NJB 2007, 898
HR, 06-04-2007, nr. R06/101HR
HR 06-04-2007, ECLI:NL:PHR:2007:AZ6646
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
6 april 2007
- Magistraten
Mrs. E.J. Numann, A. Hammerstein, J.C. van Oven, F.B. Bakels en W.D.H. Asser
- Zaaknummer
R06/101HR
- Conclusie
A-G E.M. Wesseling-van Gent
- LJN
AZ6646
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Personen- en familierecht / Familieprocesrecht
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2007:AZ6646, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 06‑04‑2007
ECLI:NL:PHR:2007:AZ6646, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 06‑04‑2007
Beroepschrift, Hoge Raad, 03‑08‑2006
- Wetingang
BW art. 1:250; BW art. 1:327 onder b; BW art. 1:328; BW art. 1:329; Rv art. 810
Essentie
Ontzetting uit de tijdelijke voogdij. Belang bij cassatieberoep. Nu het door de kantonrechter gelaste onderzoek al heeft plaatsgevonden en is uitgemond in een rapport dat niet heeft geleid tot enig verzoek tot de ontzetting van het LJ&R uit de tijdelijke voogdij, heeft het LJ&R geen belang meer bij zijn cassatieberoep, zodat hij daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Eindbeschikking. Een ambtshalve genomen beschikking, waarin de kantonrechter de raad voor de kinderbescherming gelast een onderzoek in te stellen en waarbij geen enkele (verdere) beslissing is aangehouden, moet als een eindbeschikking worden aangemerkt. Bevoegdheid kantonrechter. De kantonrechter is niet bevoegd om ambtshalve ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.