Einde inhoudsopgave
Revindicatoire aanspraken op giraal geld (R&P nr. FR3) 2009/3.3.3
3.3.3 Een giraal tegoed is géén vordering
B. Bierens, datum 23-03-2009
- Datum
23-03-2009
- Auteur
B. Bierens
- JCDI
JCDI:ADS591118:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Houtappel (1996); Wibier (2007) p. 21-27; Du Laing (2005) p. 358; Reinhardt (1954) p. 71; Simitis (1960) p. 406-466; Duden (1968) p. 7 en p. 10.
Vgl. Voute (2002) p. 529, Wibier (2007) p. 22: 'De kern van een giraal saldo is niet dat de bank een geldbedrag aan de rekeninghouder moet betalen, maar dat de rekeninghouder in staat wordt gesteld deel te nemen aan het (girale) betalingsverkeer.'
Wibier (2007) p. 79-118 heeft onderzocht welke fundamentele grenzen het recht stelt aan contractuele bedingen waarmee feitelijk een vorm van zekerheid in het leven wordt geroepen.
Zie bijvoorbeeld HR 26 januari 2001, NJ 2002, 118 m.nt. JH en JOR 2001, 51 (`Standard-ING'). Daarin bepaalde de Hoge Raad dat een bank die zonder opdracht schuldeisers van haar rekeninghouder heeft betaald, de daaruit voortvloeiende vordering uit ongerechtvaardigde verrijking niet mag verrekenen met een schuld aan deze rekeninghouder, waaronder begrepen het opnemen in de rekening-courant. Daarmee wordt voorkomen dat de bank feitelijk verhaal kan nemen op (later te verschijnen) gelden op de betaalrekening. Over dit arrest Schoordijk (2001) p. 310-313 en Zwalve (2002) p. 601-620. Zie hierna hoofdstuk 7, par. 5.1.
HR 11 mei 1982, NJ 1982, 583 m.nt. 't H. Zie voorts HR 22 mei 1990, NJ 1990, 784 en Hof Amsterdam, 20 oktober 1992, NJ 1993, 123. Zie ook Van der Steur (2003) p. 82-83.
Reinhardt (1954) p. 71.
Molenaar (1993) p.14-15 verwoordt dit stellig als hij zegt: 'levering van giraal geld is niet slechts een beeld; het is werkelijkheid'.
Door een hoeveelheid abstracte beschikkingsmacht als aanknopingspunt te kiezen voor een verdere vermogensrechtelijke begripsvorming, plaatst men het girale tegoed op het zelfde niveau als chartaal geld en stelt men het daarmee gelijk. Vermogensrechtelijk is er daarom ook niet langer meer sprake van een vordering tot uitlevering van chartaal geld. Er zijn verschillende argumenten waarom, in het licht van de hedendaagse functie van een giraal tegoed, de kwalificatie van vordering achterhaald is. Diverse auteurs hebben daar eerder op gewezen.1 Ik loop de belangrijkste argumenten na.
Uit het perspectief van de bank is het in de eerste plaats opmerkelijk dat een belangrijk deel van het debiteurschap voortvloeiend uit de giro-overeenkomst niet gericht is op de nakoming van de vordering, maar juist op het voortbestaan daarvan. Ik doel daarbij op de geldschuld van de bank die volgens de heersende leer deel uitmaakt van de giro-overeenkomst als de rekeninghouder een creditsaldo heeft. Anders dan uit de aard van een regulier debiteurschap zou voortvloeien, verdraagt de aard van dit tegoed zich er niet mee dat de bank op eigen initiatief tot uitbetaling (`nakoming') aan de rekeninghouder zou kunnen overgaan en hem daarmee ongevraagd een hoeveelheid chartaal geld kan opdringen.2 Naar mijn mening vloeit dit kenmerk voort uit de aard van giraal geld en de functie van de bank als bewaarder daarvan.
Uit het perspectief van de rekeninghouder zijn er ook kenmerken aan te wijzen die eerder met een recht van eigendom dan met een vordering in verband kunnen worden gebracht. Hoewel de rekeninghouder kan verzoeken om uitkering van contant geld met een nominale waarde gelijk aan zijn saldo, wordt het tegoed in de praktijk voornamelijk gebruikt om langs girale weg derden te betalen. Met betrekking tot de omvang van het tegoed gaat het dus niet zozeer om een door de bank te verrichten uitbetaling, maar om een aanspraak op gelden die door de bank ten behoeve van de rekeninghouder worden aangehouden.
Indien de rechtsverhouding tussen bank en rekeninghouder geheel obligatoir van aard is, mag worden verwacht dat partijen ook vrij zijn om hun contractuele verhouding invulling te geven. In de praktijk valt dat echter nog te bezien. Ik doel dan niet op de begrenzingen die in de wet zijn gesteld aan algemene voorwaarden, maar op de juridische houdbaarheid van contractuele bepalingen die (te) zeer strijdig zijn met de economische werkelijkheid van de betaalrekening. Stel, een bank bedingt met een beroep op de regels van contractsvrijheid, dat met het faillissement van de klant en na voldoening van al zijn schulden aan de bank, de vordering uit hoofde van een eventueel resterend creditsaldo van rechtswege vervalt. Of de bank bedingt dat met het faillissement van de rekeninghouder een eventueel creditsaldo direct wordt overgeschreven naar een rekening op naam van de bank en de bank met uitsluiting van anderen bevoegd is te oordelen aan wie eventueel een uitkering wordt gedaan. Het valt te betwijfelen of een dergelijk beding door een rechter geaccepteerd zal worden. Maar waarom niet? Ook hier is het antwoord gelegen in de bijzondere aard van giraal geld en de functie van de bank in het betalingsverkeer.3
Ten slotte kan nog worden gewezen op het absolute karakter van het recht zelf, waarover de rekeninghouder met uitsluiting van ieder ander mag beschikken. Deze uitsluiting geldt niet alleen voor de bank waar de rekening wordt aangehouden (de bank die een betaalrekening administreert is niet bevoegd zonder een daartoe strekkende opdracht van de rekeninghouder over het tegoed beschikken of zich daarop te verhalen4), maar ook voor derden. Het zich toegang verschaffen tot en het wegnemen van een giraal tegoed door een onbevoegde, bijvoorbeeld door het onderscheppen van betaalpassen en het daarmee opdrachten verstrekken ten laste van andermans betaalrekening, kan onder bepaalde omstandigheden strafrechtelijk worden aangemerkt als diefstal of verduistering.5 Hoewel ik mij er van bewust ben dat het privaatrecht autonoom is in zijn begripsvorming en niet gebonden is aan strafrechtelijke opvattingen en begripsvorming, meen ik dat deze strafbaarstelling blijk geeft van de opvatting dat een individuele aanspraak op geld door eenieder moet worden gerespecteerd. In vermogensrechtelijke zin is het recht dus absoluut van aard.
Mijn voorstel om een giraal tegoed te kwalificeren als een absolute, met een recht van eigendom gelijk te stellen, aanspraak lijkt op het eerste gezicht een breuk met traditionele opvattingen, maar blijkt bij een nadere beschouwing te passen in een langdurige en alle geldvormen omvattende ontwikkeling. Ik refereerde daar reeds aan in het vorige hoofdstuk bij de bespreking van de ontwikkelingsgang van het bankbiljet. Bij deze geldvorm is het karakter van vordering langzaam maar zeker naar de achtergrond verdwenen. Reinhardt constateert dat de begripsvorming over het girale geld een parallel vertoont met de ontwikkeling die eerder het bankbiljet heeft doorgemaakt. Anders dan bij de laatstgenoemde papieren geldvorm, heeft de heersende leer de laatste stap tot erkenning van het giraal tegoed als een zelfstandige verschijningsvorm van geld nog niet gemaakt:
`Es vollzieht sich also bei allem "Forderungsgeld" eine Entwicklung, die immer deutlicher dahin Mrt., die Existenz der Geldeinheit ohne die Krücke der Vorstellung eines Forderungsrechtes zu denken. Darin liegt die gleiche Entwicklung, die beim Mangeld dazu führte, die Geldeinheit ohne das Edelmetall zu denken. Bei der Banknote hat sich diese Entwicklung in der Praxis schon vollendet. Die Forderung ist verschwunden. Beim Buchgeld ist dieser Schrift noch nicht vollzogen.'6
Als deze laatste stap wordt genomen op de wijze zoals ik voorstel, wordt er een goederenrechtelijk element in de giro-overeenkomst geïntroduceerd en worden daarmee ook de administratieve verrichtingen van de bank in een ander licht geplaatst. Omdat de girale betaling een methode is om geld over te dragen tussen de solvent en de accipiënt, is de creditering van een betaalrekening vergelijkbaar met een leveringshandeling.7 Zo bezien verkrijgt de girale betaling een tweeledig karakter: in de traditioneel obligatoire benadering is de creditering het tijdstip waarop de geldschuld tussen de solvent en accipiënt wordt nagekomen en tenietgaat; uit een goederenrechtelijke invalshoek bezien, valt het geld vanaf datzelfde moment in het vermogen van de accipiënt. Dat is vermogensrechtelijk in meerdere opzichten een belangrijk moment. Het wordt op dat moment vatbaar voor verhaal door derden-schuldeisers van de accipiënt. Bovendien verkrijgt de accipiënt zelf vanaf dat moment de bevoegdheid om met betrekking tot dit geld beschikkingshandelingen te verrichten. Hij kan het geld gebruiken om er derden mee te betalen of, bijvoorbeeld, om er een zekerheidsrecht op te vestigen.