Zie rov. 1–3 van de bestreden beschikking.
HR, 13-04-2007, nr. R06/149HR
ECLI:NL:HR:2007:AZ8175
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
13-04-2007
- Zaaknummer
R06/149HR
- Conclusie
Mr. F.F. Langemeijer
- LJN
AZ8175
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2007:AZ8175, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 13‑04‑2007; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2007:AZ8175
ECLI:NL:PHR:2007:AZ8175, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 09‑02‑2007
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:AZ8175
Beroepschrift, Hoge Raad, 03‑11‑2006
- Wetingang
art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
- Vindplaatsen
Uitspraak 13‑04‑2007
Inhoudsindicatie
Familierecht. Geschil tussen voormalige echtelieden over partneralimentatie (81 RO).
13 april 2007
Eerste Kamer
Rek.nr. R06/149HR
MK/AT
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. P.C.M. van Schijndel.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 31 maart 2003 ter griffie van de rechtbank Leeuwarden ingediend verzoekschrift heeft verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - zich gewend tot die rechtbank en verzocht de beschikking van de rechtbank Arnhem van 22 april 1997 te wijzigen en aan verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - ten behoeve van de vrouw een alimentatiebijdrage op te leggen van € 3.000,-- per maand, met ingang van 28 maart 1998.
De man heeft het verzoek bestreden.
De rechtbank heeft bij beschikking van 28 januari 2004 het verzoek van de vrouw voor zover dit betrekking heeft op de periode tot 31 maart 2003 afgewezen, en de zaak voor het overige verwezen naar de rol om door te procederen. De rechtbank heeft, na een tussenbeschikking van 12 mei 2004, bij eindbeschikking van 24 november 2004 de beschikking van de rechtbank Arnhem van 22 april 1997 aldus gewijzigd, dat de daarbij aan de man opgelegde bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 31 maart 2003 wordt gesteld op een bedrag van € 1.942,-- per maand.
Tegen deze eindbeschikking heeft de man hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden. De vrouw heeft tegen de beschikking van 28 januari 2004 en de eindbeschikking incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij beschikking van 4 augustus 2006 heeft het hof de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in het incidenteel beroep tegen de beschikking van 28 januari 2004 en tegen de beschikking van 24 november 2004 voorzover het incidenteel beroep betrekking heeft op het verzoek van de vrouw tot vaststelling van de partneralimentatie voor wat betreft de periode tot 31 maart 2003, de beschikking van 24 november 2004 voor het overige vernietigd, en in zoverre opnieuw beslissende, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van 31 maart 2003 op € 966,-- per maand bepaald.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren P.C. Kop, als voorzitter, F.B. Bakels en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 13 april 2007.
Conclusie 09‑02‑2007
Mr. F.F. Langemeijer
Partij(en)
Conclusie inzake:
[de vrouw]
tegen
[de man]
In deze alimentatiezaak komt de problematiek van het deelvonnis, in casu: de deelbeschikking, aan de orde. Daarnaast wordt de beslissing bestreden met motiveringsklachten.
1. De feiten en het procesverloop
1.1
In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende1.:
1.1.1
Verzoekster tot cassatie (hierna: de vrouw) en verweerder in cassatie (de man) zijn met elkaar gehuwd op 12 juni 1987. Uit het huwelijk zijn twee kinderen geboren, respectievelijk op [geboortedatum] 1988 en [geboortedatum] 1990.
1.1.2
Bij beschikking van de rechtbank te Leeuwarden van 20 januari 1994 is de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 20 april 1994 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
1.1.3
Met wijziging van een alimentatiebeschikking van de rechtbank te Leeuwarden, heeft de rechtbank te Arnhem bij beschikking van 22 april 1997 de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 oktober 1996 vastgesteld op f 100,- per maand.
1.2
Bij inleidend verzoekschrift d.d. 28 maart 2003, ingekomen 31 maart 2003, heeft de vrouw aan de rechtbank te Leeuwarden verzocht de bovengenoemde beschikking van de rechtbank te Arnhem te wijzigen en de bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van 28 maart 1998, dus met terugwerkende kracht, te bepalen op € 3.000,- per maand. Aan dit verzoek heeft zij, onder meer, ten grondslag gelegd dat de rechtbank te Arnhem in de beschikking van 22 april 1997 ervan is uitgegaan dat de man geen betaald werk had. Inmiddels heeft de man een betrekking aanvaard, maar hij is niet bereid gebleken inzicht te geven in zijn inkomsten uit arbeid.
1.3
De man heeft verweer gevoerd ten aanzien van de behoefte van de vrouw, ten aanzien van zijn draagkracht en ten aanzien van de verzochte ingangsdatum. Bij beschikking van 28 januari 2004 heeft de rechtbank te Leeuwarden overwogen dat het verzoek van de vrouw om 28 maart 1998 aan te merken als ingangsdatum voor de wijziging van alimentatie niet toewijsbaar is, nu dit in strijd komt met de rechtszekerheid. Voor zover wijziging van de alimentatie in de rede ligt, zal de datum van indiening van het verzoekschrift (31 maart 2003) worden aangemerkt als de ingangsdatum. In het dictum heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw uitdrukkelijk afgewezen voor zover het betrekking heeft op de periode tot 31 maart 2003. De rechtbank heeft hieraan toegevoegd:
‘bepaalt dat hoger beroep van voormelde beslissing kan worden ingesteld tegelijk met de eindbeslissing in deze procedure.’
1.4
Met betrekking tot het tijdvak na 31 maart 2003 heeft de rechtbank reden gezien voor een nieuwe mondelinge behandeling. Na een tweede tussenbeschikking, gedateerd 12 mei 2004, heeft de rechtbank bij beschikking van 24 november 2004 de beschikking van 22 april 1997 gewijzigd en de door de man verschuldigde bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 31 maart 2003 vastgesteld op € 1.942,- per maand.
1.5
De man heeft tegen deze laatste beschikking hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Leeuwarden. De vrouw heeft op 21 februari 2005 incidenteel hoger beroep ingesteld tegen deze laatste beschikking en tegen die van 28 januari 2004. Bij beschikking van 4 augustus 2006 heeft het hof:
- a.
de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar incidenteel hoger beroep tegen de beschikking van 28 januari 2004 en tegen de beschikking van 24 november 2004 voor zover het hoger beroep betrekking heeft op de beslissing op het verzoek van de vrouw tot wijziging van de partneralimentatie voor de periode tot 31 maart 2003;
- b.
de beschikking van 24 november 2004 voor het overige vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de bijdrage van de man in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 31 maart 2003 vastgesteld op € 966,- per maand.
1.6
Namens de vrouw is — tijdig — beroep in cassatie ingesteld. Namens de man is het cassatieberoep tegengesproken.
2. Bespreking van de cassatiemiddelen
2.1
Middel I klaagt over het tijdstip waarop het hof uitspraak heeft gedaan. Het wijst erop, dat de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 23 juni 2005 en dat, blijkens het proces-verbaal van die zitting, aan partijen is medegedeeld dat het hof op 7 september 2005 uitspraak zou doen, met de kanttekening dat sprake was van achterstanden. Deze datum is overschreden. Het middel verwijt het hof onvoldoende klantgerichtheid en klaagt dat niet blijkt van een kennisgeving van de zijde van het hof aan partijen omtrent een nadere uitspraakdatum.
2.2
De klacht kan niet tot cassatie leiden. Art. 286 Rv schrijft voor dat de rechter in verzoekschriftprocedures na afloop van de mondelinge behandeling de dag bepaalt waarop hij uitspraak zal doen en deze datum mededeelt aan de verzoeker en de verschenen belanghebbenden. De rechter kan, indien daartoe redenen zijn, de uitspraakdatum verzetten. Het systeem van art. 286 Rv brengt mee dat in dat geval aan partijen mededeling moet worden gedaan van de nieuwe uitspraakdatum2.. Indien dit laatste niet is geschied — uit de door partijen overgelegde procesdossiers blijkt dit niet —, is dat weliswaar onjuist, maar nog geen reden tot vernietiging van de desbetreffende uitspraak. Mededeling van de uitspraakdatum is niet op straffe van nietigheid voorgeschreven en het uitblijven van deze mededeling tast de inhoud van de beslissing niet aan. Voor zover de toelichting op het middel (‘De grens van de afdoening binnen een redelijke termijn lijkt aldus overschreden’) doelt op een schending van art. 6 lid 1 EVRM, is een vernietiging van de bestreden beschikking evenmin te beschouwen als een passende sanctie. Zij zou, integendeel, ertoe leiden dat een definitieve vaststelling van de burgerlijke rechten van partijen nog langer op zich laat wachten3..
2.3
Middel II is gericht tegen rov. 11, waarin het hof overwoog dat de vrouw niet ontvankelijk is in haar hoger beroep tegen de beschikking van 28 januari 2004 met betrekking tot de beslissing over de alimentatie in het tijdvak vóór 31 maart 2003. Waar de rechtbank de bevoegdheid heeft om tussentijds hoger beroep uit te sluiten moet, aldus het middel, worden aangenomen dat zij ook de bevoegdheid heeft om te bepalen dat het hoger beroep tegen deze beschikking eerst kan worden ingesteld tegelijk met het beroep tegen de eindbeschikking (alinea's 5.4–5.5). Aan het slot (alinea's 5.7–5.8) is het middel mede gericht tegen rov. 13, waarin het hof constateerde dat overigens geen bezwaren zijn ingebracht tegen de in de beschikking van 24 november 2004 gehanteerde ingangsdatum.
2.4
Met betrekking tot de beslissing over het verzoek tot wijziging van alimentatie over het tijdvak tot 31 maart 2003 is de beschikking van 28 januari 2004 aan te merken als een eindbeschikking. Door in een uitdrukkelijk dictum dit gedeelte van het verzoek af te wijzen heeft de rechtbank in zoverre een eind aan het geding gemaakt4.. Ingevolge het bepaalde in art. 358 lid 2 Rv had een eventueel hoger beroep tegen die beslissing moeten worden ingesteld binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak. Dat is niet gebeurd.
2.5
Ik wil veronderstellenderwijs aannemen dat de vrouw op het verkeerde been is gezet doordat de rechtbank in de beschikking van 28 januari 2004 heeft bepaald dat hoger beroep van voormelde beslissing kan worden ingesteld tegelijk met de eindbeslissing in deze procedure. De rechtbank was evenwel niet bevoegd de wettelijke beroepstermijn opzij te zetten of de datum van ingang van die termijn te wijzigen. Indien de vrouw hoger beroep had willen instellen, had zij deze bepaling in de beschikking van 28 januari 2004 moeten negeren en binnen drie maanden na de uitspraak hoger beroep moeten instellen. Ik realiseer mij dat deze uitkomst voor de betrokkene weinig bevredigend is wanneer sprake is van een onjuiste ‘Rechtsmittelbelehrung’ in het vonnis waarvan beroep. Echter, vergelijkbare problemen zijn al eens eerder in de rechtspraak aan de orde geweest.
2.6
In het tot 1 januari 2002 geldende burgerlijk procesrecht gold de regel dat van een tussenvonnis hoger beroep kon worden ingesteld vóór het eindvonnis, tenzij de rechter had bepaald dat hoger beroep slechts kon worden ingesteld tegelijk met het beroep tegen het eindvonnis. Indien sprake was van een zgn. deelvonnis — d.w.z. een vonnis waarin door een uitdrukkelijk dictum voor een gedeelte van de vordering een eind aan het geding is gemaakt — kon de rechter niet uitsluiten dat tegen die beslissing hoger beroep werd ingesteld vóór het eindvonnis. Bepaalde de rechter abusievelijk toch in het (deel-)vonnis dat hoger beroep was uitgesloten vóór het eindvonnis, dan diende een partij die hoger beroep wenste in te stellen deze uitsluiting te negeren5.. In het huidige procesrecht is de regel omgekeerd: van tussenvonnissen, die niet inhouden het treffen of weigeren van een voorlopige voorziening, kan hoger beroep slechts tegelijk met dat van het eindvonnis worden ingesteld, tenzij de rechter anders bepaalt (art. 337, lid 2, Rv). Eenzelfde bepaling bestond (art. 429n lid 3 (oud) Rv) en bestaat (art. 358 lid 4 Rv) met betrekking tot het hoger beroep van tussenbeschikkingen.
2.7
De rechtspraak over de problematiek van het deelvonnis onder het vroegere recht kan ook worden aangehouden onder het huidige procesrecht6.. Hieruit volgt m.i., dat het hof terecht de vrouw wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar hoger beroep tegen de beschikking van 28 januari 2004.
2.8
De redenering in het middel, dat de rechter de bevoegdheid heeft om tussentijds hoger beroep uit te sluiten, miskent dat die regel alleen onder het oude recht gold voor rolzaken. Overigens gaat de redenering in het middel hoe dan ook niet op, omdat de wettelijke regeling zowel onder het oude als onder het nieuwe recht verhindert dat de rechter zou kunnen bepalen dat hoger beroep kan worden ingesteld nadat de wettelijke appeltermijn is verstreken of de aanvangsdatum van de wettelijke appeltermijn zou kunnen verschuiven. De klacht faalt. In de beschikking van 24 november 2004 heeft de rechtbank slechts herhaald dat de verzochte wijziging van de alimentatie in het tijdvak vóór 31 maart 2003 niet meer aan de orde was. Daarom faalt ook de klacht in de alinea's 5.7 en 5.8 van het middel.
2.9
Middel III komt in alinea 6.2 op tegen rov. 21, waarin het hof, bij gebreke van nadere gegevens, voor wat betreft de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk is uitgegaan van een verondersteld inkomen van de man in 2003 (geïndexeerd) van f 5.326,- netto per maand. Na aftrek van kosten van de kinderen zou tijdens de laatste jaren van het huwelijk aldus een bedrag van f 3.260,- netto per maand ter beschikking van partijen hebben gestaan. Het hof heeft mede dit gegeven gebruikt bij de vaststelling van de behoefte van de vrouw aan levensonderhoud7.. Anders dan het middel veronderstelt, is deze overweging niet ‘rechtens onjuist’ — de klacht is niet nader bepaald dan met die woorden —, noch onbegrijpelijk. Het argument in het middel, dat de man van baan is veranderd, doet geen afbreuk aan 's hofs oordeel. Bij gebreke van nadere gegevens is het hof uitgegaan van een verondersteld inkomen van de man in die periode. Voor zover het middel in alinea 6.4 klaagt dat de vaststelling van de behoefte van de vrouw aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud doorwerkt in de rov. 26, 29, 47 en 48 en in de uiteindelijke alimentatiebeslissing, kan de klacht om dezelfde reden niet slagen.
2.10
In de alinea's 6.5 en 6.6 klaagt het middel dat het hof in rov. 37 ten onrechte, althans op onbegrijpelijke gronden, overweegt rekening te zullen houden met de volle woonlasten. Het hof, dat in rov. 38 vaststelt dat partijen niet erover van mening verschillen dat de man jaarlijks € 9.276,- aan hypotheekrente en € 191,- aan premie levensverzekering betaalt, heeft volgens het middel verzuimd rekening te houden met de mogelijkheid van fiscale aftrek van die lasten. Het middel vermeldt nog dat de vrouw in hoger beroep het hof had verzocht, rekening te houden met eventuele fiscale voordelen.
2.11
Uit de draagkrachtberekening in rov. 47 volgt dat het hof met de genoemde woonlasten rekening heeft gehouden. Het hof heeft deze in mindering gebracht op het belastbaar inkomen. Of bij de vaststelling van het belastbaar inkomen rekening is gehouden met een fiscale aftrek van woonlasten, kan uit de berekening niet zonder meer worden afgeleid. Hoe dan ook, de vaststelling van de draagkracht van de alimentatieplichtige en de behoeften van de alimentatiegerechtigde komt toe aan de rechter die over de feiten oordeelt. Zij kan in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. De motivering van de vaststelling van de draagkracht voldoet aan de eisen die aan deze categorie beslissingen worden gesteld. Middel III faalt.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 09‑02‑2007
Aldus ook de uniforme procesreglementen familierecht rechtbanken (te raadplegen via www.rechtspraak.nl). Het op 1 juli 2006 in werking getreden Uniform reglement van de gerechtshoven voor rekestprocedures in familiezaken bevat geen bepaling hierover.
Zie meer in het algemeen hierover: R.A. Lawson en K. Teuben, De redelijke termijn in het Nederlands burgerlijk procesrecht, in: E.M. Hoogervorst e.a. (red.), BW-krant jaarboek 20, 2004, blz. 153–189, par. 3.5.
Zie voor deze maatstaf onder meer: HR 31 januari 2003, NJ 2003, 657 m.nt. DA; HR 10 oktober 2003, NJ 2003, 709.
HR 7 december 1990, NJ 1992, 85 m.nt. HJS; HR 13 januari 1995, NJ 1995, 482; HR 8 juni 2001, NJ 2001, 434 (t.a.v. de vergelijkbare regel voor tussentijds cassatieberoep); HR 23 januari 2004, NJ 2005, 510, rov. 3.2, m.nt. DA onder nr. 511, ook gepubliceerd in JBPr 2004, 22, m.nt. HWW; Hof 's‑Hertogenbosch 19 juli 2005, JBPr 2006, 15 m.nt. HWW. Zie voorts: Burgerlijke Rechtsvordering, losbl., aant. 6 op art. 337 (K.E. Mollema); Snijders/Wendels, Civiel appel, 2003, blz. 85; Asser/Veegens-Korthals Altes-Groen, Cassatie in burgerlijke zaken, 2005, nr. 60.
Vgl. HR 10 oktober 2003, NJ 2003, 709, rov. 3.3.
Vgl. HR 19 december 2003, NJ 2004, 140; Asser-De Boer, 2006, nr. 622.
Beroepschrift 03‑11‑2006
Verzoekschrift tot cassatie inzake alimentatie;
toevoeging RvR Den Haag aangevraagd.
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Geeft eerbiedig te kennen:
[de vrouw], ten deze de verzoekster tot cassatie, wonende te [woonplaats], die voor deze zaak domicilie heeft gekozen te 2518 HL 's‑Gravenhage aan de Prins Hendrikstraat nr. 63 ten kantore van de aldaar gevestigde advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. P. Garretsen, die zich als zodanig stelt en dit verzoekschrift tot cassatie ondertekent en indient.
1
De vrouw kan zich niet verenigen met de beschikking d.d. 4 augustus 2006 door het Gerechtshof te Leeuwarden onder rekestnr. 04000474 gewezen tussen de vrouw als geïntimeerde in het principaal appel, tevens appellante in het incidenteel appel, en [de man], wonende te [postcode] [woonplaats] aan de [a-straat] nr. [1] als appellant in het principaal appel, tevens geïntimeerde in het incidenteel appel. De man heeft in de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep domicilie gekozen te (8911 BN) Leeuwarden aan het Zaailand nr. 100, ten kantore van de aldaar gevestigde advocaat en procureur mr. R.W. de Casseres, die zich als procureur heeft gesteld en als zodanig voor de man (in hoger beroep) is opgetreden (Postbus 2623, 8901 BA Leeuwarden).
2
De vrouw stelt hierbij beroep in cassatie in tegen voormelde beschikking, en draagt na te melden middelen van cassatie voor.
3
Partijen zijn gewezen echtelieden. Tussen hen werd bij beschikking van 20 januari 1994 de echtscheiding uitgesproken. Met betrekking tot de alimentatie voor de vrouw gold ingevolge de beschikking van de Rechtbank te Arnhem van 22 april 1997 laatstelijk tussen hen deze bijdrageverplichting van de man met ingang van 1 oktober 1996 van NLG 100,- per maand. Op een daartoe strekkend wijzigingsverzoek van de vrouw, ingekomen bij de rechtbank op 31 maart 2003, heeft de Rechtbank te Leeuwarden op 28 maart 2004 beslist aldus dat zij het verzoek afwees voor zover dit betrekking heeft op de periode tot 31 maart 2003, en voor het overige de zaak verwezen naar een nadere terechtzitting. Na nog een tussenbeschikking kwam die rechtbank bij haar eindbeschikking van 24 november 2004 tot wijziging van de beschikking aldus dat de door de man te betalen onderhoudsbijdrage jegens de vrouw met ingang van 31 maart 2003 werd bepaald op € 1942,- per maand.
4
Middel 1.
De vrouw meent dat het hof het recht heeft geschonden dan wel op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften heeft verzuimd door (niet) te overwegen en te beslissen zoals (niet) in deze beschikking is weergegeven en verwoord, waartoe het navolgende geldt.
4.1
In het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep wordt gerelateerd (pv blz. 8): ‘De voorzitter sluit het verhoor en deelt, met de kanttekening dat sprake is van achterstanden, mede dat het hof uitspraak zal doen op 7 september 2005.’. Niet blijkt uit de beschikking dat en hoe (vervolgens) jegens de partijen is gecommuniceerd, daar waar 's hofs beschikking (thans) van 4 augustus 2006 dateert, en het hof in zijn beschikking volstaat met deze weergave (beschikking, blz. 2) ‘Ter zitting van 23 juni 2005 is de zaak behandeld.’.
4.2
Het verschijnsel van de achterstanden is een groot en bekend probleem; de kanttekening vooraf van het hof als vervat het het proces-verbaal is dan ook terecht en correct geweest.
4.3
Wel zou mogen of moeten worden voorzien in een systeem van meer of betere klantgerichtheid, nu althans hier in deze zaak niet(s) heeft kunnen blijken van (nadere) kennisgevingen zijdens het hof omtrent de (thans, na september 2005) te verwachten termijn van afdoening. Een beschikking ruim een jaar na de mondelinge behandeling is dan, in deze situatie, wel een erg groot dieptepunt. De grens van de afdoening binnen een redelijke termijn lijkt aldus overschreden.
5
Middel II.
Het hof heeft het recht geschonden dan wel op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften verzuimd door te overwegen en te beslissen als in deze beschikking is weergegeven en verwoord (waarnaar wordt verwezen), waartoe het navolgende geldt (dat zonodig in onderling verband en samenhang dient te worden gelezen en beschouwd).
5.1
Het gaat hier om de rov.n 11 t/m 13 in deze beschikking, in samenhang met rov. 48 en de vervolgens gegeven beslissing. Gemeend wordt dat deze overwegingen rechtens onjuist zijn althans bezien de inhoud van de gedingstukken onbegrijpelijk zijn, waartoe na te melden uitwerkingen en toelichting.
5.2
De vrouw heeft in haar verweerschrift in hoger beroep, tevens houdende incidenteel appel, bij wege van grief 3 voorgesteld: ‘Ten onrechte heeft de Rechtbank niet besloten dat de man met ingang van 28 maart 1998, althans een datum die u in goede justitie redelijk acht, een hogere bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw verschuldigd is.’, en deze grief vervolgens toegelicht op de wijze als is vervat in de nrs. 29 t/m 32 aldaar.
5.3
In haar tussenbeschikking van 28 januari 2004 overwoog die rechtbank onder meer (beschikking, blz. 2): ‘Het verzoek van de vrouw om 28 maart 1998 aan te merken als ingangsdatum van de eventueel aan de man op te leggen alimentatiebijdrage acht de rechtbank niet toewijsbaar, nu dit in strijd komt met de rechtszekerheid, terwijl de vrouw geen argumenten heeft aangevoerd om anders te oordelen. Met name in de omstandigheid dat de man haar in de periode daarna geen inzicht heeft willen verschaffen in zijn financiële omstandigheden, zoals de vrouw stelt, vindt de rechtbank geen argument. Het lag op de weg van de vrouw om de man met bekwame spoed — en niet pas jaren later — in rechte aan te spreken, zodra bedoelde omstandigheid zich voordeed.’
‘Voor zover wijziging van de opgelegde alimentatiebijdrage in de rede ligt, zal in deze procedure naar redelijkheid de datum van indiening van het verzoekschrift, ofwel 31 maart 2003, worden aangemerkt als ingangsdatum. Voor zover dit verzoek betrekking heeft op de daarvoor liggende periode zal dit worden afgewezen.’, waarna die rechtbank besliste aldus: ‘wijst af het verzoek van de vrouw voor zover dit betrekking heeft op de periode tot 31 maart 2003; bepaalt dat hoger beroep van voormelde beslissing kan worden ingesteld tegelijk met de eindbeslissing in deze procedure; verwijst de zaak naar de terechtzitting van de enkelvoudige kamer van deze rechtbank van 12 maart 2003, voor een pro forma behandeling; (); houdt iedere verdere beslissing aan.’.
5.4
Ook al overweegt het hof met recht en op goede gronden in zijn rov. 11 dat eerstgemeld gedeelte van de beschikking van die rechtbank op dat onderdeel is aan te merken als een eindbeschikking (nu dit oordeel van de rechtbank is gegeven in een uitdrukkelijk dictum — mijn toevoeging c.q. aanvulling — advocaat, zodat daartegen binnen de appeltermijn moe(s)t worden opgekomen — idem — advocaat), waar de rechtbank het recht toekomt respectievelijk de bevoegdheid heeft (zelf) tussentijds beroep tegen haar beschikking (dus ongeacht de inhoud daarvan) uit te sluiten, vermag zij aldus ook toelaten of bevorderen te bepalen dat hier dat hoger beroep eerst kan worden ingesteld tegelijkertijd met de eindbeschikking.
5.5
Het hof kan dan ook niet oordelen zoals het doet in rov. 12 van zijn beschikking, nu toch de rechtbank geen wijziging brengt in het wettelijk systeem van appeltermijnen, doch een haar toekomende bevoegdheid gebruikt om mogelijk te maken dat dit hoger beroep eerst kan worden ingesteld tezamen met de door haar te geven eindbeschikking.
5.6
Het incidenteel beroep van de vrouw is dan ook tijdig ingesteld, nu toch de vrouw ter gelegenheid van haar verweerschrift in hoger beroep toen tevens incidenteel appel heeft ingesteld tegen de beschikkingen van die rechtbank van respectievelijk 28 januari 2004 en 24 november 2004; het hof overweegt en oordeelt in zijn rov. 11 ten onrechte respectievelijk op alsdan onbegrijpelijke gronden anders.
5.7
In ieder geval heeft de vrouw gegeven voormelde redactie van haar grief 3 in het incidenteel appel aldus wel degelijk (en aldus ook: tijdig) bezwaren ingebracht tegen de in de beschikking van 24 november 2004 gehanteerde ingangsdatum van de gewijzigde onderhoudsbijdrage van 31 maart 2003. Immers omtrent dat gedeelte in de beschikking van de rechtbank van 28 januari 2004 heeft die rechtbank toen en daar geen beslissing gegeven die is vervat in een dictum, daar waar zij bepaalde een verwijzing naar een nadere zitting en het aanhouden van iedere verdere beslissing (zie mijn sub 5.3 hierboven — advocaat). Weliswaar verwijst de rechtbank in haar eindbeschikking naar hetgeen zij ter zake hiervan reeds had overwogen, echter betreft het dan en daar nog een overweging en/of oordeel waaraan die rechtbank voor het vervolg is gebonden. Eerst in en met haar beslissing als is vervat in die eindbeschikking ontstond het gerechtelijk oordeel dat de vrouw pas daarna (binnen de appeltermijn) kon bestrijden (en aldus tijdig heeft bestreden in en met dat ingestelde incidenteel appel).
5.8
Het hof overweegt en oordeelt dan ook in zijn rov. 13 ten onrechte als aldaar is vervat; de verdere doorwerking regardeert hetgeen het hof in zijn rov. 48 overweegt en oordeelt en vervolgens beslist als daarna is weergegeven en verwoord.
6
Middel III.
Het hof heeft het recht geschonden dan wel op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften verzuimd door te overwegen en te beslissen als is weergegeven en verwoord in deze beschikking (waarnaar wordt verwezen), waartoe het navolgende geldt (dat zonodig in onderling verband en samenhang dient te worden gelezen en beschouwd).
6.1
Het gaat hier om de rov.n 21, 26, 29, 37 38, 47 en 48, in samenhang met de vervolgens gegeven beslissing. Gemeend wordt dat deze overwegingen rechtens onjuist zijn, althans bezien de inhoud van de gedingstukken onbegrijpelijk zijn, waartoe na te melden uitwerkingen en toelichting.
6.2
Waar de man van baan is veranderd valt niet zonder meer te stellen, terwijl enige toelichting ontbreekt, dat het toenmalige gezinsinkomen als weergegeven in de beschikking van 4 oktober 1995 van NLG 4260 per maand, dus geïndexeerd in 2003 NLG 5326 zal hebben bedragen (ook al is de feitelijke rekensom (mogelijk) juist). In rov. 21 stelt het hof dan ook op rechtens onjuiste althans alsdan onbegrijpelijke gronden de behoefte van de vrouw na of vanaf 1995 op NLG 1956 (afgerond € 888) netto per maand, en aldus geïndexeerd tot 2003 op € 1111 netto per maand.
6.3
Hierbij dient overigens nog te worden onderkend, dat de vrouw in het kader van haar middel II is opgekomen tegen de overwegingen en het oordeel van het hof met betrekking tot de periode voor 2003.
6.4
De doorwerking van dit sub 6.1 regardeert hetgeen het hof in de rov.n 26 en 29 overweegt en oordeelt en overweegt en oordeelt in zijn rov.n 47 en 48, alswel vervolgens beslist.
6.5
Terwijl of waarbij nog heeft te gelden, dat uitgaande van de huidige woonkosten van de man, sprake is van een hypotheek en een daaraan gekoppelde levensverzekering; in rov. 38 verzuimt het hof evenwel (aldus) te onderkennen dat zowel voor wat betreft die hypotheek als die daaraan gekoppelde levensverzekering sprake is van een fiscale aftrek ter zake, zodat het hof in rov. 37 ten onrechte althans op aldus onbegrijpelijke gronden overweegt en oordeelt dat het hof rekening zal houden met de volle woonlasten van de man. De verdere doorwerking daarvan regardeert hetgeen het hof in de rov.n 47 en 48 overweegt en oordeelt en vervolgens beslist.
6.6
De vrouw heeft immers in haar verweerschrift in hoger beroep (blz. 2, sub 10 aldaar) aangegeven dat bij de draagkrachtberekening van de man vanzelfsprekend rekening dient te worden gehouden met de diverse fiscale voordelen die hij heeft. De man heeft dat gestelde ook niet als zodanig bestreden, terwijl het hof ambtshalve bekend mag worden verondersteld met deze fiscale aftrek.
6.7
Rov. 38 in deze beschikking is aldus onvolledig, waardoor rov. 47 op een onjuist uitgangspunt berust, en aldus tot een foutief berekende draagkracht(-ruimte) van de man leidt.
WESHALVE de vrouw zich wendt tot uw Hoge Raad der Nederlanden met het eerbiedig verzoek gemelde hof-beschikking te willen vernietigen, met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad zal vermenen te behoren, kosten rechtens.
[plaats], [3] november 2006. Advocaat