NJB 2009, 337
HR, 30-01-2009, nr. C07/181HR
HR 30-01-2009, ECLI:NL:HR:2009:BG2238
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
30 januari 2009
- Magistraten
Mrs. A.M.J. van Buchem-Spapens, J.C. van Oven en W.A.M. van Schendel
- Zaaknummer
C07/181HR
- Conclusie
A-G mr. E.M. Wesseling-van Gent
- LJN
BG2238
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Juridische beroepen / Rechter
Materieel strafrecht (V)
Burgerlijk procesrecht / Beslag en executie
Staatsrecht / Rechtspraak
- Brondocumenten
ECLI:NL:PHR:2009:BG2238, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 30‑01‑2009
ECLI:NL:HR:2009:BG2238, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 30‑01‑2009
- Wetingang
Essentie
Verbeurde dwangsommen. Onbegrijpelijk oordeel. Ex-echtgenoten procederen over de verblijfplaats van hun dochter. De moeder vordert in kort geding afgifte van de dochter. De voorzieningenrechter wijst dit toe, met per dag te verbeuren dwangsommen. Op enig moment geeft de moeder toestemming voor verblijf van de dochter bij de vader. Hangende het hoger beroep wordt in de bodemzaak tussen partijen een beschikking ten gunste van de vader gegeven. HR: Aan het hof stond ter beoordeling in hoeverre het vonnis van de voorzieningenrechter reeds van de aanvang af dan wel later achterhaald is geraakt. Zonder nadere motivering, welke ontbreekt, is niet begrijpelijk ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.