Zie ook Kamerstukken II, 2020-2021, 35 296, nr. 6, p. 10 en 20.
HR, 01-10-2024, nr. 23/02786 B
ECLI:NL:HR:2024:1345
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
01-10-2024
- Zaaknummer
23/02786 B
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1345, Uitspraak, Hoge Raad, 01‑10‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:629
ECLI:NL:PHR:2024:629, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 18‑06‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1345
Beroepschrift, Hoge Raad, 23‑10‑2023
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0216
Uitspraak 01‑10‑2024
Inhoudsindicatie
OM-cassatie. Beschikking Rb op het door betrokkene ingestelde hoger beroep tegen door RC op vordering van OvJ genomen beslissing tot verlenen van machtiging tot ontruiming van kraakpand a.b.i. art. 551a Sv. 1. Ontvankelijkheid cassatieberoep OM, art. 446.2 Sv. 2. Had omstandigheid dat betrokkene heeft nagelaten haar persoonsgegevens bekend te maken bij instellen van h.b. moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van h.b.? Ad 1. Beslissing van Rb strekt ertoe dat (anders dan door RC is beslist) vordering van OvJ niet wordt toegewezen. Er is daarmee sprake van beschikking a.b.i. art. 446.2 Sv. Cassatieberoep van OM is daarom ontvankelijk. Ad 2. Tegen beschikking van RC is h.b. ingesteld door persoon die in daarvan opgemaakte akte als “NN1” wordt aangeduid. Pas na aanvang van behandeling van h.b. is bekend geworden dat “NN1” betrokkene betreft. In beschikking van R-C zijn personen op wie daarin genoemde vordering betrekking heeft, niet bij naam aangeduid maar als “NN (alle aanwezige personen in nagenoemd pand), van wie zich niemand bekend heeft gemaakt en/of een of meer vooralsnog onbekend gebleven perso(o)n(en)”. Dat betekent dat tegen die beschikking alleen onder bekendmaking van persoonsgegevens h.b. kon worden ingesteld (vgl. HR:2001:AB0259). Nu betrokkene bij instellen van h.b. heeft nagelaten haar persoonsgegevens bekend te maken, had Rb h.b. n-o moeten verklaren. HR doet wat Rb had moeten doen en verklaart h.b. van betrokkene alsnog n-o. Samenhang met 23/02785 B.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/02786 B
Datum 1 oktober 2024
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 20 juni 2023, nummer RK 22/028613, op het hoger beroep tegen de beslissing van de rechter-commissaris van 1 december 2022 betreffende de toewijzing van de vordering als bedoeld in artikel 551a van het Wetboek van Strafvordering in de zaak
van
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de betrokkene.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De raadsman van de betrokkene, W.H. Jebbink, advocaat in Amsterdam, heeft het beroep van het openbaar ministerie tegengesproken.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot niet-ontvankelijkverklaring van de klaagster in het beklag.
2. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep van het openbaar ministerie
2.1
Het procesverloop in deze zaak is als volgt. De officier van justitie heeft op 28 november 2022 een machtiging van de rechter-commissaris gevorderd voor een bevel tot verwijdering van personen en/of voorwerpen uit een woning, besloten lokaal of erf, als bedoeld in artikel 551a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). De rechter-commissaris heeft deze vordering op 1 december 2022 toegewezen en de machtiging verleend. Tegen de beschikking van de rechter-commissaris is door de betrokkene hoger beroep ingesteld. De rechtbank heeft op 20 juni 2023 op dit hoger beroep beslist, waarbij de rechtbank onder meer heeft overwogen dat de rechter-commissaris de hiervoor genoemde machtiging ten onrechte heeft afgegeven. Het dictum van de beschikking van de rechtbank houdt in dat het beroep gegrond wordt verklaard. Het openbaar ministerie heeft cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank.
2.2
“1. Voor zover niet bijzondere bepalingen het recht van hoger beroep van het openbaar ministerie regelen, kan dit van alle beschikkingen van de rechtbank of de rechter-commissaris waarbij een krachtens dit wetboek genomen vordering niet is toegewezen, binnen veertien dagen in hoger beroep komen bij het gerechtshof of de rechtbank. Is echter de hoofdzaak niet voor hoger beroep vatbaar dan is binnen gelijke termijn alleen beroep in cassatie toegelaten.
2. Tegen alle zoodanige beschikkingen in hoogsten aanleg staat het openbaar ministerie binnen veertien dagen daarna beroep in cassatie open.”
2.3
De beslissing van de rechtbank in de bestreden beschikking strekt ertoe dat – anders dan door de rechter-commissaris is beslist – de onder 2.1 genoemde vordering van de officier van justitie niet wordt toegewezen. Er is daarmee sprake van een beschikking zoals bedoeld in artikel 446 lid 2 Sv. Het cassatieberoep van het openbaar ministerie is daarom ontvankelijk.
3. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat de betrokkene ontvankelijk is in het hoger beroep tegen de beschikking, als bedoeld in artikel 551a Sv, van de rechter-commissaris. Het voert daartoe aan dat de betrokkene bij het instellen van het hoger beroep niet haar persoonsgegevens bekend heeft gemaakt.
3.2.1
De beschikking van de rechter-commissaris houdt onder meer in:
“Beslissing op een vordering tot machtiging voor een bevel tot verwijdering van personen en/of voorwerpen uit een woning, besloten lokaal of erf (artikel 551a Wetboek van Strafvordering)
in de strafzaak tegen de verdachte:
NN (alle aanwezige personen in nagenoemd pand), van wie zich niemand bekend heeft gemaakt en/of een of meer vooralsnog onbekend gebleven perso(o)n(en), hierna ook de krakers,
woonplaats: [plaats].”
3.2.2
Tegen de beschikking van de rechter-commissaris is hoger beroep ingesteld door een persoon die in de daarvan opgemaakte akte als “NN1” wordt aangeduid. Pas na aanvang van de behandeling van het hoger beroep is bekend geworden dat “NN1” de betrokkene betreft.
3.3
In de beschikking van de rechter-commissaris zijn de personen op wie de daarin genoemde vordering betrekking heeft, niet bij naam aangeduid maar als “NN (alle aanwezige personen in nagenoemd pand), van wie zich niemand bekend heeft gemaakt en/of een of meer vooralsnog onbekend gebleven perso(o)n(en)”. Dat betekent dat tegen die beschikking alleen onder bekendmaking van persoonsgegevens hoger beroep kon worden ingesteld (vgl. HR 27 februari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0259). Nu de betrokkene bij het instellen van het hoger beroep heeft nagelaten haar persoonsgegevens bekend te maken, had de rechtbank het hoger beroep niet-ontvankelijk moeten verklaren. Het cassatiemiddel is daarom terecht voorgesteld.
3.4
De Hoge Raad zal doen wat de rechtbank had moeten doen en het hoger beroep van de betrokkene alsnog niet-ontvankelijk verklaren.
4. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank;
- verklaart het hoger beroep van de betrokkene alsnog niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 oktober 2024.
Conclusie 18‑06‑2024
Inhoudsindicatie
OM-cassatie. Ontvankelijkheid cassatieberoep en NN-problematiek bij instellen rechtsmiddel. Behoort de beschikking van de Rb, afgegeven n.a.v. een door vte ingesteld hoger beroep tegen de toewijzende beslissing van de R-C op de vordering van het OM a.b.i. art. 551a Sv, tot de “zoodanige beschikkingen in hoogsten aanleg” a.b.i. art. 446.2 Sv, waartegen voor het OM beroep in cassatie openstaat? De AG beantwoordt die vraag bevestigend. I.c. zijn door de klaagster niet binnen de beroepstermijn haar persoonsgegevens bekend gemaakt. De AG stelt voor dat de HR om proceseconomische redenen - en in lijn met het bepaalde in art. 448 Sv - doet wat de Rb had moeten doen en de klaagster alsnog n-o verklaart in het ingestelde hoger beroep.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/02786 B
Zitting 18 juni 2024
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[klaagster],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de klaagster
De rechtbank Amsterdam, zittingsplaats Amsterdam, heeft bij beschikking van 20 juni 2023 het hoger beroep van de klaagster gericht tegen de beslissing van de rechter-commissaris van 1 december 2022 betreffende de toewijzing van de vordering ex art. 551a Sv, gegrond verklaard.
Het cassatieberoep is ingesteld door P. van Laere, officier van justitie. Namens het Openbaar Ministerie heeft G.K. Schoep, plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld. Namens de klaagster heeft W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, een schriftuur houdende tegenspraak ingediend.
Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.1 In de namens het Openbaar Ministerie ingediende schriftuur wordt allereerst de vraag opgeworpen of het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in dit cassatieberoep. Meer in het bijzonder komt het daarbij volgens de steller van het middel aan op de vraag of de beschikking van de rechtbank, afgegeven naar aanleiding van een door de verdachte ingesteld hoger beroep tegen de toewijzende beslissing van de rechter-commissaris op de vordering van het Openbaar Ministerie als bedoeld in art. 551a Sv, behoort tot de “zoodanige beschikkingen in hoogsten aanleg” als bedoeld in art. 446, tweede lid, Sv, waartegen voor het Openbaar Ministerie beroep in cassatie openstaat.
3.2 Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
“Artikel 445 Sv
Tegen beschikkingen staat hooger beroep of beroep in cassatie niet open en is een bezwaarschrift niet toegelaten, dan in de gevallen bij dit wetboek bepaald.
Artikel 446 Sv
1. Voor zover niet bijzondere bepalingen het recht van hoger beroep van het openbaar ministerie regelen, kan dit van alle beschikkingen van de rechtbank of de rechter-commissaris waarbij een krachtens dit wetboek genomen vordering niet is toegewezen, binnen veertien dagen in hoger beroep komen bij het gerechtshof of de rechtbank. Is echter de hoofdzaak niet voor hoger beroep vatbaar dan is binnen gelijke termijn alleen beroep in cassatie toegelaten.
2. Tegen alle zoodanige beschikkingen in hoogsten aanleg staat het openbaar ministerie binnen veertien dagen daarna beroep in cassatie open.
3. De Hooge Raad, het gerechtshof of de rechtbank beslist zoo spoedig mogelijk.
Artikel 551a Sv
1. In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in de artikelen 138, 138a en 139 van het Wetboek van Strafrecht kan de officier van justitie, na een daartoe door de rechter-commissaris schriftelijk verleende machtiging, bevelen dat een opsporingsambtenaar alle personen die wederrechtelijk vertoeven op een plaats als in die artikelen bedoeld, alsmede alle voorwerpen die daar ter plaatse worden aangetroffen, verwijdert of doet verwijderen. De opsporingsambtenaar kan daartoe de desbetreffende plaats betreden.
2. De machtiging van de rechter-commissaris wordt verleend op schriftelijke vordering van de officier van justitie. Bij dringende noodzaak kan de vordering van de officier van justitie mondeling worden gedaan. De officier van justitie stelt in dat geval de vordering zo spoedig mogelijk op schrift.
3. De rechter-commissaris beslist binnen drie maal vierentwintig uur na de indiening van de vordering van de officier van justitie, bedoeld in het tweede lid. De personen, bedoeld in het eerste lid, worden zo mogelijk door de rechter-commissaris gehoord. Bij dringende noodzaak beslist de rechter-commissaris zonder de personen te hebben gehoord.
(…)
5. De beschikking van de rechter-commissaris is met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend en wordt onverwijld schriftelijk ter kennis gebracht van de officier van justitie en de personen, bedoeld in het eerste lid.
6. Het bevel van de officier van justitie, bedoeld in het eerste lid, is dadelijk uitvoerbaar.
Tegen de beschikking van de rechter-commissaris staat voor de personen, bedoeld in het eerste lid, binnen veertien dagen na dagtekening van de beslissing hoger beroep open bij de rechtbank. Het hoger beroep heeft geen schorsende werking.”
3.3 Uit het samenstel van genoemde bepalingen volgt dat de officier van justitie op grond van het bepaalde in art. 446, eerste lid, Sv hoger beroep kan instellen tegen de beschikking van de rechter-commissaris waarbij zijn krachtens art. 551a, tweede lid, Sv gedane vordering is afgewezen.1.Voor de vermeende kraker staat hoger beroep tegen de toewijzende beschikking van de rechter-commissaris open op grond van art. 551a, zesde lid, Sv. Wat betreft de mogelijkheid tot cassatie geldt voor het Openbaar Ministerie dat op grond van het tweede lid van art. 446 Sv tegen “alle zoodanige beschikkingen in hoogsten aanleg” cassatie openstaat. Volgens de wetgever slaan de bewoordingen “zoodanige beschikkingen” terug op “den aard, niet op den rechter, die de beschikking gaf”.2.Het moet zo bezien gaan om beschikkingen van de rechtbank of de rechter-commissaris waarbij een krachtens het wetboek van Strafvordering genomen vordering niet is toegewezen.3.In art. 551a, zesde lid, Sv wordt niet gesproken over de mogelijkheid voor de vermeende kraker om cassatieberoep in te stellen tegen de beschikking van de rechtbank waarbij het hoger beroep tegen de toewijzende beschikking van de rechter-commissaris ongegrond is verklaard (c.q. de beschikking waarbij het hoger beroep van de officier van justitie tegen de beschikking van de rechter-commissaris tot afwijzing van de vordering gegrond is verklaard). Uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 551a Sv blijkt dat onder meer de Nederlandse Orde van Advocaten en de Raad voor de Rechtspraak erop hebben aangedrongen dat de mogelijkheid van cassatieberoep voor de vermeende kraker expliciet in de wet diende te worden opgenomen.4.De initiatiefnemers van het wetsvoorstel deelden deze opvatting tot explicitering niet, omdat art. 427, eerste lid, Sv al in deze cassatiemogelijkheid zou voorzien.5.Genoemde bepaling houdt in dat tegen de arresten van de gerechtshoven, als uitspraak gegeven, betreffende misdrijven beroep in cassatie open staat voor het openbaar ministerie bij het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan, en de verdachte. Het gaat bij die bepaling om beroep in cassatie van uitspraken, waaronder worden verstaan de op de terechtzitting gegeven beslissingen (art. 138 Sv). Dat deze cassatieregeling in het onderhavige geval zou gelden moet berusten op een vergissing.6.
3.4 In het onderhavige geval doet zich als gezegd de situatie voor waarin het hoger beroep door de vermeende kraker tegen de toewijzende beslissing van de rechter-commissaris op de 551a Sv vordering van de officier van justitie gegrond is verklaard. Over de vraag of de officier van justitie tegen een dergelijke beslissing cassatieberoep kan instellen wordt in de literatuur verschillend gedacht. Corstens/Borgers en Kooijmans7.merken hierover - met weglating van voetnoten - het volgende op:
“Het tweede lid van art. 446 kent het openbaar ministerie vervolgens het recht toe beroep in cassatie in te stellen tegen na door hem ingesteld hoger beroep in hoogste aanleg gewezen beschikkingen die zijn gevolgd op in eerste aanleg genomen beschikkingen waarbij een krachtens de wet door het openbaar ministerie gestelde vordering niet is toegewezen. Een inperkende uitzondering hierop staat in art. 241c. In art. 446 lid 2 wordt dus geen cassatieberoep opengesteld in gevallen waarin in eerste aanleg een verzoek of een bezwaarschrift van de verdachte is afgewezen, deze vervolgens daartegen appelleerde en dan in afwijking van het oordeel van het openbaar ministerie van de appelrechter gelijk krijgt. Dan is weliswaar in strijd met het standpunt van het openbaar ministerie beschikt, maar niet een oorspronkelijk door het openbaar ministerie krachtens de wet ingestelde vordering niet-toegewezen. Ook staat geen cassatieberoep open, als die vordering in eerste aanleg is toegewezen, maar in tweede aanleg afgewezen, nadat de verdachte heeft geappelleerd. Artikel 446 lid 2 heeft dus betrekking op ook in tweede instantie afwijzende beschikkingen op in eerste instantie door het openbaar ministerie krachtens het wetboek ingestelde vorderingen.”
Uitgaande van deze visie staat in het onderhavige geval geen beroep in cassatie open voor het Openbaar Ministerie.
Volgens Melai/Groenhuijsen e.a.8.bestaat die mogelijkheid in het onderhavige geval wel. Zij merken daarover - met weglating van voetnoten - het volgende op:
“Cassatie is dus mogelijk indien de vordering zowel in eerste aanleg als in hoger beroep niet is toegewezen. Naar onze mening laat art. 446 daarnaast ook cassatie toe in het geval een door het openbaar ministerie ingestelde vordering in eerste aanleg is toegewezen maar in hoger beroep, als gevolg van gegrondverklaring van een door de verdachte of andere belanghebbende ingesteld hoger beroep, alsnog niet wordt toegewezen. De gegrondverklaring van het door de verdachte of andere belanghebbende ingestelde hoger beroep heeft immers tot gevolg dat de eerdere toewijzing niet in stand blijft en dus dat de oorspronkelijke, aan de beschikking ten grondslag liggende vordering van het openbaar ministerie uiteindelijk toch niet wordt toegewezen.”9.
In gelijke zin Blok & Besier. Zij merken hierover op:
“Het tweede lid van art. 446 bepaalt verder, dat tegen de in hoogsten aanleg gegeven beschikkingen, als in het eerste lid zijn bedoeld, het O. M. binnen drie dagen daarna beroep in cassatie open staat.
Het O. M. kan dus cassatieberoep instellen:
1°. Tegen de beschikkingen in hooger beroep,a) indien, nadat de Kantonrechter of de R. C. eene beschikking hebben gegeven, de Rechtbank in hooger beroep de vordering van het O. M. niet heeft toegewezen;
b) indien, nadat de Rechtbank eene beschikking heeft gegeven, het Hof in hooger beroep de vordering van het O. M. niet heeft toegewezen.
2°. Tegen de beschikkingen van het Gerechtshof de Rechtbank en den Kantonrechter in eersten en hoogsten aanleg, indien die gerechten daarbij de vordering van het O. M. niet hebben toegewezen.”10.
3.5 Door de steller van het middel wordt aan de hand van het arrest van de Hoge Raad van 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:487, NJ 2014/374 m.nt. B.F. Keulen betoogd dat in het onderhavige geval voor het Openbaar Ministerie beroep in cassatie openstaat. In genoemd arrest deed zich de situatie voor waarin de officier van justitie een machtiging als bedoeld in art. 34, vierde lid, Sv had gevorderd, welke vordering door de rechter-commissaris gedeeltelijk was toegewezen. Het tegen deze beschikking van de rechter-commissaris onbeperkt ingestelde hoger beroep werd door de rechtbank ontvankelijk geacht en de rechtbank verklaarde het hoger beroep vervolgens ongegrond. De Hoge Raad oordeelde dat de officier van justitie in zijn cassatieberoep tegen laatstgenoemde beschikking kon worden ontvangen, nu het ging om een niet geheel toegewezen vordering, waardoor art. 446 Sv van toepassing was voor zover daarin wordt gesproken over gevallen waarin een krachtens dit wetboek door het Openbaar Ministerie genomen vordering “niet is toegewezen”. Volgens de steller van het middel kan uit genoemd arrest worden afgeleid dat in die zaak de definitieve beslissing over de aan de rechter-commissaris gerichte vordering van de officier van justitie ‘in hoogsten aanleg’ is genomen bij beschikking van de raadkamer en heeft deze beschikking te gelden als een beschikking waarbij inhoudelijk op de vordering is beslist. Het zou er in gevallen als deze zo bezien op aankomen welke beslissing uiteindelijk is genomen op de door de officier van justitie ingediende vordering. In het onderhavige geval heeft de procedure uiteindelijk geleid tot een niet-toewijzen van de door de officier van justitie bij de rechter-commissaris ingediende vordering als bedoeld in art. 551a Sv. Dat de beschikking, anders dan in genoemd arrest, niet is genomen naar aanleiding van een door de officier van justitie ingesteld hoger beroep zou daar niet aan af doen; de officier van justitie is ontvankelijk in het cassatieberoep, omdat zich ook in het onderhavige geval de situatie voordoet dat sprake is van een beschikking waarbij een krachtens het Wetboek van Strafvordering genomen vordering niet is toegewezen. In de schriftuur houdende tegenspraak wordt betoogd dat het begrip “zoodanige” als bedoeld in art. 446, tweede lid, Sv in het licht van het eerste lid van die bepaling niet anders kan worden verstaan dan duidend op een niet toegewezen vordering van het Openbaar Ministerie in tweede aanleg, nadat die vordering in eerste aanleg werd afgewezen, welke situatie zich in het onderhavige geval niet voordoet. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zou zich volgens de indiener van deze schriftuur ook tegen een andere opvatting verzetten.
3.6 Gelet op het voorgaande meen ik dat de opvatting dat in een geval als het onderhavige wel beroep in cassatie openstaat als juist moet worden gezien.11.Daarbij neem ik in aanmerking dat de rechtbank in het onderhavige geval het hoger beroep gegrond heeft verklaard, terwijl de rechtbank op grond van het bepaalde in art. 448, eerste lid, Sv had moeten “bevelen hetgeen overeenkomstig de bepalingen der wet behoort of had behooren te geschieden”. Dat betekent dat de rechtbank de 551a Sv-vordering van de officier van justitie had moeten afwijzen en zou er daarmee sprake zijn van een beschikking van de rechtbank waarbij een krachtens dit wetboek genomen vordering niet is toegewezen, als bedoeld in art. 446 Sv. Tegen een zodanige beschikking staat voor het Openbaar Ministerie beroep in cassatie open.
4. Het eerste middel
4.1
Het middel klaagt dat het in de bestreden beschikking besloten liggende oordeel dat de klaagster ontvankelijk is in het hoger beroep blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hoger beroep is ingesteld zonder dat de klaagster haar persoonsgegevens bekend heeft gemaakt.
4.2
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat uit de bestreden beschikking in elk geval valt op te maken dat ten tijde van de behandeling van het beroepschrift op 6 juni 2023 niet ter discussie heeft gestaan dat de daarin genoemde [klaagster] de persoon betreft ten laste van wie de betreffende beschikking van de rechter-commissaris is afgegeven en tevens de persoon betreft namens wie hoger beroep tegen de beschikking is ingesteld, maar dat uit de bestreden beschikking niet kan worden opgemaakt of, en zo ja, op welke wijze de rechtbank onderzoek heeft gedaan naar de persoonsgegevens van de verdachte. Ook zou daaruit niet blijken wanneer en op welke wijze de rechtbank bekend is geworden met de persoonsgegevens van de klaagster. Navraag door de steller van het middel bij de officier van justitie zou hebben geleerd dat zij en niet de klaagster de naam van klaagster kenbaar heeft gemaakt aan de rechtbank en wel op een moment nadat de tussenbeslissing van de rechtbank van 21 maart 2023 was genomen. Nu het hoger beroep tegen de beschikking is ingesteld zonder dat de appellant bij het aanwenden daarvan haar persoonsgegevens heeft bekendgemaakt, zou het impliciete oordeel van de rechtbank dat klaagster ontvankelijk is in haar hoger beroep tegen de beschikking van de rechter-commissaris van een onjuiste rechtsopvatting getuigen.
4.3
In het onderhavige geval is de beschikking van de rechter-commissaris op grond van art. 551a Sv van 1 december 2022 gewezen ten name van “NN (alle aanwezige personen in nagenoemd pand), van wie zich niemand bekend heeft gemaakt en/of een of meer vooralsnog onbekend gebleven perso(o)n(en), hierna ook de krakers, woonplaats: Amsterdam”. Blijkens de akte rechtsmiddel is het hoger beroep tegen deze beschikking in de onderhavige zaak op 16 december 2022 ingesteld namens “NN”, waarbij als postadres het adres Singel 362, 1016 AH Amsterdam (het kantooradres van de raadsman) is opgegeven. Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer van 7 maart 2023 houdt in dat de appellant op de vragen van de jongste raadsheer antwoordt te zijn genaamd “NN”, woonplaats kiezend op het kantoor van haar raadsman. Door de officier van justitie is blijkens zijn aan het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer gehechte schriftelijke toelichting onder meer het volgende aangevoerd:
“Rekestnummers Hoger beroep tegen de beslissing van-de rechter-commissaris in kraakzaken van 1 december 2022:
22/028613 door mr Zeegers op 16/12/22 ingesteld tbv NN1
22/028618 door mr Zeegers op 16/12/22 ingesteld tbv NN [betrokkene 1].
(…)
Ontvankelijkheid : Betrokkenen
Mr Zeegers stelt dat NN1 en NN [betrokkene 1] op 1 december bij de rechter-commissaris aanwezig waren als betrokken bewoners "krakers" van het pand Nieuwezijds Voorburgwal / Rozemarijnsteeg.
Aangezien de identiteit van de 2 op 1 december 2022 in de zaal aanwezige dames niet is vastgelegd ( kunnen worden) valt op geen enkele wijze vast te stellen dat het hier om dezelfde personen gaat.
Indien het volgen van het woord van de raadsman volstaat zou er tot een inhoudelijke beoordeling gekomen kunnen worden, maar primair is mijn standpunt dat het hoger beroep in beide zaken niet
ontvankelijk moeten worden verklaard nu niet blijkt dat zij betrokkenen zouden zijn in relatie tot de beschikking van de RC.”
4.4
De rechtbank heeft na de behandeling in raadkamer op 7 maart 2023 het onderzoek bij tussenbeslissing van 21 maart 2023 heropend, waarbij aan de officier van justitie opdracht is gegeven nader onderzoek te verrichten. De zaak is nadien opnieuw in raadkamer behandeld op 6 juni 2023. Het proces-verbaal van die raadkamerzitting houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Appellanten antwoorden op de vragen van de jongste rechter te zijn genaamd:
(…)
en
[klaagster],
geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats],
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. J.R. Kramer, Singel 362, 1016 AH Amsterdam
(…)
Met instemming van de officier van justitie en de verdachte hervat de rechtbank het onderzoek in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de schorsing ter terechtzitting van 7 maart 2023.”
4.5
Vaste rechtspraak is dat uit de art. 449-452 Sv, welke bepalingen de wijze regelen waarop rechtsmiddelen dienen te worden aangewend, moet worden afgeleid dat een verdachte te wiens laste een rechterlijke beslissing is gewezen waarin hij op andere wijze dan bij name is aangeduid, geen rechtsmiddel tegen een einduitspraak kan aanwenden anders dan onder bekendmaking van zijn persoonsgegevens.12.Ook geldt dat de omstandigheid dat na het verstrijken van de beroepstermijn alsnog de persoonsgegevens van de verdachte bekend zijn geworden de niet-ontvankelijkheid van het rechtsmiddel niet meer kan voorkomen.13.
4.6
In het licht van hetgeen onder 4.5 is vooropgesteld had de rechtbank de klaagster niet-ontvankelijk moeten verklaren in het hoger beroep, nu niet binnen de beroepstermijn de persoonsgegevens van de klaagster bekend zijn gemaakt.
4.7
Het middel slaagt.
4.8
In aanmerking genomen dat na terugwijzing van de zaak voor de rechtbank slechts één beslissing resteert stel ik voor dat de Hoge Raad om proceseconomische redenen - en in lijn met het bepaalde in art. 448 Sv - doet wat de rechtbank had moeten doen en de klaagster alsnog niet-ontvankelijk verklaart in het ingestelde hoger beroep.14.Voor het geval de Hoge Raad hier anders over denkt, bespreek ik hierna ook nog het tweede middel.
5. Het tweede middel
5.1
Het middel klaagt dat het oordeel van de rechtbank dat de rechter-commissaris de machtiging onterecht heeft afgegeven ontoereikend is gemotiveerd.
5.2
De beslissing van de rechter-commissaris van 1 december 2022 waarbij de vordering als bedoeld in art. 551a Sv is toegewezen houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Procedure
De officier van justitie heeft op 28 november 2022 schriftelijk gevorderd dat de rechter-commissaris de bovengenoemde machtiging verleent.
De officier van justitie heeft ter onderbouwing van de vordering een proces-verbaal met bijlagen overgelegd van Politie eenheid Amsterdam met kenmerk 2022225182 van 28 november 2022.
De vordering heeft betrekking op het verwijderen door een opsporingsambtenaar van personen en voorwerpen die wederrechterlijk vertoeven in/op een woning, besloten lokaal of erf, te weten het pand Nieuwezijds Voorburgwal 302, 1012 RT te Amsterdam aaneengeschakeld met pand Rosmarijnsteeg 2 (A t/m C) (hierna gezamenlijk het pand).
Beoordeling
De rechter-commissaris heeft op 1 december 2022 gehoord mr. K.J. Zeegers, advocaat van de verdachten, en de twee op de zitting verschenen verdachten die anoniem wensten te blijven. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt.
Aan mr. Zeegers is door de rechtbank tijdig het volledige dossier ter beschikking gesteld.
Aan de eis dat de krakers door de rechter-commissaris moeten worden gehoord is voldaan. Zij zijn immers opgeroepen te verschijnen op de zitting van 1 december 2022 om 14.00 uur. Uit het proces-verbaal van bevindingen van de Politie eenheid Amsterdam volgt dat op 28 november 2022 een brief met de oproeping is uitgereikt aan twee personen die zich bevonden in het pand en die zich identificeerden als Sjonnie en Femke Valsenaam.
De desbetreffende brief was gericht aan “De personen Nieuwezijds Voorburgwal 302 1012 RT Amsterdam/Rosmarijnsteeg 2 (A t/m C) 1012 RP Amsterdam”. Bovendien zijn er twee verdachten op de zitting verschenen.
Uit het dossier volgt genoegzaam dat de krakers wederrechtelijk, zonder toestemming van de eigenaar in het pand verblijven. De strafbaarstelling heeft ten doel bescherming van het recht van de eigenaar van het pand en bescherming van de openbare orde.
In de kern heeft mr. Zeegers ter zitting bepleit dat de eigenaar geen spoedeisend belang heeft bij de door het officier van justitie gevorderde ontruiming. Daarnaast stelt mr. Zeegers dat het huisrecht van de krakers zwaarwegender is dan de belangen van de eigenaar.
Wat betreft het spoedeisend belang volgt uit het dossier en in het bijzonder uit de brief met bijlagen van de eigenaar [betrokkene 2] aan de officier van justitie, dat het pand zich in een langdurig renovatie- en restauratietraject bevindt en dat het pand inmiddels is gestript. Het is voldoende aannemelijk dat op zeer korte termijn hierin verdere concrete stappen worden gezet. Mr. Zeegers heeft hier grote twijfels bij maar die worden niet bevestigd door de door de eigenaar overgelegde stukken, waaronder een stappenplan en verklaringen van aannemers. Van ontruiming voor langdurige leegstand is dan ook geen sprake.
Volgens de eigenaar verkeert het pand in slechte en onveilige staat en bestaat er bij brand gevaar voor de omgeving vanwege (onder andere) asbest plaatmateriaal in het dak. Door mr. Zeegers is gezegd dat het wel meevalt met de onveiligheid van het pand, dat zijn cliënten zelf veiligheidsmaatregelen hebben getroffen en dat zij slechts de eerste woonlaag bewonen en op de begane grond evenementen organiseren, waarbij zij ook de nodige veiligheidsmaatregelen nemen. Het asbest bevindt zich in het dak en kan geen kwaad zolang je er niet aan komt.
Uit de door mr. Zeegers overgelegde foto’s blijkt weliswaar dat de krakers aanpassingen hebben gedaan aan het pand, bijvoorbeeld het aanbrengen van vloerplaten en rookmelders, maar de totaalindruk blijft die van een onbewoonbaar pand waarbij de veiligheid onvoldoende gewaarborgd is. De verklaring van de door de krakers ingeschakelde [betrokkene 3] maakt dat niet anders. In de eerste plaats is niet zonder meer duidelijk dat [betrokkene 3] deskundig is op dit terrein. Maar ook als dat wel zo zou zijn is zijn verklaring van weinig gewicht, omdat hij eenzijdig is benaderd door de krakers. In zoverre is hij niet meer dan een partijdeskundige.
Ingevolge artikel 8 lid 1 EVRM komt de verdachte een huisrecht toe. Het in artikel 8 lid 2 EVRM besloten proportionaliteitsvereiste brengt mee dat, naast de vraag of sprake is van wederrechtelijkheid, getoetst moet worden of de in abstracto door de wetgever gegeven voorrang aan het belang van de openbare orde en de rechten van de eigenaren in de concrete omstandigheden van dit geval, gezien het beroep op het huisrecht, proportioneel is.
Mr. Zeegers heeft er in dit verband op gewezen dat als de vordering wordt toegewezen de krakers op zeer korte termijn het pand zullen moeten verlaten terwijl zij geen uitzicht hebben op een andere woning en de winter zijn intrede doet. Dit zijn echter omstandigheden die onvoldoende gewicht in de schaal leggen. Het is zeker zo dat het uitermate moeilijk is om in de huidige woningmarkt een woning te kunnen vinden, in het bijzonder in Amsterdam, maar dit geldt voor heel veel anderen ook. Dat de krakers daadwerkelijk op straat moeten gaan leven is in het geheel niet gebleken. Over de persoonlijke omstandigheden van de krakers is overigens niets aangevoerd. Het beroep op het huisrecht kan dan ook niet leiden tot afwijzing van de vordering van de officier van justitie.
De rechter-commissaris is van oordeel dat de vordering kan worden toegewezen op de gronden, op de wijze en onder de voorwaarden als in de vordering omschreven, met uitzondering van de ontruimingstermijn. De officier van justitie heeft namelijk ter zitting gezegd er geen moeite mee te hebben als de krakers tot aanstaande maandag 9.00 uur de tijd hebben het pand te ontruimen. De vordering zal om die reden aldus worden toegewezen.
Beslissing
De rechter-commissaris:
wijst de vordering toe, in die zin dat de machtiging ingaat vanaf maandag 5 december 2022 om 9.00 uur,
machtigt de officier van justitie overeenkomstig de vordering.”
5.3
De bestreden beschikking houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Feiten
Op 23 oktober 2022 heeft de eigenaar van het pand Nieuwezijds Voorburgwal 302 aangifte gedaan van huisvredebreuk. Het pand werd door de eigenaar gerenoveerd en verkeerde in casco staat. Bij vordering van 28 november 2022 heeft de officier van justitie de rechter-commissaris verzocht een machtiging voor een bevel tot verwijdering van personen en/of voorwerpen uit een woning, besloten lokaal of erf te verlenen (artikel 551a Sv).
De vordering heeft betrekking op het verwijderen door een opsporingsambtenaar van personen en voorwerpen die wederrechtelijk vertoeven in/op een woning, besloten, lokaal of erf, te weten het pand aan de Nieuwezijds Voorburgwal 302. 1012 RT te Amsterdam dat aaneengeschakeld is met pand Rosmarijnsteeg 2 (A t/m C) (hierna gezamenlijk: het pand).
De rechter-commissaris heeft op 1 december 2022 de vordering toegewezen en de officier van justitie gemachtigd overeenkomstig de vordering.
Procedure
Het beroepschrift is op 15 december 2022 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De rechtbank heeft op 7 maart 2023 het beroepsschrift in besloten raadkamer behandeld en het onderzoek in raadkamer bij beslissing van 21 maart 2023 heropend. De rechtbank heeft daarbij de officier van justitie opdracht gegeven nader onderzoek te verrichten. De behandeling van het beroepschrift is voor onbepaalde tijd aangehouden.
De rechtbank heeft het beroepschrift op 6 juni 2023 opnieuw in besloten raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de appellant, haar advocaat mr. J.R. Kramer en de officier van justitie in raadkamer gehoord.
Standpunt van de verdediging
Het beroep richt zich tegen de machtiging ex artikel 551a Sv van 1 december 2022.
Namens appellant is primair aangevoerd dat de aanvullende informatie niet relevant is. Er is sprake van een ex tunc-toetsing. De omstandigheid dat ten tijde van het afgeven van de machtiging tot ontruiming door de rechter-commissaris onvoldoende informatie beschikbaar was. is een gebrek dat niet achteraf kan worden hersteld. De rechtbank moet toetsen of de rechter-commissaris met de informatie die destijds beschikbaar was, tot deze beslissing mocht komen. Naar het oordeel van de verdediging is dat niet het geval.
Ook indien de rechtbank van oordeel is dat de aanvullende informatie wel relevant is, dan blijkt daaruit niet dat sprake was van een spoedeisend belang en moet ook worden geconcludeerd dat de rechter-commissaris de machtiging ten onrechte heeft verleend.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt dat de rechter-commissaris een zorgvuldig afgewogen beslissing heeft genomen. Ook uit de nadere stukken, is gebleken dat de eigenaar van de woning een spoedeisend belang had bij het ontruimen van het pand. Het pand wordt gerenoveerd en door de kraak kwamen de werkzaamheden stil te liggen. Daarbij heeft de eigenaar onderbouwd dat het pand in een gevaarlijke staat verkeerde waardoor het verblijf in het pand een gevaar voor de openbare orde opleverde. Het hoger beroep moet dan ook ongegrond worden verklaard.
Beoordeling
De rechtbank moet - kort gezegd - beoordelen of de rechter-commissaris terecht de officier van justitie heeft gemachtigd tot ontruiming van het pand aan de Nieuwezijds Voorburgwal 302 te Amsterdam
De strafbaarstelling van kraken en de in artikel 551 a Sv opgenomen ontruimingsbevoegdheid heeft als doel bescherming van het recht van de eigenaar en bescherming van de openbare orde. De eigenaar van het pand aan de Nieuwezijds Voorburgwal 302 heeft tegen de appellant aangifte gedaan van huisvredebreuk. Niet bestreden is dat de apellant zich zonder toestemming van de eigenaar wederrechtelijk in het pand bevond. Tevens staat vast dat de appellant, gelet op het bepaalde in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden EVRM). een huisrecht toe komt en dat ontruiming een ernstige inbreuk maakt op dit recht.
In het kader van artikel 551a Sv moet de rechter-commissaris beoordelen of de door de wetgever gegeven voorrang aan het belang van de openbare orde en de rechten van de eigenaar van het pand in de concrete omstandigheden proportioneel is. In die beoordeling is van belang dat de eigenaar van het pand voldoende concreet onderbouwt dat hij een spoedeisend belang heeft bij ontruiming. Daarnaast moet de rechter-commissaris beoordelen of er uitzonderlijke omstandigheden zijn op grond waarvan het huisrecht van de kraker moet prevaleren boven het kraakverbod (Hoge Raad 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9880)
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval een ex tunc beoordeling moet plaatsvinden. Dat houdt in dat de rechtbank zal beoordelen of de rechter-commissaris op grond van de destijds bekende feiten en omstandigheden de machtiging tot ontruiming mocht verlenen.
In de onderhavige casus heeft de eigenaar gesteld dat er een tweezijdig spoedeisend belang is tot ontruiming. Ten eerste belet de kraak de eigenaar een uitgebreide renovatie uit te voeren en ten tweede is verblijf in het pand zeer gevaarlijk doordat het pand in een slechte (casco)staat verkeert en asbestmateriaal zich in het dak bevindt.
Ten aanzien van het eerste punt heeft de eigenaar diverse stukken overgelegd waaruit blijkt welke werkzaamheden moeten worden uitgevoerd. Ook is een omgevingsvergunning uit juni 2021 overgelegd.
De rechtbank is van oordeel dat de eigenaar heel uitvoerig heeft onderbouwd welke werkzaamheden moeten worden verricht, maar dat hieruit niet is gebleken van een spoedeisend belang. Gebleken is dat de funderingswerkzaamheden pas konden starten nadat de winkel in het naastgelegen pand - de Roosmarijnsteeg 2 - leeg was. Dat is door de eigenaar ook niet onweersproken. Ten tijde van het afgeven van de machtiging stonden de werkzaamheden weliswaar gepland, maar ook toen moet duidelijk zijn geweest dat deze werkzaamheden vooralsnog niet ten uitvoer konden worden gebracht omwille van de verhuur en exploitatie van de winkelruimte aan de Roosmarijnsteeg 2. Naar het oordeel van de rechtbank was daarom sprake van een theoretische planning. Gelet hierop kan naar het oordeel van de rechtbank geen spoedeisend belang worden aangenomen.
Ter zitting heeft de officier van justitie overigens kenbaar gemaakt dat in verband met de uitvoering van deze werkzaamheden de huurovereenkomst van de postzegelhandelaar, gevestigd in het pand aan de Rozemarijnsteeg 2, per 1 augustus 2023 zou zijn opgezegd. Dat maakt het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het spoedeisende belang niet anders.
Ten aanzien van de veiligheid van het pand constateert de rechtbank dat het pand niet is geïnspecteerd door de brandweer. De stelling dat het pand een gevaar vormt voor de openbare veiligheid vindt de rechtbank dan ook onvoldoende onderbouwd.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het spoedeisend belang onvoldoende is gebleken. Het verlenen van de machtiging tot ontruiming was daarom in strijd met het huisrecht ex artikel 8 EVRM en artikel 11 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (IVESCR). De rechter-commissaris heeft de machtiging dan ook onterecht afgegeven.
Beslissing
De rechtbank verklaart het hoger beroep gegrond.”
5.4
In de toelichting op het middel wordt geklaagd dat de enkele verwijzing naar de omstandigheid dat het spoedeisend belang van de eigenaar van het gebouw onvoldoende is gebleken het oordeel dat de door de rechter-commissaris verleende machtiging tot ontruiming in strijd moet worden geacht met het huisrecht van de verdachte niet kan dragen. Volgens de steller van het middel heeft de rechtbank ten onrechte geen blijk gegeven van een op het concrete geval toegespitste afweging van belangen, althans heeft de rechtbank het oordeel dat het huisrecht van de verdachte moet prevaleren boven het belang van de eigenaar ontoereikend gemotiveerd. Dat zou in het onderhavige geval temeer klemmen nu genoemde concrete belangenafweging alleen plaats kan vinden als de verdachte feiten of omstandigheden aanvoert en aannemelijk maakt die in het concrete geval tot een andere dan de door de wetgever gemaakte afweging nopen, waarbij als uitgangspunt heeft te gelden dat een eigenaar het recht heeft om over zijn pand te beschikken zoals hij wil.
5.5
De rechtbank heeft bij de beoordeling van de vraag of de rechter-commissaris terecht de officier van justitie heeft gemachtigd tot ontruiming van het pand aan de Nieuwezijdse Voorburgwal 302 te Amsterdam, als uitgangspunt genomen dat het bij de beoordeling door de rechter-commissaris van de vraag of de door de wetgever gegeven voorrang aan het belang van de openbare orde en de rechten van de eigenaar van het pand in de concrete omstandigheden proportioneel is, van belang is dat de eigenaar van het pand voldoende concreet onderbouwt dat hij een spoedeisend belang heeft bij ontruiming en daarnaast of er uitzonderlijke omstandigheden zijn op grond waarvan het huisrecht van de kraker moet prevaleren boven het kraakverbod. Dit aan het arrest van de Hoge Raad van 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9880, NJ 2013/153, m.nt. Mevis ontleende toetsingskader wordt in cassatie niet betwist. Er wordt enkel betwist dat de rechtbank dit toetsingskader eenzijdig heeft toegepast door enkel stil te staan bij het door de eigenaar van het pand gestelde spoedeisende belang, zonder vast te stellen dat sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die ertoe nopen het huisrecht van de krakers te laten prevaleren boven het kraakverbod en/of de betrokken belangen, in het bijzonder de belangen van de klaagster en het publiekrechtelijk belang bij een voortvarende handhaving van het verbod als bedoeld in art. 138a Sr, tegen elkaar af te wegen.
5.6
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking ex tunc beoordeeld of de rechter-commissaris op grond van de destijds bekende feiten en omstandigheden de machtiging tot ontruiming mocht verlenen. Vastgesteld is dat de klaagster, gelet op art. 8 EVRM, een huisrecht toekomt en dat ontruiming een ernstige inbreuk maakt op dit recht. Dit wordt in cassatie ook niet betwist. Zoals onder 5.5 aan de orde kwam, speelt bij genoemde beoordeling door de rechter-commissaris een rol of de eigenaar van het pand voldoende concreet het spoedeisende belang bij ontruiming heeft onderbouwd. De behandeling in raadkamer heeft zich - in het bijzonder ook na heropening van het onderzoek15.- vooral toegespitst op dit punt. Volgens de rechtbank is onvoldoende gebleken van een spoedeisend belang waar het de beletting van renovatiewerkzaamheden betreft. Door de eigenaar is weliswaar heel uitvoerig onderbouwd welke werkzaamheden moeten worden verricht, maar volgens de rechtbank is sprake van een theoretische planning. Ook in de gestelde zeer gevaarlijke staat van het gebouw kan volgens de rechtbank geen spoedeisend belang worden gevonden, omdat onvoldoende is onderbouwd dat het pand een gevaar vormt voor de openbare veiligheid. Beide oordelen zijn, gelet op de daarbij door de rechtbank in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, niet onbegrijpelijk. Nu is vastgesteld dat een spoedeisend belang van de eigenaar ontbreekt is het evenmin onbegrijpelijk dat de rechtbank het vastgestelde belang van het huisrecht van de klaagster heeft laten prevaleren en heeft geoordeeld dat de machtiging onterecht door de rechter-commissaris is afgegeven.
5.7
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.
6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot niet-ontvankelijkverklaring van de klaagster in het beklag.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 18‑06‑2024
Kamerstukken II, 1913-1914, 286, nr. 3, p. 155 (art. 421 (oud) Sv)
Art. 241c Sv maakt hierop expliciet een uitzondering voor vorderingen als bedoeld in Titel III van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafvordering. Zie HR 13 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:377. Voor de in art. 577c Sv genoemde vordering geldt dat deze niet mede de duur van de lijfsdwang omvat, zodat tegen de bepaling van de duur van de lijfsdwang niet in beroep kan worden gekomen. Zie HR 9 november 2020, ECLI:NL:HR:2010:BL1706, NJ 2010/614.
Kamerstukken II, 2020-2021, 35 296, nr. 10, p. 8 en nr. 11, p. 8 en Kamerstukken I, 2020-2021, 35 296, nr. C, p. 5.
De Minister haalde in dit verband art. 445 Sv aan en wees erop dat de initiatiefnemers in het voorgestelde art. 551a Sv hoger beroep (zonder schorsende werking) tegen de beschikking van de rechter-commissaris mogelijk hebben gemaakt en dat niet geldt voor beroep in cassatie. Zie Kamerstukken I, 2020-2021, 35 296, nr. D, p. 4.
Corstens/Borgers & Kooijmans 2021, p. 1049.
Onder verwijzing naar de noot van Th. W. van Veen bij HR 11 november 1983, NJ 1984/298.
Blok/Besier II, p. 464.
Overigens staat dit ook aan het slot van de bestreden beschikking vermeld (“Tegen de beslissing van deze rechtbank staal voor hel Openbaar Ministerie binnen veertien (14) dagen na de dagtekening van de beslissing beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank”).
Zie bijv. HR 27 februari 2001, NJ 2001/499, HR 12 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ3287, NJ 2007/13, HR 13 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6694 en HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2915.
HR 24 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF8570. Zie ook PHR 20 juni 2017, ECLI:NL:PHR:2017:636 (HR: 81 RO).
Vgl. bijv. HR 17 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:709 en HR 8 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1533.
Aan de bestreden beschikking van 20 juni 2023 is een tussenbeschikking van 21 maart 2023 voorafgegaan, omdat de rechtbank zich op twee punten, betrekking hebbende op het gestelde spoedeisende belang van de eigenaar, onvoldoende geïnformeerd achtte om tot een goede belangenafweging te komen. De rechtbank wenste twee vragen beantwoord te zien, te weten 1. Welke concrete stappen zijn er gezet met betrekking tot het renovatie-en restauratietraject van het pand sinds de door de rechter-commissaris verstrekte machtiging tot ontruiming van 1 december 2022? en 2. Wat is de reactie van de eigenaar/aangever met betrekking tot de bevindingen van de door de appellant ingeschakelde [betrokkene 3] en zijn conclusies met betrekking tot de veiligheid van het gebouw en de verblijfsfunctie voor een klein aantal mensen, zoals weergegeven in de pleitnotities van de raadsman van de appellant.
Beroepschrift 23‑10‑2023
CASSATIESCHRIFTUUR
Raadkamernummer: 22-028613
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Het beroep in cassatie van rekwirant is gericht tegen de beschikking van de meervoudige raadkamer van de Rechtbank Amsterdam, van 20 juni 2023, waarbij de Rechtbank het hoger beroep van
[klaagster],
geboren [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats]
tegen de beslissing van de rechter-commissaris van 1 december 2022 betreffende de toewijzing van de vordering ex artikel 551a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) gegrond heeft verklaard.
Rekwirant kan zich met deze uitspraak en de motivering daarvan niet verenigen en stelt daarom twee middelen van cassatie voor.
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van dit cassatieberoep
1.
Bij beslissing van 1 december 2022 heeft de rechter-commissaris te Amsterdam de officier van justitie op diens vordering machtiging verleend voor een bevel tot verwijdering ingevolge artikel 551a lid 1 Sv. Tegen deze beslissing is namens de persoon zich noemende NN1 op grond van artikel 551a lid 6 Sv op 15 december 2022 hoger beroep ingesteld. De officier van justitie heeft zich bij de behandeling van het beroep in raadkamer op het standpunt gesteld dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Bij beschikking van 20 juni 2023 heeft de meervoudige raadkamer van de Rechtbank Amsterdam dit beroep gegrond verklaard en daarbij geoordeeld dat de rechter-commissaris de door de officier van justitie gevorderde machtiging ex artikel 551a lid 1 Sv onterecht heeft afgegeven.
Het beroep in cassatie richt zich tegen deze beschikking.
2.
Voorafgaand aan de bespreking van de middelen van cassatie wil rekwirant de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in dit cassatieberoep aan de orde te stellen. Het recht op hoger beroep en beroep in cassatie voor het openbaar ministerie wordt in dit geval bestreken door art. 446 Sv.1. De vraag is of de beschikking van de Rechtbank, afgegeven naar aanleiding van een door de verdachte ingesteld hoger beroep tegen de toewijzende beschikking van de rechter-commissaris, behoort tot de ‘zoodanige beschikkingen in hoogsten aanleg’, zoals genoemd in artikel 446 lid 2 Sv, waartegen voor het openbaar ministerie beroep in cassatie openstaat.
Artikel 446 Sv luidt, voor zover van belang, als volgt:
- ‘1.
Voor zover niet bijzondere bepalingen het recht van hoger beroep van het openbaar ministerie regelen, kan dit van alle beschikkingen van de rechtbank of de rechter-commissaris waarbij een krachtens dit wetboek genomen vordering niet is toegewezen, binnen veertien dagen in hoger beroep komen bij het gerechtshof of de rechtbank. Is echter de hoofdzaak niet voor hoger beroep vatbaar dan is binnen gelijke termijn alleen beroep in cassatie toegelaten.
- 2.
Tegen alle zoodanige beschikkingen in hoogsten aanleg staat het openbaar ministerie binnen veertien dagen daarna beroep in cassatie open.
(…)’
Over het begrip ‘zoodanige beschikkingen’ heeft de wetgever het volgende opgemerkt:
‘De algemeene bepaling van het tweede lid, waarin de woorden ‘zoodanige beschikkingen’ terugslaan op den aard, niet op den rechter, die de beschikking gaf, waarborgt dit recht ook aan het openbaar ministerie bij het gerechtshof, waar het uiteraard alleen in den vorm van beroep in cassatie kan worden uitgeoefend.’2.
3.
Een situatie als onderhavige is, voor zover rekwirant heeft kunnen zien, nog niet eerder aan de Hoge Raad voorgelegd. In de literatuur wordt over dit onderwerp verschillend gedacht. Corstens, Borgers & Kooijmans zijn van mening dat in een geval als dit cassatieberoep voor het openbaar ministerie niet openstaat:
‘Ook staat geen cassatieberoep open, als die vordering in eerste aanleg is toegewezen, maar in tweede aanleg afgewezen, nadat de verdachte heeft geappelleerd. Artikel 446 lid 2 heeft dus betrekking op ook in tweede instantie afwijzende beschikkingen op in eerste instantie door het openbaar ministerie krachtens het wetboek ingestelde vorderingen.’3.
Euwema daarentegen is van mening dat in deze situatie beroep in cassatie voor het openbaar ministerie wel is opengesteld:
‘Naar onze mening laat art. 446 daarnaast ook cassatie toe in het geval een door het openbaar ministerie ingestelde vordering in eerste aanleg is toegewezen maar in hoger beroep, als gevolg van gegrondverklaring van een door de verdachte of andere belanghebbende ingesteld hoger beroep, alsnog niet wordt toegewezen. De gegrondverklaring van het door de verdachte of andere belanghebbende ingestelde hoger beroep heeft immers tot gevolg dat de eerdere toewijzing niet in stand blijft en dus dat de oorspronkelijke, aan de beschikking ten grondslag liggende vordering van het openbaar ministerie uiteindelijk toch niet wordt toegewezen.’4.
4.
In de zaak die aanleiding gaf tot HR 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:487, NJ 2014/374 m.nt. B.F. Keulen, oordeelde de Hoge Raad dat zich het geval voordeed waarin een krachtens het Wetboek van Strafvordering door het openbaar ministerie genomen vordering ‘niet is toegewezen’, nu de bedoelde vordering niet in haar geheel was toegewezen. In die zaak was de bedoelde vordering door de rechter-commissaris gedeeltelijk toegewezen en was het meer of anders gevorderde afgewezen. Het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep tegen deze beschikking oordeelde de Rechtbank ongegrond. De Hoge Raad was van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk was in het tegen deze beschikking ingestelde cassatieberoep.
Naar de mening van rekwirant kan hieruit worden afgeleid dat in deze zaak de definitieve beslissing over de aan de rechter-commissaris gerichte vordering van de officier van justitie ‘in hoogsten aanleg’ is genomen bij beschikking van de raadkamer. Mitsdien heeft deze beschikking te gelden als een beschikking waarbij inhoudelijk op die vordering is beslist (vgl. de conclusie van Knigge bij HR 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:487, onder 3.7).
In het onderhavige geval heeft de procedure uiteindelijk geleid tot een niet-toewijzen van de door de officier van justitie bij de rechter-commissaris ingediende vordering ex artikel 551a Sv. Dat, anders dan in HR 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:487, de beschikking in raadkamer niet is genomen naar aanleiding van een door de officier van justitie ingesteld hoger beroep, doet daar niet aan af. Het komt er, in gevallen als deze, op aan welke inhoudelijke beslissing uiteindelijk is genomen op de door de officier van justitie ingediende vordering.
5.
Gelet op het voorgaande is rekwirant van mening dat artikel 446 lid 1 jo lid 2 Sv aldus moet worden begrepen dat ook in het onderhavige geval de situatie zich voordoet dat sprake is van een beschikking waarbij een krachtens het Wetboek van Strafvordering genomen vordering niet is toegewezen en dat dit ertoe moet leiden dat voor het openbaar ministerie beroep in cassatie openstaat.
Eerste middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt als bedoeld in art. 79 lid 1 Wet RO, meer in het bijzonder schending van art. 551a, 449 en/of 450 Sv aangezien, zoals hierna nader zal worden toegelicht, de Rechtbank blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in haar beschikking te oordelen dat de rechter-commissaris de door de officier van justitie gevorderde machtiging ex artikel 551a lid 1 Sv onterecht heeft afgegeven, in welk oordeel ligt besloten dat de appellant ontvankelijk is in het hoger beroep tegen de beschikking van de rechter-commissaris, terwijl dit hoger beroep is ingesteld zonder dat de appellant haar persoonsgegevens heeft bekendgemaakt.
Toelichting
1.
Bij beslissing van 1 december 2022 heeft de rechter-commissaris te Amsterdam de officier van justitie op diens vordering machtiging verleend voor een bevel tot verwijdering ingevolge artikel 551a lid 1 Sv. Voorafgaand aan deze beslissing heeft de rechter-commissaris twee aldaar verschenen personen, die werden verdacht van overtreding van artikel 138a Sr en die anoniem wensten te blijven, gehoord, alsmede hun advocaat. Tegen de beschikking van 1 december 2022 is op 15 december 2022 namens een van deze verdachten, die zich NN1 noemde, hoger beroep ingesteld.5. In de zaak tegen deze NN1 werd op 21 maart 2022 bij tussenbeslissing het op 7 maart 2022 gesloten onderzoek heropend. Bij beschikking van 20 juni 2023 heeft de meervoudige raadkamer van de rechtbank Amsterdam het beroep gegrond verklaard en daarbij geoordeeld dat de rechter-commissaris de machtiging ex artikel 551a lid 1 Sv onterecht heeft afgegeven.
De beschikking van de Rechtbank is afgegeven in de zaak tegen de persoon die eerder in deze procedure werd aangeduid als NN1, maar die op dat moment bekend was geworden als zijnde [klaagster], geboren [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats]. Uit deze beschikking is in elk geval op te maken dat ten tijde van de behandeling van het beroepsschrift op 6 juni 2023 niet ter discussie heeft gestaan dat de daarin genoemde [klaagster] de persoon betreft ten laste van wie de betreffende beschikking van de rechter-commissaris is afgegeven en tevens de persoon betreft namens wie hoger beroep tegen deze beschikking is ingesteld. Uit de beschikking kan evenwel niet worden opgemaakt of en zo ja, op welke wijze de Rechtbank onderzoek heeft gedaan naar de persoonsgegevens van de verdachte. Evenmin blijkt daaruit wanneer en op welke wijze de Rechtbank bekend is geworden met de persoonsgegevens van de appellant.
Navraag bij de officier van justitie heeft geleerd dat zij en niet de appellant de naam van appellant kenbaar heeft gemaakt aan de Rechtbank en wel op een moment nadat de tussenbeslissing van de Rechtbank van 21 maart 2022 was genomen.
2.
De wijze van aanwenden van gewone rechtsmiddelen wordt beheerst door de bepalingen van het Derde Boek, onderdeel A, Titel V van het Wetboek van Strafvordering.
In de casus die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 27 februari 2002, ECLI:NL:HR:2001:AB0259, NJ 2001/499 m.nt. T.M. Schalken was sprake van een ten laste van NN gewezen vonnis, waartegen beroep was ingesteld door een advocaat die had verklaard daartoe door deze NN bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd. Door de Hoge Raad werd, voor zover van belang, het volgende overwogen:
‘3.6
Vooropgesteld moet worden dat een verdachte niet gedwongen kan worden zijn persoonsgegevens bekend te maken. Daarbij moet worden bedacht dat de sinds de invoering op 1 juni 1993 van de bij de onder 3.3 sub (ii) genoemde Wet vastgestelde artikelen 61a, 61b en 61c Sv bestaande verplichting maatregelen ter identificatie te ondergaan, niet impliceert de verplichting naam, geboortegegevens en woonplaats op te geven. Dat verhindert evenwel niet dat een verdachte die gebruik maakt van die mogelijkheid, door het openbaar ministerie wordt vervolgd ter zake van het feit waarvan hij wordt verdacht. Dit kan tot gevolg hebben dat een anonieme verdachte wordt gedagvaard, indien zulks uit een oogpunt van rechtshandhaving aangewezen is, dat het vonnis wordt gewezen ten laste van die anonieme verdachte en dat dit zo blijft indien de verdachte in dat vonnis berust.
3.7
Naar het huidige inzicht van de Hoge Raad moet uit de art. 449–452 Sv worden afgeleid dat een verdachte te wiens laste een rechterlijke beslissing is gewezen waarin hij op andere wijze dan bij name is aangeduid, geen rechtsmiddel tegen een einduitspraak kan aanwenden anders dan onder bekendmaking van zijn persoonsgegevens. ’
In HR 12 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ3287 overwoog de Hoge Raad, voor zover van belang, het volgende:
‘3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.1.
Vooropgesteld moet worden dat uit de art. 449–452 Sv, welke bepalingen de wijze regelen waarop rechtsmiddelen dienen te worden aangewend, moet worden afgeleid dat een verdachte te wiens laste een rechterlijke beslissing is gewezen waarin hij op andere wijze dan bij name is aangeduid, geen rechtsmiddel tegen een einduitspraak kan aanwenden anders dan onder bekendmaking van zijn persoonsgegevens (HR 26 februari 2001, NJ 2001, 499).
3.2.
Het Hof heeft de verdachte in de bestreden uitspraak aangeduid als ‘NN, zich noemende [verdachte]’ nadat het in het onderzoek naar de ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep had vastgesteld dat de ter terechtzitting verschenen verdachte niet was [verdachte]. Klaarblijkelijk heeft het Hof met de aanduiding aldus tot uitdrukking willen brengen dat de verdachte als anonymus moet worden aangemerkt nu hij het rechtsmiddel niet onder zijn eigen naam heeft aangewend. Dit oordeel maakt de Hoge Raad tot het zijne.
3.3.
Blijkens de akte van cassatie heeft de verdachte het beroep ingesteld onder dezelfde valse naam. Gelet op hetgeen is vooropgesteld kan een rechtsmiddel slechts worden aangewend onder bekendmaking van de persoonsgegevens van de verdachte. Het spreekt van zelf dat die gegevens de ware persoonsgegevens behoren te betreffen. Nu de verdachte heeft nagelaten die bij het aanwenden van het rechtsmiddel te noemen kan hij in het cassatieberoep niet worden ontvangen.’
3.
In het onderhavige geval is de beschikking van de rechter-commissaris gewezen ten laste van appellant, die werd aangeduid als NN1. Tegen deze beschikking is hoger beroep ingesteld zonder dat de appellant, bij het aanwenden daarvan, haar persoonsgegevens heeft bekendgemaakt. Gelet op de onder 2. genoemde rechtspraak, die ook betrekking heeft op beschikkingen, getuigt het impliciete oordeel van de Rechtbank dat appellant ontvankelijk is in haar beroep tegen de beschikking van de rechter-commissaris van een onjuiste rechtsopvatting.
Tweede middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt als bedoeld in art. 79 lid 1 Wet RO, meer in het bijzonder schending van artikel 21, 24 en 551a Sv aangezien, zoals hierna nader zal worden toegelicht, de Rechtbank haar oordeel dat de rechter-commissaris op 1 december 2022 de door de officier van justitie gevorderde machtiging ex artikel 551a lid 1 Sv onterecht heeft afgegeven ontoereikend heeft gemotiveerd nu de Rechtbank geen blijk heeft gegeven van een op het concrete geval toegespitste afweging van belangen, althans dat de Rechtbank het oordeel dat het huisrecht van verdachte moet prevaleren boven het belang van de eigenaar ontoereikend heeft gemotiveerd.
Toelichting
1.
In haar beschikking heeft de Rechtbank het volgende overwogen:
‘Beoordeling
De rechtbank moet — kort gezegd beoordelen of de rechter-commissaris terecht de officier van justitie heeft gemachtigd tot ontruiming van het pand aan de Nieuwezijds Voorburgwal 302 te Amsterdam.
De strafbaarstelling van kraken en de in artikel 551a Sv opgenomen ontruimingsbevoegdheid heeft als doel bescherming van het recht van de eigenaar en bescherming van de openbare orde. De eigenaar van het pand aan de Nieuwezijds Voorburgwal 302 heeft tegen de appellant aangifte gedaan van huisvredebreuk. Niet bestreden is dat de appellant zich zonder toestemming van de eigenaar wederrechtelijk in het pand bevond. Tevens staat vast dat de appellant, gelet op het bepaalde in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden EVRM), een huisrecht toe komt en dat ontruiming een ernstige inbreuk maakt op dit recht.
In het kader van artikel 551a Sv moet de rechter-commissaris beoordelen of de door de wetgever gegeven voorrang aan het belang van de openbare orde en de rechten van de eigenaar van het pand in de concrete omstandigheden proportioneel is. In die beoordeling is van belang dat de eigenaar van het pand voldoende concreet onderbouwt dat hij een spoedeisend belang heeft bij ontruiming. Daarnaast moet de rechter-commissaris beoordelen of er uitzonderlijke omstandigheden zijn op grond waarvan het huisrecht van de kraker moet prevaleren boven het kraakverbod (Hoge Raad 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9880).
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval een ex tunc beoordeling moet plaatsvinden. Dat houdt in dat de rechtbank zal beoordelen of de rechter-commissaris op grond van de destijds bekende feiten en omstandigheden de machtiging tot ontruiming mocht verlenen.
In de onderhavige casus heeft de eigenaar gesteld dat er een tweezijdig spoedeisend belang is tot ontruiming. Ten eerste belet de kraak de eigenaar een uitgebreide renovatie uit te voeren en ten tweede is verblijf in liet pand zeer gevaarlijk doordat liet pand in een slechte (casco)staat verkeert en asbestmateriaal zich in het dak bevindt.
Ten aanzien van liet eerste punt heeft de eigenaar diverse stukken overgelegd waaruit blijkt welke werkzaamheden moeten worden uitgevoerd. Ook is een omgevingsvergunning uit juni 2021 overgelegd.
De rechtbank is van oordeel dat de eigenaar heel uitvoerig heeft onderbouwd welke werkzaamheden moeten worden verricht, maar dat hieruit niet is gebleken van een spoedeisend belang. Gebleken is dat de funderingswerkzaamheden pas konden starten nadat de winkel in het naastgelegen pand de Roosmarijnsteeg 2 — leeg was. Dat is door de eigenaar ook niet onweersproken. Ten tijde van het afgeven van de machtiging stonden de werkzaamheden weliswaar gepland, maar ook toen moet duidelijk zijn geweest dat deze werkzaamheden vooralsnog niet ten uitvoer konden worden gebracht omwille van de verhuur en exploitatie van de winkelruimte aan de Roosmarijnsteeg 2. Naar het oordeel van de rechtbank was daarom sprake van een theoretische planning. Gelet hierop kan naar het oordeel van de rechtbank geen spoedeisend belang worden aangenomen.
Ter zitting heeft de officier van justitie overigens kenbaar gemaakt dat in verband met de uitvoering van deze werkzaamheden de huurovereenkomst van de postzegelhandelaar, gevestigd in liet pand aan de Rozemarijnsteeg 2, per 1 augustus 2023 zou zijn opgezegd. Dat maakt liet oordeel van de rechtbank ten aanzien van het spoedeisende belang niet anders. Ten aanzien van de veiligheid van het pand constateert de rechtbank dat het pand niet is geïnspecteerd door de brandweer. De stelling dat liet pand een gevaar vormt voor de openbare veiligheid vindt de rechtbank dan ook onvoldoende onderbouwd.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het spoedeisend belang onvoldoende is gebleken. Het verlenen van de machtiging tot ontruiming was daarom in strijd met het huisrecht ex artikel 8 EVRM en artikel 11 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (IVESCR). De rechter-commissaris heeft de machtiging dan ook onterecht afgegeven.
Beslissing
De rechtbank verklaart het hoger beroep gegrond.’
2.
Artikel 551a Sv luidt als volgt:
- ‘1.
In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in de artikelen 138, 138a en 139 van het Wetboek van Strafrecht kan de officier van justitie, na een daartoe door de rechter-commissaris schriftelijk verleende machtiging, bevelen dat een opsporingsambtenaar alle personen die wederrechtelijk vertoeven op een plaats als in die artikelen bedoeld, alsmede alle voorwerpen die daar ter plaatse worden aangetroffen, verwijdert of doet verwijderen. De opsporingsambtenaar kan daartoe de desbetreffende plaats betreden.
- 2.
De machtiging van de rechter-commissaris wordt verleend op schriftelijke vordering van de officier van justitie. Bij dringende noodzaak kan de vordering van de officier van justitie mondeling worden gedaan. De officier van justitie stelt in dat geval de vordering zo spoedig mogelijk op schrift.
- 3.
De rechter-commissaris beslist binnen drie maal vierentwintig uur na de indiening van de vordering van de officier van justitie, bedoeld in het tweede lid. De personen, bedoeld in het eerste lid, worden zo mogelijk door de rechter-commissaris gehoord. Bij dringende noodzaak beslist de rechter-commissaris zonder de personen te hebben gehoord.
- 4.
Van een dringende noodzaak als bedoeld in het derde lid is in elk geval sprake in de situatie dat een verdachte van het misdrijf als omschreven in artikel 138a van het Wetboek van Strafrecht:
- a.
tevens wordt verdacht van het misdrijf als omschreven in artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht;
- b.
tevens wordt verdacht van een strafbaar feit waardoor de rechthebbende, bedoeld in de artikelen 138 en 138a van het Wetboek van Strafrecht, wordt getroffen;
- c.
een ernstige verstoring van de openbare orde en veiligheid veroorzaakt in de omgeving van de woning of het gebouw, bedoeld in de artikelen 138 en 138a van het Wetboek van Strafrecht;
- d.
een gevaarlijke situatie veroorzaakt door het wederrechtelijk vertoeven, bedoeld in de artikelen 138 en 138a van het Wetboek van Strafrecht.
- 5.
De beschikking van de rechter-commissaris is met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend en wordt onverwijld schriftelijk ter kennis gebracht van de officier van justitie en de personen, bedoeld in het eerste lid.
- 6.
Het bevel van de officier van justitie, bedoeld in het eerste lid, is dadelijk uitvoerbaar. Tegen de beschikking van de rechter-commissaris staat voor de personen, bedoeld in het eerste lid, binnen veertien dagen na dagtekening van de beslissing hoger beroep open bij de rechtbank. Het hoger beroep heeft geen schorsende werking.’
3.
Het voor deze zaak relevante toetsingskader heeft de Hoge Raad uiteengezet in HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9880, NJ 2013/153 m.nt. Mevis. Daarin is, voor zover van belang, het volgende overwogen:
‘3.5.3.
Uitgangspunt is eveneens dat ontruiming een zeer ernstige aantasting vormt van het huisrecht en dat eenieder die het risico loopt op een dergelijke zeer vergaande inmenging in de uitoefening van zijn huisrecht in beginsel de mogelijkheid moet hebben de proportionaliteit van de maatregel te laten toetsen door een onafhankelijke rechter met het oog op beantwoording van de vraag of deze inbreuk in concreto voldoet aan de eisen van art. 8 EVRM (vgl. onder meer de hiervoor genoemde uitspraak McCann tegen het Verenigd Koninkrijk, punt 50). Daarbij gaat het erom dat toereikende procedurele waarborgen dienen te bestaan dat degene op wiens huisrecht een inbreuk wordt gemaakt of dreigt te worden gemaakt, de proportionaliteit van de maatregel aan de rechter kan voorleggen.
3.5.4.
Met het voorgaande is niet de vraag beantwoord die in deze zaak de kern van het geschil uitmaakt, te weten of de kraker die met ontruiming op de voet van art. 551a Sv wordt bedreigd (steeds) in de gelegenheid moet zijn deze maatregel aan de rechter voor te leggen voordat de ontruiming wordt geëffectueerd. (…)
Beoordeeld moet worden of zonder een dergelijke voorafgaande rechterlijke toetsing van de rechtmatigheid van de (dreigende) schending van art. 8 EVRM wordt voldaan aan het vereiste dat de betrokkene in een dergelijk geval een ‘daadwerkelijk rechtsmiddel’ (‘effective remedy’, ‘recours effectif’) als bedoeld in art. 13 EVRM ten dienste moet staan.
3.5.5.
Naar vaste rechtspraak van het EHRM volstaat voor de aanspraak op een ‘effective remedy’ in het kader van art. 13 EVRM niet dat een persoon stelt dat zijn door het EVRM gewaarborgd recht dreigt te worden geschonden, maar dient het te gaan om een verdedigbare klacht (‘arguable claim’ of ‘arguable complaint’; vgl. onder meer A. tegen Nederland , no. 4900/06, EHRM 20 juli 2010, punt 155, en Conka tegen België, no. 51564/99, EHRM 5 februari 2002, punt 76). Dat betekent hier dat de betrokkene moet kunnen aantonen dat een ongerechtvaardigde inbreuk dreigt te worden gemaakt op zijn door art. 8 EVRM gewaarborgde huisrecht. Of een zodanige verdedigbare klacht bestaat, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval, waaronder de aard en het belang van het ingeroepen recht, de ernst van de inbreuk, de mate waarin door de voorgenomen maatregel de legitieme belangen van derden worden beschermd, de rechtmatigheid of onrechtmatigheid van de vestiging in de ‘woning’ (‘home’) (vgl. voor dit laatste: Chapman tegen het Verenigd Koninkrijk, no. 27238/95, EHRM 18 januari 2001, punt 102), en de mate waarin redres mogelijk is.
(…)
3.5.7.
Volgens de Staat zal ontruiming op de voet van art. 551a Sv slechts plaatsvinden ingeval buiten redelijke twijfel staat dat het verblijf in het pand wederrechtelijk is. Dat betekent dat in het algemeen ervan kan worden uitgegaan dat de met ontruiming bedreigde kraker zich onrechtmatig, dat wil zeggen zonder recht of titel, in het pand bevindt. Volgens de Staat betekent dit dat een nadere afweging van belangen in het kader van de krachtens art. 8 lid 2 EVRM voorgeschreven concrete proportionaliteitstoets overbodig is, aangezien in art. 551a Sv die afweging reeds is gemaakt doordat de wetgever het belang van de eigenaar van het pand heeft laten prevaleren. Als sprake is van wederrechtelijk verblijf is ontruiming steeds proportioneel te achten, aldus de Staat.
Die opvatting van de Staat kan in haar algemeenheid niet worden aanvaard. Weliswaar zal het doorgaans zo zijn dat in het concrete geval het belang van de eigenaar het zwaarst zal wegen, maar niet kan worden uitgesloten dat gelet op de zeer ernstige inbreuk op het huisrecht en de onomkeerbare gevolgen van een ontruiming, het belang van de kraker in het concrete geval, bijvoorbeeld voor beperkte tijd, toch zwaarder weegt. Aan de omstandigheid dat het verblijf wederrechtelijk is, kan dus niet de gevolgtrekking worden verbonden dat een kraker geen verdedigbare klacht kan hebben over (dreigende) schending van zijn huisrecht.
De gestelde omstandigheid dat het OM alvorens tot ontruiming te besluiten zal hebben nagegaan of de wederrechtelijkheid van het verblijf buiten redelijke twijfel staat, vormt dus nog niet een toereikende waarborg van de desbetreffende belangen van de kraker.
Het is de onafhankelijke rechter die zal dienen te onderzoeken of de in abstracto door de wetgever gegeven voorrang aan het belang van de openbare orde, het beëindigen van strafbare feiten en de bescherming van de rechten van derden boven het huisrecht van de kraker, in het concrete geval de proportionaliteitstoets kan doorstaan. Die belangenafweging kan alleen plaatsvinden als de kraker feiten of omstandigheden aanvoert en aannemelijk maakt die in het concrete geval tot een andere dan de door de wetgever gemaakte afweging nopen, waarbij als uitgangspunt zal hebben te gelden dat een eigenaar het recht heeft om over zijn pand te beschikken zoals hij wil.’
Met betrekking tot de door de rechter-commissaris aan te leggen toets hebben de indieners van het wetsvoorstel het volgende opgemerkt:
‘3.2. Rechterlijke toets door de rechter-commissaris
De officier van justitie vordert in de nieuwe praktijk een machtiging tot ontruiming bij de rechter-commissaris. Uit de vordering van de officier van justitie zal moeten blijken:
- —
Wie de rechtmatige eigenaar is;
- —
Dat door of namens de eigenaar aangifte is gedaan van een misdrijf als bedoeld in de artikelen 138, 138a en 139 van het Wetboek van Strafrecht; -Om welk gebouw, lokaal of erf het gaat;
- —
Eventueel of er in de ogen van de officier van justitie sprake is van een situatie die aanleiding geeft tot een dringende noodzaak te ontruimen als bedoeld in het beoogde art. 551, vierde lid, Sv, waarbij wordt afgezien van de hoorplicht.
De informatie die hiervoor nodig is, kan in een bescheiden dossier worden aangeleverd aan de rechter-commissaris. Het betreft immers een vrij overzichtelijke situatie. De rechter-commissaris beoordeelt vervolgens of er uitzonderlijke omstandigheden zijn die ertoe nopen het huisrecht van de krakers te laten prevaleren boven het kraakverbod. Zulke omstandigheden zijn er meestal niet: net als in de huidige praktijk, zal de rechter-commissaris naar verwachting in vrijwel alle gevallen de ontruiming goedkeuren.’6.
4.
De Rechtbank heeft, gelet op hetgeen hierboven is weergegeven, het juiste toetsingskader vooropgesteld. Door echter te oordelen dat het spoedeisend belang van de eigenaar van het gebouw onvoldoende is gebleken en dat het verlenen van de machtiging tot ontruiming daarom in strijd is met het huisrecht ex artikel 8 EVRM en artikel 11 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (IVESCR), heeft de Rechtbank miskend dat in het kader van de door de rechter te verrichten proportionaliteitstoets i) door de rechter moet worden vastgesteld dat sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die ertoe nopen het huisrecht van de krakers te laten prevaleren boven het kraakverbod en/of ii) dat de betrokken belangen, in het bijzonder de belangen van de appellant en het publiekrechtelijk belang bij een voortvarende handhaving van het verbod ex artikel 138a Sr, tegen elkaar dienen te worden afgewogen. In haar beschikking heeft de Rechtbank dan ook, ten onrechte, geen blijk gegeven van een op het concrete geval toegespitste afweging van belangen, althans heeft de Rechtbank het oordeel dat het huisrecht van verdachte moet prevaleren boven het belang van de eigenaar ontoereikend gemotiveerd. Dat klemt te meer nu deze afweging van belangen alleen kan plaatsvinden als de verdachte feiten of omstandigheden aanvoert en aannemelijk maakt die in het concrete geval tot een andere dan de door de wetgever gemaakte afweging nopen, waarbij als uitgangspunt heeft te gelden dat een eigenaar het recht heeft om over zijn pand te beschikken zoals hij wil.
Het voorgaande leidt ertoe dat de enkele verwijzing naar de omstandigheid dat het spoedeisend belang van de eigenaar van het gebouw onvoldoende is gebleken niet het oordeel kan dragen dat de door de rechter-commissaris verleende machtiging tot ontruiming in strijd moet worden geacht met het huisrecht van verdachte. Dit maakt de beschikking van de Rechtbank ontoereikend gemotiveerd, zodat deze niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.
5.
Indien één of beide van de cassatiemiddelen, dan wel onderdelen daarvan, doel tref(t)(fen), zal de bestreden beschikking van de Rechtbank Amsterdam van 20 juni 2023 niet in stand kunnen blijven. Rekwirant verzoekt de Hoge Raad der Nederlanden dan ook deze uitspraak te vernietigen en vervolgens te bevelen hetgeen overeenkomstig de bepalingen der wet behoort of had behoren te geschieden.
's‑Gravenhage, 23 oktober 2023
mr. G.K. Schoep
plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 23‑10‑2023
Kamerstukken II 2020–2021, 35 296, nr. 6, p. 10 en 20.
Kamerstukken II 1913–1914, 286-3 (MvT), p. 155. In de zaak die leidde tot HR 8 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC9089, NJ 1993/266 m.nt. Th.W. van Veen oordeelde de Hoge Raad dat onder een vordering als bedoeld in artikel 446 lid 1 Sv niet is te begrijpen ‘een tot de rechter ter terechtzitting of in raadkamer gerichte ‘vordering’, daartoe strekkende dat de rechter op een verzoek van de verdachte een bepaalde beslissing zal nemen.’ Van een bij de behandeling in raadkamer door de officier van justitie overlegde vordering is dan ook in dit geval geen sprake.
G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, onder redactie van M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, XVIII.4.
Archief Wetboek van Strafvordering, A.L. Melai/ M.S. Groenhuijsen e.a, artikel 446, aant. 6.
Omdat in onderhavige zaak de beschikking aan de orde is van de Rechtbank Amsterdam in het kader van de procedure ex artikel 551a Sv en de betrokkene daaraan als appellant deelneemt, wordt in het vervolg gekozen voor de term appellant ter aanduiding van de persoon te wiens laste de betreffende beschikking is afgegeven.
Kamerstukken II 2020/2021, 35 296, nr. 6 (MvT), p. 12.