Sluysmans,
t e g e n
DE GEMEENTE SITTARD-GELEEN,
gevestigd te Sittard-Geleen,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. M.E. Gelpke.
1. Het geding in feitelijke instantie
Verweerster in cassatie - verder te noemen: de Gemeente - heeft bij exploot van 19 juni 2003 onder meer eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - en vier andere erfgenamen van [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] gedagvaard voor de rechtbank te Maastricht en gevorderd, samengevat weergegeven, bij vonnis vervroegd uit te spreken ten name van de Gemeente, in het belang van de ruimtelijke ordening en volkshuisvesting, de onteigening van de percelen kadastraal bekend Gemeente Geleen, sectie [A], nummer [001], groot 15 are en 40 centiare, grondplannummer [002], en gemeente Geleen, sectie [A] nummer [003], groot 0 are en 75 centiare, grondplannummer [004], en bij afzonderlijk vonnis vast te stellen de aan [eiser] en voornoemde erfgenamen uit te keren schadeloosstelling.
[Eiser] heeft primair gevorderd de Gemeente niet-ontvankelijk te verklaren, en subsidiair geconcludeerd tot referte.
Bij vonnis van 31 maart 2004 heeft de rechtbank vervroegd de gevorderde onteigening van voormelde percelen uitgesproken, het voorschot op de schadeloosstelling vastgesteld en drie deskundigen en een rechter-commissaris benoemd.
Het vonnis is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van de rechtbank heeft alleen [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot niet-ontvankelijkverklaring van de Gemeente in haar in eerste aanleg ingestelde vorderingen.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 4 februari 2005 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Bij besluit van de Raad van de toenmalige gemeente Geleen (thans: gemeente Sittard-Geleen) van 9 november 2000, goedgekeurd bij Koninklijk Besluit van 22 juni 2001 en openbaar gemaakt in de Nederlandse Staatscourant nummer 131 van 11 juli 2001, is besloten tot onteigening van een aantal onroerende zaken, ten behoeve van de gefaseerde realisering van het bestemmingsplan "Middengebied".
(ii) Bij het raadsbesluit tot onteigening zijn onder andere ter onteigening aangewezen de percelen kadastraal bekend Gemeente Geleen, sectie [A], nummer [001] en sectie [A] of [B], nummer [003].
(iii) In voormeld Koninklijk Besluit zijn ten aanzien van het perceel met nummer [001] als eigenaren aangewezen [betrokkene 1] (1/3 eigendom), [betrokkene 2] (1/3 eigendom) en [betrokkene 3] (1/3 eigendom), en ten aanzien van het perceel met nummer [003] [betrokkene 1] (3/8 eigendom), [betrokkene 2] (1/4 eigendom) en [betrokkene 3] (3/8 eigendom).
(iv) [betrokkene 1] is overleden op 23 juni 1997; [betrokkene 2] is overleden op 23 september 2000 en [betrokkene 3] is overleden op 12 maart 2001.
3.2 In dit geding heeft de gemeente [betrokkene 4], [betrokkene 5], [eiser], [betrokkene 6] en [betrokkene 7] als gezamenlijke erfgenamen van [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] gedagvaard en onder meer de vervroegde onteigening gevorderd van de hiervoor in 3.1 onder (ii) bedoelde percelen. [betrokkene 4], [betrokkene 5], [eiser] en [betrokkene 6] hebben de vordering bestreden. Tegen [betrokkene 7] is verstek verleend.
[Betrokkene 5], [eiser] en [betrokkene 6] hebben primair het verweer gevoerd dat de gemeente niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat de vordering in strijd met art. 18 Ow. aanhangig is gemaakt tegen hen als gezamenlijke erfgenamen van [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3]. Deze laatsten zijn de in de onteigeningstitel aangewezen gerechtigden. Nu zij zijn overleden, had de gemeente conform art. 20 Ow. benoeming van een derde dienen te vragen.
De rechtbank heeft bij vonnis van 31 maart 2004 dit ontvankelijkheidsverweer verworpen op de grond dat [betrokkene 5], [eiser] en [betrokkene 6] naar aanleiding van de dagvaarding zijn verschenen (rov. 3.3), en de vervroegde onteigening uitgesproken ten behoeve van de gemeente van de voornoemde percelen.
3.3 Onderdeel 1 van het tegen dit vonnis gerichte middel betoogt dat de rechtbank, het ontvankelijkheidsverweer verwerpend, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omdat het gevolg van niet-inachtneming van art. 20 lid 1 Ow. niet-ontvankelijkheid is, die de rechter zonodig ambtshalve dient uit te spreken.
3.4 Art. 20 Ow. moet worden bezien in samenhang met het bepaalde in art. 18 Ow., dat voorschrijft dat het onteigeningsgeding wordt gevoerd tegen de bij koninklijk besluit aangewezen eigenaar. Dat voorschrift beoogt ten behoeve van een snel en efficiënt verloop van het onteigeningsgeding te voorkomen dat de rechter zich moet begeven in een onderzoek naar de vraag of de in het koninklijk besluit aangewezen eigenaar ook ten tijde van de dagvaarding nog de werkelijke eigenaar van de te onteigenen onroerende zaak is en dat de rechter een beslissing dienaangaande zou moeten geven indien daarover een geschil bestaat.
3.5 Art. 20 Ow. strekte oorspronkelijk uitsluitend ertoe een oplossing te bieden voor het geval de in het koninklijk besluit aangewezen eigenaar niet in het Koninkrijk woont of geen bekende woonplaats heeft en ook niet een in het Koninkrijk wonende gevolmachtigde of bewindvoerder heeft aangesteld. In dat geval zou de onteigening kunnen worden opgehouden door de langere termijn die bij de dagvaarding van de in het buitenland wonende verweerder in acht moet worden genomen. Om dit oponthoud te voorkomen werd voorzien in de mogelijkheid het onteigeningsgeding te voeren tegen een door de rechtbank benoemde derde. Blijkens de wetsgeschiedenis strekt ook deze bepaling derhalve ertoe het algemeen belang van een snelle en efficiënte onteigening en daarmee in zoverre ook het belang van de onteigenende partij te dienen. Dit volgt uit de algemene opmerkingen in de memorie van toelichting op de Onteigeningswet:
"De omslagtige vormen, aan welke men bij den burgerlijken regter gebonden is, en het daardoor ontstaande verwijl, zouden eenen anderen weg verkiesselijk maken, indien hij te vinden ware. Spoed toch is het beginsel hetgeen dit geheele onderwerp beheerscht en beheerschen moet. Dit is het dadelijk gevolg van de voorwaarde, het aanwezen van algemeen nut. Geen wetgever, geene regering mag gedoogen, dat worde uitgesteld hetgeen ten algemeenen nutte kan worden gedaan. Zoodra het plan tot rijpheid is gekomen en de middelen ter uitvoering voorhanden zijn, mag de uitvoering vooral niet door bijzondere inzigten of belangen worden vertraagd."
alsook:
"Het belang der onteigenende partij en dat van het publiek brengt mede, dat men met de onteigening spoed make (...)."(beide citaten ontleend aan bijlagen Handelingen II 1850/51, blz. 290.)
3.6 Aan het belang van de bij het koninklijk besluit aangewezen eigenaar om in het onteigeningsgeding te verschijnen, werd klaarblijkelijk minder gewicht toegekend dan aan het belang van een voorspoedig verloop van het onteigeningsgeding:
"Ik moet hierbij doen opmerken dat de bepaling van de eerste alinea van art. 20, ten gevolge waarvan de regtbank een persoon zal kunnen benoemen in het belang van den afwezigen, voor dezen eene groote gunst is. De wet behoeft zoo ver niet te gaan, de wet behoeft niet voor hem te zorgen. Hij weet dat de onteigening zijn eigendom kan treffen. Waarom heeft hij er zelf niet voor gezorgd, waarom heeft hij niet zelf een gemachtigde of bewindvoerder benoemd? Heeft hij dit nagelaten dan is het een voorregt, dat hem door de wet is toegekend, indien de regtbank wordt geautoriseerd voor hem iemand te benoemen, die zijne belangen zal waarnemen." (bijlagen Handelingen II, 1850/51, blz. 1204)
3.7 In 1920 is de benoeming van een derde ook voorgeschreven voor het geval de bij het koninklijk besluit aangewezen eigenaar is overleden. In een dergelijk geval kan de bij het koninklijk besluit aangewezen eigenaar geen verwijt ervan worden gemaakt dat hij geen voorziening heeft getroffen met het oog op een mogelijke onteigening. Daardoor is in dit soort gevallen een zwaarder accent komen te liggen op de tweede functie van de benoeming van een derde: de behartiging van de belangen van de bij het koninklijk besluit aangewezen maar afwezige, dan wel inmiddels overleden eigenaar. Tegelijkertijd is daarmee echter ook het belang van de primaire functie van art. 18 Ow. toegenomen, namelijk het voorkomen van oponthoud in het onteigeningsgeding doordat de rechter zou worden genoopt een beslissing te geven omtrent de vraag wie krachtens erfopvolging gerechtigd is tot de te onteigenen onroerende zaak. Daarbij is te bedenken dat niet alleen het onderzoek naar deze vraag tijdrovend kan zijn, maar ook dat, indien verscheidene erfgenamen tot de nalatenschap gerechtigd zijn, complicaties kunnen rijzen wanneer zij het onderling niet eens zijn. Door het voorschrift van art. 18 Ow. dat de in het koninklijk besluit aangewezen eigenaar moet worden gedagvaard en het voorschrift van art. 20 Ow. dat de belangen van de gezamenlijke erfgenamen worden behartigd door een door de rechtbank te benoemen derde, wordt derhalve ook in dit soort gevallen een snelle en efficiënte onteigening gewaarborgd.
3.8 Onderdeel 1 is dus gegrond. De onderdelen 2 en 3 behoeven geen behandeling. Het bestreden vonnis kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen door de Gemeente alsnog in haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het vonnis van de rechtbank te Maastricht van 31 maart 2004;
verklaart de Gemeente niet-ontvankelijk in haar vordering;
veroordeelt de Gemeente in de kosten van de procedure, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot:
- in eerste aanleg op € 458,33;
- in cassatie op € 452,96 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren D.H. Beukenhorst, P.C. Kop, W.A.M. van Schendel en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 24 juni 2005.