Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/11.4.2.1
11.4.2.1 Relevante aspecten met betrekking tot het indienen en afhandelen van verzoeken
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491754:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie het Beleidsbesluit NLF 2021/1058, onderdeel 7.1 (afsplitsing) en het Beleidsbesluit NLF 2021/1057, onderdeel 7.1 (zuivere splitsing).
Aldus ook Van der Burgt & De Vries, WFR 2012/356, onderdeel 5, over de vergelijkbare juridische-fusieregeling.
Ik volsta met een verwijzing naar het Beleidsbesluit NLF 2021/1058, onderdelen 7.2 en 7.3 alsmede bijlage 2 en 3 (afsplitsing) en het Beleidsbesluit NLF 2021/1057, onderdelen 7.2 en 7.3 alsmede bijlage 2 en 3 (zuivere splitsing).
In het laatstgenoemde geval is terugwerkende kracht van het fiscale (af)splitsingstijdstip niet aanvaardbaar. De inspecteur stelt het (af)splitsingstijdstip dan op de datum met ingang waarvan de vermogensbestanddelen voor rekening en risico komen van de verkrijger(s). Voordat deze beschikking wordt afgegeven, stelt de inspecteur de belanghebbenden in de gelegenheid om te worden gehoord. Zie onderdeel 11.4.3 voor terugwerkende kracht van het fiscale (af)splitsingstijdstip.
Zie daarover Van der Burgt, Cursus Belastingrecht VPB, onderdeel 2.6.0.C.d1 (bijgewerkt 12-1-2021).
Beleidsbesluit NLF 2021/1058, onderdeel 7.2 en bijlage 4 (afsplitsing) en Beleidsbesluit NLF 2021/1057, onderdeel 7.2 en bijlage 4 (zuivere splitsing).
Beleidsbesluit NLF 2021/1058, onderdeel 7.4 (afsplitsing) respectievelijk Beleidsbesluit NLF 2021/1057, onderdeel 7.4 (zuivere splitsing).
Zie het Beleidsbesluit NLF 2021/1058, onderdeel 9 en bijlage 7 (afsplitsing) en het Beleidsbesluit NLF 2021/1057, onderdeel 8 en bijlage 9 (zuivere splitsing). Zie uitgebreider Van der Burgt, Cursus Belastingrecht VPB, onderdeel 2.6.0.C.d1 (bijgewerkt 12-1-2021).
Het indienen van een verzoek
Bij het indienen van het gezamenlijke (schriftelijke) verzoek om toepassing van art. 14a, lid 3, Wet VPB 1969, dienen de splitsingspartners diverse stukken te overleggen.1 Het verzoek moet vóór de (civielrechtelijke) splitsing zijn ingediend.2 Mijns inziens is het verzoek tijdig als het is ingediend vóór het van kracht worden van de splitsing. Een splitsing wordt van kracht met ingang van de dag volgend op de dag waarop de splitsingsakte wordt gepasseerd (art. 2:334n, lid 1, BW).3
Het afhandelen van verzoeken
De staatssecretaris heeft aan de inspecteurs een algemene toestemming verleend op grond waarvan zij verzoeken om toepassing van art. 14a, lid 3, Wet VPB 1969 zelf kunnen afdoen bij voor bezwaar vatbare beschikking.4 In die gevallen zijn er drie mogelijkheden. Het verzoek wordt (i) ingewilligd, (ii) afgewezen of (iii) ingewilligd onder het stellen van een afwijkend (af)splitsingstijdstip.5 In bepaalde situaties mag de inspecteur het verzoek niet zelf afdoen.6 In die gevallen dient de inspecteur het verzoek zo spoedig mogelijk door te sturen naar een speciale afdeling van de Belastingdienst.7 Daar wordt het verzoek beoordeeld en een beschikking voorbereid. Onder toezending van een conceptbeschikking beslist de inspecteur vervolgens bij voor bezwaar vatbare beschikking. Er zijn dan twee mogelijkheden. Het verzoek wordt (i) ingewilligd onder het stellen van voorwaarden of (ii) afgewezen onder vermelding van de motivering. Het is opvallend dat in het beleidsbesluit afsplitsing expliciet is vermeld dat het verzoek pas wordt afgewezen nadat belanghebbende in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord, terwijl die opmerking ontbreekt in het beleidsbesluit zuivere splitsing.8 Dit zal een omissie zijn, zodat ook in het geval van een zuivere splitsing een hoorgesprek plaatsvindt voordat een afwijzende beschikking wordt afgegeven.
Te laat ingediende verzoeken
Ingeval het verzoek pas na de splitsing en dus te laat wordt ingediend, is fiscale begeleiding op de voet van art. 14a, lid 3, Wet VPB 1969 niet mogelijk. Voor die gevallen bestaat evenwel een beleidsmatige tegemoetkoming op basis waarvan de splitsing toch fiscaal gefaciliteerd tot stand kan komen. Er gelden nadere vereisten en voorwaarden.9 Zo mag de splitsing bij geen van de splitsingspartners hebben geleid tot een onherroepelijk vaststaande aanslag, waarbij is uitgegaan van een ruisende splitsing. Wordt gebruikgemaakt van deze (goedkeurende) regeling, dan gelden dezelfde standaardvoorwaarden als het geval is bij de toepassing van art. 14a, lid 3, Wet VPB 1969.