NJB 2007, 1372
HR, 08-06-2007, nr. R06/002HR
HR 08-06-2007, ECLI:NL:PHR:2007:AZ6096
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
8 juni 2007
- Magistraten
Mrs. D.H. Beukenhorst, A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, C.A. Streefkerk en W.D.H. Asser
- Zaaknummer
R06/002HR
- Conclusie
A-G L. Timmerman
- LJN
AZ6096
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Burgerlijk procesrecht / Cassatie
Burgerlijk procesrecht / Hoger beroep
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2007:AZ6096, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 08‑06‑2007
ECLI:NL:PHR:2007:AZ6096, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 08‑06‑2007
Beroepschrift, Hoge Raad, 10‑01‑2006
- Wetingang
Rv art. 334; Rv art. 339 lid 3; Rv art. 358 lid 5; Rv art. 400; Rv art. 410 lid 2; Rv art. 427 lid 1
Essentie
Berusting. Een berusting die plaatsvond voordat cassatieberoep werd ingesteld door de wederpartij, staat niet aan ontvankelijkheid van incidenteel cassatieberoep in de weg. Een latere uitlating mocht de wederpartij opvatten als een nieuwe berusting en leidt tot niet-ontvankelijkheid van het incidenteel cassatieberoep. De Hoge Raad komt terug van zijn eerdere rechtspraak dat de rechter berusting ambtshalve dient vast te stellen. De rechter kan de niet-ontvankelijkheid van het beroep op grond van berusting slechts uitspreken indien de verwerende partij in beroep een daartoe strekkend verweer heeft gevoerd in haar eerste processtuk.
Partij(en)
Verzoekster, adv. mr. H.J.A. Knijff
tegen
de officier ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.