De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting
Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/4.8:4.8 Hoofdstuksamenvatting, conclusies en aanbevelingen
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/4.8
4.8 Hoofdstuksamenvatting, conclusies en aanbevelingen
Documentgegevens:
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS389741:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Rechtspersonen worden van oudsher onderverdeeld in corporatieve rechtspersonen en niet-corporatieve rechtspersonen. Bij corporatieve rechtspersonen bepalen de leden of aandeelhouders het doel en de organisatie van de rechtspersoon: zij vormen de algemene vergadering, die de wettelijke bevoegdheid heeft om het doel vast te stellen en te wijzigen en om het bestuur te benoemen en ontslaan. De stichting is de enige niet-corporatieve rechtspersoon en heeft een instellingskarakter in plaats van een samenwerkingskarakter. Stichtingen kennen geen leden of aandeelhouders. Het stichtingsdoel en de organisatie waarmee dat doel wordt verwezenlijkt worden bepaald en vastgesteld door de oprichters (stichters). Oprichters staan zelf in beginsel buiten de organisatie van de stichting. Dat wil zeggen: zij maken niet noodzakelijkerwijs deel uit van de organen van de stichting. Het door de oprichters vastgestelde doel en het daaraan gebonden vermogen staat als het ware los van de stichtingsorganen. Dit stichtingsdoel vormt een belangrijk richtsnoer voor (de taakuitoefening door) het bestuur van de stichting. Als er bij de stichting, om welke reden dan ook, een raad van toezicht wordt ingesteld, vormt het stichtingsdoel eveneens een belangrijk richtsnoer voor de raad van toezicht.
Het normaaltype stichting heeft slechts een bestuur dat niet bevoegd is het statutaire doel te wijzigen. Volgens de wet kunnen de statuten, waaronder het statutaire doel, slechts gewijzigd worden indien de oprichter die mogelijkheid uitdrukkelijk in de statuten heeft geboden. Deze wettelijke bepaling is mijns inziens (nog steeds) relevant, aangezien deze bepaling de oprichter van een stichting dwingt om bij oprichting een keus te maken of hij doelwijziging door een stichtingsorgaan wil toestaan en, zo ja, of hij daarbij goedkeuring van een ander orgaan of een andere instantie voorschrijft. Ik meen dat het van belang is om bij oprichting van een stichting stil te staan bij de mogelijkheid van doelwijziging, omdat wijzigingsbevoegdheid er toe kan leiden dat het doelgebonden stichtingsvermogen een andere bestemming krijgt. Doelwijziging heeft daarmee mogelijk vergaande gevolgen voor de bij de stichting betrokken belanghebbenden.
Indien wordt besloten om bij de stichting een raad van toezicht in te stellen, dient de raad mijns inziens een rol te spelen bij de bescherming van het doel en het doelgebonden vermogen. De raad van toezicht richt zich bij de vervulling van zijn taak, net als het bestuur, naar het belang van de stichting en daarmee verbonden onderneming of organisatie. Daarbij de alle betrokkenen belangen in acht genomen te worden. Evenals de raad van commissarissen van andere rechtspersonen dient de raad van toezicht er op toe te zien dat het bestuur zich richt op doelverwezenlijking, maar ook dat het stichtingsvermogen wordt aangewend conform het stichtingsdoel. De raad van toezicht dient mijns inziens voldoende wettelijke en statutaire bevoegdheden te hebben teneinde het doelgebonden vermogen te kunnen bewaken. Ik meen dat in ieder geval wettelijk voorgeschreven zou moeten worden dat, indien een stichting een raad van toezicht instelt en doelwijziging mogelijk is gemaakt, bestuursbesluiten tot doelwijziging voorafgaande goedkeuring van de raad van toezicht behoeven.
Het belang van het doel en de doelgebondenheid van het vermogen van de stichting wordt door de wetgever onderstreept door de regeling van de vermogensklem bij omzetting van een stichting in een andere rechtsvorm. Ook andere besluiten en rechtshandelingen dan omzetting kunnen als gevolg hebben dat het stichtingsvermogen een andere bestemming krijgt, bijvoorbeeld: juridische fusie met en afsplitsing naar een stichting met een ander doel, ontbinding van de stichting en bestemming van het liquidatiesaldo. Een vermogensklem is in dergelijke gevallen, mijns inziens terecht, niet door de wet voorgeschreven. Wanneer het statutaire doel niet gewijzigd kan worden dient voor besluiten tot fusie of splitsing net als voor besluiten tot statutenwijziging wel rechterlijke goedkeuring gevraagd te worden. Ik meen dat als er een raad van toezicht is ingesteld, de raad bij dergelijke ingrijpende besluiten betrokken dient te worden. De wet zou daartoe een regeling dienen te bevatten.
Een stichting kan ook op andere manieren de bestemming of het karakter van het doelgebonden vermogen wijzigen. Zo kan een dochtervennootschap opgericht worden waarin (een deel van) het stichtingsvermogen wordt ondergebracht en kunnen vervolgens de aandelen in die dochtervennootschap worden verkocht. In de wet zou een algemene bepaling opgenomen kunnen worden op grond waarvan de raad van toezicht betrokken wordt bij besluiten waarmee de bestemming of het karakter van het doelgebonden vermogen wijzigt. Dergelijke besluiten zijn van materiële betekenis voor de stichting, net als bijvoorbeeld besluiten tot reorganisatie (vergelijk artikel 2:107a BW voor NV’s). Fusie, splitsing en ontbinding zijn echter in aparte titels van Boek 2 BW geregeld en aan doelwijziging van de stichting is in de stichtingentitel een aparte wettelijke bepaling gewijd, zodat het naar mijn mening duidelijker is om bij de desbetreffende artikelen voorafgaande goedkeuring door de raad van toezicht te regelen. In sectorcodes en/of “op maat gemaakte” statuten kunnen bepaalde andere besluiten omtrent een belangrijke verandering van de identiteit of het karakter van de stichting en het stichtingsvermogen worden onderworpen aan de goedkeuring van de raad van toezicht.
Naast het hebben van een doelgebonden vermogen worden stichtingen gekenmerkt door het uitkeringsverbod en het ledenverbod. Onderdeel van de taak van de raad van toezicht is er op toe te zien dat het stichtingsvermogen wordt besteed conform het stichtingsdoel en dat het uitkeringsverbod (bijvoorbeeld door het toekennen van bovenmatige vergoedingen aan bestuurders) en het ledenverbod niet worden overtreden. Hoewel het laatste woord hierover aan de rechter is, meen ik dat de raad van toezicht zelf het ledenverbod niet snel zal overtreden indien en zolang zijn bevoegdheden in het verlengde van zijn toezichthoudende taak liggen.
Aanbevelingen aan de wetgever:
Iedere raad van toezicht dient betrokken te worden bij besluiten tot doelwijziging, omzetting, fusie, splitsing, ontbinding en bestemming van het liquidatiesaldo van de stichting. Betrokkenheid van de raad van toezicht bij deze besluiten zou middels een goedkeuringsrecht in Boek 2 BW vastgelegd moeten worden.
[Zie paragraaf 4.5.4] Artikel 2:312 lid 4 BW zou dienen te bepalen dat de raad van toezicht van de stichting, indien deze is ingesteld, het voorstel tot fusie of splitsing moet goedkeuren en mede ondertekenen. Hetzelfde geldt overigens voor de (gewone) vereniging.
[Zie paragraaf 4.4.3] Artikel 2:294 lid 1 BW zou eveneens aan de raad van toezicht de mogelijkheid moeten bieden bij de rechter een verzoek in te dienen tot statutenwijziging (waaronder doelwijziging) op de in dat artikel genoemde gronden. Daaraan dient te worden toegevoegd dat de rechter slechts overgaat tot statutenwijziging nadat het bestuur hierover is gehoord.
[Zie paragraaf 4.4.3] In de wet zou opgenomen dienen te worden dat de rechterlijke beslissing om het doel te wijzigen of goedkeuring te verlenen aan een fusie of splitsing (waarbij het doel van de verkrijgende stichting anders komt te luiden), onverwijld bekend wordt gemaakt via een advertentie of op website van de stichting, zodat belanghebbenden van de stichting de mogelijkheid hebben om binnen de door de wet gestelde termijn bezwaar aan te tekenen.
Aanbevelingen voor sectorregels en sectorcodes:
Zolang Boek 2 BW hierover geen regeling bevat, zou in sectorregels en sectorcodes geregeld moeten worden dat aan de goedkeuring van de raad van toezicht zijn onderworpen bestuursbesluiten die (kunnen) leiden tot wijziging van de bestemming van het doelgebonden vermogen. In ieder geval vallen hieronder besluiten tot doelwijziging, omzetting, fusie, splitsing, ontbinding en bestemming van het liquidatiesaldo van de stichting, maar ook andere (combinaties van) besluiten zoals bijvoorbeeld oprichting van een dochtervennootschap, overdracht van stichtingsvermogen aan die dochter en/of verkoop en levering van aandelen in die dochtervennootschap aan een derde.