NJB 2008, 1394
HR, 13-06-2008, nr. C07/001HR
HR 13-06-2008, ECLI:NL:PHR:2008:BC7476
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
13 juni 2008
- Magistraten
Mrs. J.B. Fleers, A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, J.C. van Oven en C.A. Streefkerk
- Zaaknummer
C07/001HR
- Conclusie
A-G mr. E.M. Wesseling-van Gent
- LJN
BC7476
- Vakgebied(en)
Juridische beroepen / Rechter
Burgerlijk procesrecht (V)
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Staatsrecht / Rechtspraak
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2008:BC7476, Uitspraak, Hoge Raad, 13‑06‑2008
ECLI:NL:PHR:2008:BC7476, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 13‑06‑2008
Beroepschrift, Hoge Raad, 18‑12‑2006
- Wetingang
RO (oud) art. 39; Rv (oud) art. 154; Rv (oud) art. 155; Rv (oud) art. 156; Rv (oud) art. 157; BW art. 7:428; WABB art. 13
Essentie
Aardvordering. Een assurantietussenpersoon stelt een rechtsvordering in op basis van ‘een (agentuur)overeenkomst in de zin van de Wet Assurantiebemiddelingsbedrijf’. Het hof oordeelt dat sprake is van een tot de kennisneming van de kantonrechter behorende rechtsvordering betrekkelijk tot een agentuurovereenkomst. HR: Voor het antwoord op de vraag tot wiens kennisneming een vordering met betrekking tot een bepaalde overeenkomst behoort, is bepalend de grondslag van de vordering zoals die blijkens de dagvaarding is ingesteld. De conclusie dat de vordering ten onrechte bij de rechtbank is aangebracht, kan slechts getrokken worden, indien de dagvaarding niet in redelijkheid aldus kan worden ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.