Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/11.3.3:11.3.3 Actieve meewerkplicht aan vergaring tegenbewijs?
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/11.3.3
11.3.3 Actieve meewerkplicht aan vergaring tegenbewijs?
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940693:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het recht op een behoorlijke verdediging bestrijkt naast de reeds beschikbare bewijsmiddelen ook nog niet verzamelde bewijsmiddelen. Zoals ik in paragraaf 11.3.1 reeds opmerkte, zal de inspecteur de boeteling onder omstandigheden behulpzaam moeten zijn bij het vergaren van bewijs in het voordeel van die boeteling. Dat kan rechtstreeks volgen uit de (sub)regels van de bewijslastverdeling. Wanneer de inspecteur, als meest gerede partij, niet meewerkt, kan dat bewijsrechtelijk in zijn nadeel werken. Door niet mee te werken, kan de boeteling bijvoorbeeld geacht worden te hebben voldaan aan de op hem rustende primaire bewijslast van een perifere stelling.1
In aanvulling hierop brengt het recht op een behoorlijke verdediging in dit soort gevallen een actieve meewerkplicht met zich, die rechtstreeks is terug te voeren op art. 6 lid 3 onder b EVRM. Deze meewerkplicht houdt in dat de inspecteur daadwerkelijk verplicht kan worden om mee te werken aan het verzamelen van (tegen)bewijs, indien dat wordt gevraagd door de boeteling. Als de inspecteur dat weigert, kan dat onder omstandigheden dus een rechtstreekse schending van art. 6 EVRM opleveren, die mogelijk tot verval van de boete moet leiden. Ten slotte bestaat er, zoals reeds opgemerkt, op grond van het EHRM-arrest Edwards voor de inspecteur op grond van art. 6 EVRM een spontane inlichtingenplicht ten aanzien van ontlastend bewijs dat zich in zijn dossier bevindt.2