De geschillenregeling ten gronde
Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/III.5:III.5 Synthese
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/III.5
III.5 Synthese
Documentgegevens:
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS380976:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Geschillenregelingprocedures worden — zeker in vergelijking met enquêteprocedures — zelden gevoerd. Een van de oorzaken van het geringe gebruik van de drie vorderingen is het criterium waaraan de rechter toetst.
Het uitstotingscriterium van art. 2:336 lid 1 BW valt uiteen in drie elementen. Naast het (soort) gedrag van de aandeelhouder, geldt dat het belang van de vennootschap moet zijn geschaad. Hierbij komt een belangenafweging: het voortduren van het aandeelhouderschap kan in redelijkheid niet langer worden geduld.
De soort gedraging is in de jurisprudentie ingevuld. Het gaat hierbij niet altijd om stemgedrag, maar wél is vereist dat het gaat om gedrag 'in hoedanigheid van aandeelhouder'. Deze verenging staat niet in de wet, maar hanteert de rechter. Ik betreur dat en bepleit verruiming van de 'soort gedragingen' die tot uitstoting aanleiding kunnen geven. De `hoedanigheidseis' dient in ieder geval te vervallen. De toets moet zijn: schaadt het gedrag van de aandeelhouder het belang van de vennootschap zodanig, dat het handhaven van de aandeelhouder redelijkerwijs niet mogelijk is?
De tweede norm betreft de uittredingsnorm van art. 2:343 lid 1 BW. Een aantal elementen is te onderscheiden. Naast de 'zodanige schade' en de redelijkheidstoets, die ook voorkomen bij de uitstoting, kent de uittreding niet de restrictie dat het moet gaan om gedrag in hoedanigheid van aandeelhouder. Iedere gedraging kan tot uittreding leiden. Het vereiste dat het moet gaan om misdragingen, wordt in de jurisprudentie niet gesteld. Het gaat bij de uittreding om de schending van de rechten en belangen van de uittredende aandeelhouder. De rechter weegt alle geschade rechten of belangen mee. Wederom geldt hier dus geen restrictie. Naar aanleiding van de gepubliceerde jurisprudentie heb ik de uittredingsmogelijkheden in een drietal categorieën ondergebracht. De eerste categorie ziet op de degradatie van betrokkenheid als gevolg van gewijzigde omstandigheden. Meestal betreft het een minderheidsaandeelhouder die mede door zijn ontslag als bestuurder in een benarde positie is komen te verkeren. Van verwijtbaar gedrag is dus geen sprake. Ik acht deze ontwikkeling in de rechtspraak niet gelukkig. Mijns inziens moet bij uittreding een zeker verwijt aan de gedaagde aandeelhouder te maken zijn. De tweede soort gedragingen betreft verwijtbaar, onrechtmatig handelen. De laatste categorie ligt enigszins in het verlengde van de vorige; het gaat om gedrag in strijd met wettelijke (en statutaire) vennootschapsrechtelijke regels.
Zoals ik al eerder aangaf, vormen de huidige toetsingsnormen voor uitstoting en uittreding een reden waarom de procedures weinig bruikbaar zijn en ook (relatief) zelden geëntameerd worden. Ik onderzoek daarom of er een alternatief voorhanden is. En dat is er volgens mij. De procedures zouden eenzelfde grond moeten hanteren, zij sluiten dan op elkaar aan. De besproken 'gewichtige redenen' zijn als norm hiervoor minder geschikt. Deze (partiële) ontbindingsgrond wordt gehanteerd bij de personenvennootschappen.
Ik kies voor de gedragsnorm van art. 2:8 lid 1 BW. Dit is een norm waaraan iedere aandeelhouder zich sinds jaar en dag heeft te houden. Ik teken aan dat niet iedere schending van de norm uitstoting of uittreding rechtvaardigt. Een aandeelhouder moet verwijtbaar handelen. De schending is 'zodanig' dat de situatie niet langer houdbaar is en rechterlijk ingrijpen noodzakelijk is. De vraag luidt of een zich redelijk gedragende aandeelhouder in dezelfde omstandigheden ook zo gehandeld zou hebben. Mijn voorstel is de wettekst van art. 2:336 lid 1 en 2:343 lid 1 BW op dit punt aan te passen. Met inachtneming van de huidige drempel van art. 2:336 lid 1 BW stel ik de volgende bepaling voor:
Art. 2:336 lid 1 BW (voorstel)
Een of meer houders van aandelen die alleen of gezamenlijk ten minste een derde van het geplaatste kapitaal verschaffen, kunnen van een aandeelhouder die zodanig in strijd handelt met de redelijkheid en billijkheid van artikel 8 lid 1 dat zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet langer kan worden geduld, in rechte vorderen dat hij zijn aandelen overeenkomstig artikel 341 BW overdraagt.
Voor de eerste zin van art. 2:343 lid 1 BW volgt een soortgelijke aanpassing:
Art. 2:343 lid 1 BW (voorstel)
Een aandeelhouder van wie het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet langer kan worden gevergd omdat een of meer houders van aandelen zodanig in strijd handelen met de redelijkheid en billijkheid van artikel 8 lid 1, kan van die medeaandeelhouders vorderen dat ze zijn aandelen overeenkomstig de leden 3,4 en 5 van dit artikel overnemen.