NJB 2007, 432
HR, 02-02-2007, nr. R06/128HR
HR 02-02-2007, ECLI:NL:PHR:2007:AZ1113
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
2 februari 2007
- Magistraten
Mrs. J.B. Fleers, O. de Savornin Lohman, A.M.J. van Buchem-Spapens, J.C. van Oven en F.B. Bakels
- Zaaknummer
R06/128HR
- Conclusie
A-G F.F. Langemeijer
- LJN
AZ1113
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Gezondheidsrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2007:AZ1113, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 02‑02‑2007
ECLI:NL:PHR:2007:AZ1113, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 02‑02‑2007
Beroepschrift, Hoge Raad, 25‑09‑2006
- Wetingang
Essentie
Wet Bopz. Uitgangspunt moet zijn dat de bijzondere voorwaarde bij het verlenen van een voorwaardelijke machtiging moet voldoen aan de in art. 14a lid 7 Wet Bopz gestelde eisen en dat dit derhalve in de formulering ervan tot uitdrukking moet komen. Dit betekent niet dat slechts voorwaarden kunnen worden opgelegd die een specifieke, exacte en zonder meer door de betrokkene naleefbare regel inhouden. De strekking van de regeling van de voorwaardelijke machtiging, te weten het vermijden van gedwongen opname door behandeling buiten de inrichting met medewerking van de betrokkene, brengt mee dat, voorzover de situatie waarin ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.