NJB 2007, 491
HR, 09-02-2007, nr. R06/175HR
HR 09-02-2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ5835
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
9 februari 2007
- Zaaknummer
R06/175HR
- LJN
AZ5835
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Gezondheidsrecht (V)
Juridische beroepen / Rechter
Staatsrecht / Rechtspraak
- Brondocumenten
ECLI:NL:PHR:2007:AZ5835, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 09‑02‑2007
ECLI:NL:HR:2007:AZ5835, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 09‑02‑2007
- Wetingang
RO art. 81
Essentie
BOPZ. Rechtbank verleent een voorwaardelijke machtiging met een standaardformulering.
Uitspraak
A‑G mr. F.F. Langemeijer concludeert tot verwerping. Hij overweegt dat de aard en ernst van het gevreesde gevaar als bedoeld in art. 1 lid 1 Wet Bopz in feitelijke aanleg niet of nauwelijks tot discussie hebben geleid en kennelijk duidelijk zijn gevonden. Gelet op de stukken is dat niet onbegrijpelijk. Er is geen verweer gevoerd dat de rechtbank noopte haar oordeel nader te motiveren. De rechtbank heeft uit de verklaringen van betrokkene ter zitting mogen afleiden dat zij kon instemmen met de te stellen voorwaarden. ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.