HR, 13-03-2015, nr. 14/04224
14/04224
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
13-03-2015
- Zaaknummer
14/04224
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2015:519, Uitspraak, Hoge Raad, 13‑03‑2015; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2014:2755, Bekrachtiging/bevestiging
Beroepschrift, Hoge Raad, 13‑03‑2015
- Vindplaatsen
Douanerechtspraak 2015/33
NTFR 2015/1171 met annotatie van mr. A.A. Feenstra
DouaneUpdate 2015-0167
FutD 2015-0628
Viditax (FutD) 2015031306
Uitspraak 13‑03‑2015
Partij(en)
13 maart 2015
nr. 14/04224
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [A] B.V. (thans: [X] B.V.) te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 3 juli 2014, nr. 13/00210, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. AWB 12/1479) betreffende ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikkingen op een verzoek tot herziening van de aangifte op de voet van artikel 78 van het Communautair douanewetboek. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ‘s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
2. Beoordeling van het middel
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende heeft in de periode van 8 september 2010 tot en met 24 januari 2011 139 aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van kleding. Deze aangiften heeft zij gedaan in opdracht van [B] S.R.O. (hierna: [B]), gevestigd in Tsjechië. Zij heeft bij het doen van de aangiften tegenover de douaneautoriteiten niet verklaard te handelen in naam en/of voor rekening van een ander.
2.1.2.
Bij brieven van 24 februari 2011 en 15 maart 2011 heeft belanghebbende de Inspecteur verzocht om terugbetaling van douanerechten die zij heeft betaald ter voldoening van de douaneschulden die zijn ontstaan wegens het doen van de hiervoor in 2.1.1 bedoelde aangiften, op de grond dat zij die aangiften per vergissing op eigen naam en ook voor eigen rekening heeft gedaan. Belanghebbende heeft in dat verband de Inspecteur verzocht de aangiften te herzien in die zin dat [B] als aangever heeft te gelden en dat zij, belanghebbende, de aangiften in naam en voor rekening van [B] heeft gedaan. Belanghebbende heeft daartoe een schriftelijke verklaring van [B] overgelegd, gedagtekend 31 maart 2011, waarin is vermeld:
"(...) prior to the first customs declaration for release for free circulation which [belanghebbende] has submitted to Dutch Customs, a mandate to act as our direct representative was given to [belanghebbende]."
2.1.3.
Bij beschikkingen van 11 april 2011 heeft de Inspecteur de hiervoor in 2.1.2 bedoelde verzoeken om herziening van de aangiften afgewezen.
2.2.
Het Hof heeft vooropgesteld dat in artikel 5, lid 4, tweede alinea, van het Communautair douanewetboek (hierna: het CDW) is bepaald dat de persoon die niet verklaart in naam of voor rekening van een andere persoon te handelen, geacht wordt in eigen naam en voor eigen rekening te handelen. Naar het oordeel van het Hof is het recht om zich bij de douaneautoriteiten te doen vertegenwoordigen in artikel 5 van het CDW uitputtend geregeld, waarbij het Hof heeft verwezen naar hetgeen in punt 30 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 7 april 2011, Sony Supply Chain Solutions (Europe) B.V., C-153/10, ECLI:EU:C:2011:224, is overwogen. Het Hof heeft geoordeeld dat het daarom niet mogelijk is dat door middel van een verzoek tot herziening van de aangifte op de voet van artikel 78 van het CDW wordt afgedaan aan hetgeen is bepaald in artikel 5, lid 4, van het CDW. Hierbij heeft het Hof mede van belang geacht dat aan de persoon van de aangever tal van rechten en plichten zijn toebedeeld, zoals de verplichting om in te staan voor de juistheid van de in aangifte voorkomende gegevens, de echtheid van ingediende documenten alsmede de verplichting tot betaling van de douaneschuld die kan voortvloeien uit de aangifte.
2.3.
Het middel richt zich met rechtsklachten tegen de hiervoor in 2.2 omschreven oordelen van het Hof met het betoog dat weliswaar in artikel 5 van het CDW uitputtend is vastgelegd welke mogelijkheden bestaan om zich bij het doen van een douaneaangifte te laten vertegenwoordigen, maar dat dit onverlet laat dat achteraf op grond van artikel 78 CDW de persoon van de aangever wordt gewijzigd volgens de mogelijkheden van vertegenwoordiging die in artikel 5 van het CDW zijn neergelegd.
2.4.1.
Op grond van artikel 4, onderdeel 18, van het CDW wordt als 'aangever' aangemerkt de persoon die in eigen naam een douaneaangifte doet of de persoon in wiens naam door een vertegenwoordiger een douaneaangifte wordt gedaan. In artikel 64 van het CDW is bepaald welke personen een douaneaangifte kunnen doen. In artikel 5 van het CDW is het recht van vertegenwoordiging neergelegd voor iedere persoon die zich voor het vervullen van de in de douanewetgeving voorgeschreven handelingen en formaliteiten bij de douaneautoriteiten wil doen vertegenwoordigen.
2.4.2.
In artikel 5, lid 4, tweede alinea, van het CDW is bepaald dat de persoon die niet verklaart in naam of voor rekening van een andere persoon te handelen of die verklaart in naam of voor rekening van een andere persoon te handelen zonder dat hij vertegenwoordigingsbevoegdheid bezit, wordt geacht in eigen naam en voor eigen rekening te handelen. Niet voor twijfel vatbaar is dat, anders dan belanghebbende betoogt, in deze bepaling het definitieve rechtsgevolg is neergelegd van het op de voet van artikel 64 van het CDW doen van een douaneaangifte op eigen naam en voor eigen rekening. Dit brengt mee dat niet op de voet van artikel 78 van het CDW kan worden bewerkstelligd dat na aanvaarding van de aangifte een andere persoon dan degene in wiens naam de aangifte in eerste instantie is gedaan in zijn plaats aangever wordt in de zin van artikel 4, onderdeel 18, van het CDW in samenhang gelezen met artikel 64 van het CDW. Een andersluidende opvatting heeft in wezen tot gevolg dat de oorspronkelijke aangifte wordt vervangen door een aangifte van een andere persoon. In dit laatste voorziet artikel 78 van het CDW niet. Het middel faalt derhalve.
3. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, P. Lourens, E.N. Punt en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2015.
Beroepschrift 13‑03‑2015
1. Inleiding
1.1.
Namens [A] BV, eerder ook handelend onder de naam [C] B.V., en thans handelend onder de naam [X] BV (hierna ook aangeduid als ‘Belanghebbende’) heeft ondergetekende, […] gemachtigde — zonder aanvoering van gronden — beroep in cassatie ingesteld tegen het vonnis van de Douanekamer van het Gerechtshof Amsterdam (‘het Hof’) van 3 juli 2014 met het kenmerk 13/00210 inzake het hoger beroep van Belanghebbende met betrekking tot aan belanghebbende opgelegde uitnodigingen tot betaling voor aangiften ten invoer van textiel.
1.2.
In de beroepsprocedure, alsook de procedure in hoger beroep stond ter discussie de vraag of de inspecteur gehouden is om aangiften die zijn gedaan op eigen naam en eigen rekening te herzien naar de vertegenwoordigingsfiguur ‘directe vertegenwoordiging’. Belanghebbende betoogde in de beroepsprocedure bij de Rechtbank alsmede in het hoger beroep voor het Hof dat deze herziening mogelijk is en moet worden toegepast. De inspecteur handhaaft echter het reeds in bezwaar ingenomen standpunt dat herziening niet mogelijk is.
1.3.
Het Hof oordeelt — samengevat — dat herziening van de vertegenwoordigingsfiguur niet mogelijk is.
1.4.
Bij brief van 23 september 2014 heeft de griffier bij uw Raad de ontvangst van het beroepschrift bevestigd onder kenmerk F14/04224 en verzocht om uiterlijk binnen zes weken de gronden van cassatie aan te voeren.
1.5.
Thans wordt overgegaan tot de motivering van het cassatieberoep. Aan het beroep ligt het hierna in hoofdstuk 3 beschreven middel van cassatie ten grondslag. Hierbij merk ik op dat ik in hoofdstuk 2 eerst nog een voorstel doe om de procedure aan te houden totdat in een andere procedure waar dezelfde juridische kwestie voorligt, duidelijkheid bestaat.
1.6.
Voor de vaststaande en niet ter discussie staande feiten wordt verwezen naar het procesdossier en de uitspraak van de Rechtbank en het Hof, meer in het bijzonder naar de feiten zoals genoemd in onderdeel 2 van het vonnis van het Hof.
2. Verzoek aanhouden zaak
2.1.
Ik merk op dat deze procedure niet de eerste kwestie betreft waarin bij de Hoge Raad over de onderliggende juridische kwestie — de mogelijkheid van de herziening van de vertegenwoordigingsfiguur — wordt geprocedeerd. Ook in de procedure met zaaknummer 13/04052 wordt eenzelfde cassatiemiddel — als onderdeel van meerdere middelen — aangevoerd.
2.2.
Die procedure heeft enige ‘voorsprong’ op de onderhavige procedure. Zoals de Hoge Raad bekend is, heeft de Advocaat-Generaal in die zaak een conclusie geschreven en hebben beide partijen zich hierover kunnen uitlaten. Een arrest zal naar verwachting medio maart 2015 worden gewezen.
2.3.
In het licht van het vorenstaande lijkt het mij zinvol dat de procedure in cassatie in de onderhavige kwestie wordt aangehouden, totdat arrest wordt gewezen in voornoemde procedure. Ook in het licht van het feit dat door de Advocaat-Generaal is aanbevolen om prejudiciële vragen te stellen, lijkt het mij minder zinvol om reeds nu de volledige procedure te doorlopen.
2.4.
Ik verzoek de Hoge Raad daarom de onderhavige procedure aan te houden, in ieder geval totdat arrest is gewezen door de Hoge Raad c.q. de eventueel nog te stellen prejudiciële vragen zijn beantwoord.
2.5.
Ingeval de Hoge Raad de procedure niet wenst aan te houden, heb ik hierna het cassatiemiddel aangevoerd en het grootste gedeelte van de toelichting.
3. GRIEF (Ten onrechte wordt de aangifte niet herzien)
Grief: Schending, althans verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder van artikel 78 CDW en/of verzuim van vormen, waarvan de niet Inachtneming tot nietigheid leidt, doordat de Douanekamer ten onrechte en onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat het niet mogelijk is om de vertegenwoordigingsfiguur te wijzigen.
3.1.
In onderdeel 5.2 — 5.7 van het vonnis overweegt het Hof als volgt:
‘5.2.
Artikel 78, eerste lid, van het CDW voorziet in de mogelijkheid dat de douaneautoriteiten na vrijgave van de goederen de aangifte opnieuw onderzoeken (‘herziening’). Dit heronderzoek kan ambtshalve plaatsvinden of op verzoek van de aangever. Indien uit dit onderzoek blijkt dat de bepalingen die voor de betrokken douaneregeling gelden op grond van onjuiste of onvolledige gegevens zijn toegepast, nemen de douaneautoriteiten op grond van artikel 78, derde lid, van het CDW de nodige maatregelen om een en ander recht te zetten, rekening houdend met de nieuwe gegevens waarover zij beschikken;
5.3.
Artikel 78, derde lid, van het CDW moet aldus worden uitgelegd dat zowel materiële fouten of vergissingen als een onjuiste uitlegging van het toepasselijke recht kunnen worden rechtgezet, waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen fouten en vergissingen die wel en andere die niet kunnen worden rechtgezet (vgl. HvJ EU 20 oktober 2005, nr. C-468/03, Overland Footwear Ltd II, punt 63). Hoewel de mogelijkheid tot het achteraf corrigeren van een aangifte daarmee zeer ruim is geformuleerd, is deze mogelijkheid naar 's Hofs oordeel niet onbegrensd.
5.4.
In casu heeft belanghebbende de inspecteur bij verzoeken Ingekomen op 25 februari 2011 en 17 maart 2011 verzocht om in totaal 139 aangiften, die zij in de periode van 8 september 2010 tot en met 24 januari 2011 heeft gedaan op eigen naam en voor eigen rekening, zodanig te wijzigen dat sprake is van aangiften op naam en voor rekening van [B] S.R.O. (directe vertegenwoordiging), zodat zij niet langer kan worden aangemerkt als aangever. De inspecteur heeft dit verzoek afgewezen, zich op het standpunt stellend dat geen juridische grondslag aanwezig is voor de gevraagde wijziging. Het Hof overweegt ter zake als volgt.
5.5.
In artikel 5, vierde lid, tweede alinea, van het CDW is bepaald dat de persoon die niet verklaart In naam of voor rekening van een andere persoon te handelen, geacht wordt in eigen naam en voor eigen rekening te handelen. Het recht om zich bij de douaneautoriteiten te doen vertegenwoordigen is in artikel 5 van het CDW uitputtend geregeld (vgl HvJ EU 7 april 2011, nr. C-153/10, Sony Supply Chain Solutions (Europe) BV, punt 30). Het Hof acht het daarom niet mogelijk om via een verzoek op de voet van artikel 78 van het CDW te derogeren aan artikel 5, vierde lid, van het CDW. Hierbij is mede van belang dat de persoon van de aangever als subject van de douaneregeling ‘in het vrije verkeer brengen’ een sleutelrol vervult in het wettelijke systeem van het CDW en de Uitvoeringsverordening Communautair Douanewetboek (hierna: UCDW). Aan deze persoon zijn tal van rechten en plichten toebedeeld, zoals de verplichting om in te staan voor de juistheid van de in de aangifte voorkomende gegevens, de echtheid van ingediende documenten (vgl. artikel 199 UCDW) en de verplichting tot betaling van de douaneschuld die voortvloeit uit de aangifte (artikel 201, derde lid, CDW).
Gelet op deze sleutelrol acht het Hof niet voor redelijke twijfel vatbaar dat het uitgesloten is dat een aangever achteraf zou kunnen verzoeken om zijn aangiften zodanig te wijzigen dat een andere persoon als aangever wordt aangemerkt.
5.6.
Het door belanghebbende aangehaalde arrest HvJ EU 12 juli 2012, nr. C-608/10, Südzucker AG, voert niet tot een ander oordeel. In genoemd arrest heeft het HvJ EU voor recht verklaard dat het op de voet van artikel 78 van het CDW mogelijk is om in een uitvoeraangifte In vak 2 de naam in van de exporteur te wijzigen. Dit verzoek is blijkens punt 78 van de verwijzingsuitspraak van Finanzgericht Hamburg (d.d. 9 november 2010,4 K 278/07) ingediend door de aangever, vermeld in vak 14 van de aangifte. Van een vergelijkbaar geval in de zin van een wijziging van de persoon van de aangever is derhalve in genoemd arrest geen sprake. Evenmin is zulks het geval in de arresten Terex Equipment Ltd e.a. (HvJ EU 14 januari 2010, C-430/08 en 431/08) en Overland Footwear (HvJ EU 20 oktober 2005, C-468/03).
5.7.
De omstandigheid dat het Handboek douane, onderdeel 2.00.00, paragraaf 3.3.3, wel voorziet in de door belanghebbende gewenste wijziging, mits een daartoe strekkend verzoek wordt ingediend binnen zes weken na het doen van de aangifte, voert evenmin tot een ander oordeel. In genoemd onderdeel is uitdrukkelijk vermeld dat de persoon van de aangever niet kan worden gewijzigd op grond van artikel 78 CDW en wordt daarenboven gewezen op het uitputtende karakter van artikel 5, vierde lid, tweede alinea, van het CDW voor de vaststelling van de rechtsgevolgen van fouten bij de vertegenwoordiging. De mogelijkheid om desondanks binnen zes weken na het doen van de aangifte de persoon van de aangever te wijzigen dient derhalve te worden gekwalificeerd als begunstigend beleid, in afwijking van het CDW. Belanghebbende kan aan dit beleid geen in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen (vgl. HvJ EU 7 april 2011, nr. C-153/10, Sony Supply Chain Solutions (Europe) BV, punt 47 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
Ook indien dit anders ware zou het Hof het beroep van belanghebbende op algemene rechtsbeginselen niet hebben gehonoreerd. Het neemt daarbij in aanmerking dat in een geval als het onderhavige, waarin repeterend 139 aangiften zijn ingediend, geen sprake kan zijn van een incidenteel geval als bedoeld in het Handboek, nog daargelaten dat het verzoek om herziening voor het merendeel van de aangiften niet binnen de In het Handboek genoemde termijn van zes weken is ingediend. In de twee door belanghebbende aangedragen ‘gelijkaardige’ gevallen gaat het, naar de inspecteur, niet althans onvoldoende weersproken, heeft gesteld wel om incidentele gevallen, die elk één aangifte betreffen. Van rechtens en feitelijk gelijke gevallen is dan geen sprake.
Belanghebbende kan derhalve niet met vrucht een beroep op het vertrouwens- en/of het gelijkheidsbeginsel doen.’
3.2.
Dit oordeel van de het Hof is onbegrijpelijk en ook daarmee onjuist:
- —
Het oordeel van de Douanekamer dat het niet mogelijk is om via een verzoek ex artikel 78 CDW te derogeren aan artikel 5 CDW is onjuist en onvoldoende toegelicht. Belanghebbende heeft namelijk niet verzocht om de aangifte te wijzigen buiten het bereik van artikel 5 CDW;
- —
Voorts is het oordeel onbegrijpelijk en ook onjuist dat als gevolg van de sleutelrol van de aangever, herziening van de aangever / vertegenwoordigingsfiguur onmogelijk is. Uit jurisprudentie blijkt dat andere elementen die een sleutelrol vormen binnen de aangifte, ook kunnen worden gewijzigd.
Toelichting cassatiemiddel
A. Inleiding
3.3.
De UTB kan niet in stand blijven omdat Belanghebbende terecht een verzoek heeft gedaan om herziening van de aangiften en deze herziening tot gevolg heeft dat de aangiften geacht moeten zijn gedaan onder directe vertegenwoordiging.
3.4.
De Douanekamer oordeelt ten aanzien van de vraag of tot herziening kan worden overgegaan ten eerste — in r.o. 5.8. — dat de mogelijkheid om een aangifte achteraf te corrigeren — te herzien — weliswaar ‘zeer ruim is geformuleerd’, maar deze mogelijkheid is naar het oordeel van de Douanekamer niet onbegrensd.
3.5.
Dat in dit geval niet tot herziening kan worden overgegaan motiveert de Douanekamer met de overweging dat:
- —
Artikel 78 CDW niet derogeert aan de bepalingen van artikel 5 CDW;
- —
De persoon van de aangever als subject van de douaneregeling in het vrije verkeer brengen een sleutelrol vervult en tal van rechten en plichten zijn toebedeeld aan deze persoon, waaronder de verplichting om tot betaling van de douaneschuld over te gaan.
3.6.
Inzake het door Belanghebbende aangehaalde arrest Südzucker stelt de Douanekamer — samengevat — dat geen sprake is van een wijziging van de persoon van de aangever en — zo concludeert Belanghebbende — de overwegingen daarom niet relevant zijn.
3.7.
De verwijzing naar de mogelijkheid om wél tot herziening van de aangifte over te gaan binnen de faciliteit die het Handboek Douane zelf aanwijst, doet de Douanekamer samengevat af als ‘begunstigend beleid’ waar Belanghebbende geen rechten aan kan ontlenen.
B. Artikel 5 lid 4 CW versus artikel 78 CDW
3.8.
De Douanekamer oordeelt in r.o. 5.10 dat het recht om zich bij de douaneautoriteiten te doen vertegenwoordigen uitputtend in artikel 5 is geregeld. Reeds dit lijkt voor de Douanekamer voldoende reden om te oordelen dat artikel 5 CDW voorgaat op artikel 78 CDW.
3.9.
Belanghebbende merkt ten eerste op dat zij het oordeel van de Douanekamer onbegrijpelijk acht, daar waar de Douanekamer oordeelt dat het niet mogelijk is om via een verzoek ex artikel 78 CDW te derogeren aan artikel 5 CDW. Hoewel in artikel 5 CDW inderdaad uitputtend is vastgelegd welke mogelijkheden bestaan om zich te laten vertegenwoordigen, ziet Belanghebbende niet in wat het gevolg hiervan is in relatie tot de mogelijkheden van artikel 78 CDW. Het verzoek van Belanghebbende, op grond van artikel 78 CDW, is immers niet gericht om te komen tot een situatie die niet binnen het toepassingsbereik van artikel 5 CDW viel. Er was sprake van een situatie waarbij aangifte is gedaan op eigen naam en eigen rekening — een mogelijkheid die op grond van artikel 5 CDW — terwijl beoogd was aangifte te doen met toepassing van directe vertegenwoordiging, eveneens een mogelijkheid die bestaat op grond van artikel 5 CDW.
3.10.
Slechts als Belanghebbende zou verzoeken om herziening naar een situatie die niet op grond van artikel 5 CDW mogelijk is, kan worden gesteld dat het niet mogelijk is om met toepassing van artikel 78 CDW af te wijken van de uitputtende (vertegenwoordigings)mogelijkheden van artikel 5 CDW. Daar is echter geen sprake van, zodat Belanghebbende niet begrijpt waarom de Douanekamer dit oordeel uitspreekt.
3.11.
De bepaling van artikel 5 lid 4 CDW is slechts een wetsfictie en heeft geen andere werking dan een uitgangspunt vast te leggen en te bepalen dat de vertegenwoordiger bij het doen van een douaneaangifte wordt verplicht te verklaren vertegenwoordiging toe te passen. Dat de persoon die niet verklaart in naam of voor rekening van een andere persoon te handelen geacht wordt in eigen naam en voor eigen rekening te handelen vloeit uit deze hoofdregel voort. Deze hoofdregel is niet vreemd, ook niet allesoverheersend en de werking ervan is beperkt tot aanvullend recht.
3.12.
In het bestuursrecht, en ook in het communautaire douanerecht, zijn wel meerdere van deze wetsficties opgenomen. Een voorbeeld is artikel 71 CDW waarin uitgangspunten zijn vastgelegd voor de situatie dat verificatie van de aangifte heeft plaatsgevonden (lid 1) en voor het geval er geen verificatie heeft plaatsgevonden (lid 2). Desgewenst kan echter — uiteraard — van deze uitgangspunten worden afgeweken. De bewijslast ligt dan wel bij degene die wenst af te wijken, maar als hij slaagt in de bewijslast, dan wordt alsnog uitvoering gegeven aan de ‘gewijzigde’ omstandigheden. Overigens is dan ook artikel 78 CDW nodig om de gewijzigde omstandigheden te effectueren.
3.13.
Niet valt in te zien waarom het in dit geval wel mogelijk zou zijn om te derogeren aan artikel 71 CDW, terwijl dit bij artikel 5 CDW niet mogelijk is.
3.14.
Enkele andere voorbeelden. In het kader van de douanewaarde kan verzuimd worden (hetgeen ook terdege frequent voorkomt) om bij de leveringscondities DDP of DAP ‘binnenland’ de vrachtkosten in mindering te brengen. Ook hier geldt dat wanneer de aangever niet expliciet hiertoe verzoekt, de aftrek niet zal plaatsvinden. Dat is overigens ook niet anders ten aanzien van de preferentiële oorsprong waarbij geldt dat preferentiële oorsprong moet worden geclaimd en dat, wanneer dit niet wordt gedaan, er van wordt uitgegaan dat geen preferentieel recht van toepassing is. En toch zal in al deze gevallen wel tot herziening worden overgegaan, de aangifte worden gewijzigd en zo nodig terugbetaling volgen.
3.15.
Niet valt in te zien waarom voor vertegenwoordiging een eerdere — abusievelijk onjuiste — keuze nooit meer kan worden gewijzigd. Ook heeft deze stellingname vreemde gevolgen. Immers, als de vertegenwoordigingsfiguur niet kan worden gewijzigd, dan kan later, als bijvoorbeeld directe vertegenwoordiging is toegepast maar vast komt te staan dat deze vertegenwoordiging ten onrechte plaatsvond, dit ook niet meer worden gewijzigd naar een situatie waarbij de aangifte op eigen naam en eigen rekening plaatsvond.
C. Jurisprudentie van het Hof van Justitie — arrest Südzucker & arrest Terex
3.16.
Uit het vorenstaande blijkt wel dat Belanghebbende van mening is dat het terdege mogelijk is om de vertegenwoordigingsfiguur op grond van artikel 78 CDW te wijzigen. Belanghebbende baseert dit onder meer op de jurisprudentie van het Hof van Justitie. Het Hof van Justitie heeft relevante jurisprudentie gewezen over soortgelijke zaken. Belanghebbende doelt dan op het arrest van het Hof van Justitie van 12 juli 2012, gevoegde zaken C-680/10, C-10/11 en C-23/11 (onder meer Südzucker AG), hierna ook ‘arrest Südzucker’ en, mede in onderling verband met voornoemd arrest gezien, het arrest van 14 januari 2010, C-430/08 en 431-08 (onder meer Terex Equipment Ltd) hierna ook ‘arrest Terex’.
3.17.
Het eerder genoemde arrest Südzucker heeft betrekking op drie dossiers waarbij prejudiciële vragen werden gesteld aan het Hof van Justitie inzake uitvoeraangiften met een claim op uitvoerrestitutie. Voornamelijk de zaak C-608/10 is van belang in welk geval bij uitvoer wél een uitvoerrestitutieclaim werd gedaan, doch de onjuiste persoon als exporteur werd opgevoerd. De exporteur wordt in een aangifte — althans formulier Enig Document — vermeld in vak 2.
3.18.
Nadat werd opgemerkt dat de verkeerde exporteur was ingevuld is een verzoek tot herziening van de aangifte ingediend. Dit verzoek werd echter niet gehonoreerd. Het Finanzgericht Hamburg heeft hierover onder meer de volgende prejudiciële vraag gesteld:
[…] kan dan op basis van artikel 78, leden 1 en 3, van het douanewetboek de aangifte ten uitvoer achteraf worden herzien, teneinde de naam van de exporteur in vak 2 van de aangifte ten uitvoer te kunnen veranderen, en zijn dan de douaneautoriteiten in een geval als in het hoofdgeding verplicht de situatie recht te zetten en de exporteur een restitutie bij uitvoer toe te kennen?
3.19.
Het arrest Terex heeft betrekking op de vraag of het mogelijk is om een aangifte te wijzigen waarbij voor goederen die de EG uitgingen, eerst werd aangegeven dat deze onder de regeling uitvoer (met vermelding van de code 10 00 in vak 37) werden geplaatst, doch achteraf bleek dat deze onder de douaneregeling actieve veredeling (met vermelding van de code 3151 in vak 37) moesten worden geplaatst.
3.20.
Het VAT and Duties Tribunal Edinburgh stelde onder meer de volgende prejudiciële vraag:
‘Staat het douanewetboek, inzonderheid artikel 78 ervan, herziening van de aangifte toe om de code van de douaneregeling te corrigeren en, zo ja, zijn [de douaneautoriteiten van het Verenigd Koninkrijk] dan verplicht de aangifte te wijzigen en een en ander recht te zetten?’
3.21.
In het arrest van het Hof van Justitie oordeelt het Hof in de zaak Terex — samengevat — dat artikel 78 CDW herziening van de aangifte ten uitvoer met het oog op de correctie van de douaneregeling die de aangever heeft gegeven toestaat en dat de douaneautoriteiten verplicht zijn om nader onderzoek uit te voeren of met inachtneming van de doelstelling van actieve veredeling maatregelen kunnen worden genomen om een en ander recht te zetten en tot terugbetaling van rechten over te gaan.
3.22.
In de zaak Südzucker oordeelt het Hof van Justitie dat ‘artikel 78, lid 3, van het douanewetboek het, in beginsel, mogelijk maakt om een aangifte ten uitvoer te herzien teneinde de in vak 2 van die aangifte vermelde naam van de exporteur te corrigeren.’
3.23.
Belanghebbende verwijst naar deze twee uitspraken van het Hof van Justitie, omdat hier duidelijk uit blijkt dat het toepassingsbereik van artikel 78 CDW breed is. Zo breed, dat bij uitvoer de persoon van de exporteur kan worden gewijzigd en dat hoewel goederen onder een regeling uitvoer zijn uitgegaan, achteraf moest worden vastgesteld of plaatsing onder actieve veredeling ook mogelijk was geweest.
D. Sleutelrol van aangever
3.24.
De Douanekamer oordeelt dat herziening van de vertegenwoordigingsfiguur niet mogelijk is omdat de ‘aangever’ een sleutelrol heeft die vele rechten en plichten heeft. Hoewel Belanghebbende met de Douanekamer van mening is dat diverse rechten en plichten zijn verbonden aan de persoon van de aangever, valt daarmee nog niet in te zien waarom dit element niet zou kunnen worden gewijzigd.
3.25.
Het tegendeel is overigens ook logischer. Wanneer blijkt dat de persoon die als aangever is benoemd in de aangifte onjuist is en deze juist niet kan voldoen aan de verplichtingen, staat niets in de weg om de vertegenwoordigingsfiguur nu net wel te wijzigen.
3.26.
In dit licht is overigens ook goed te begrijpen waarom het Handboek Douane de mogelijkheid tot herziening van de vertegenwoordigingsfiguur wél toestaat, alleen is het vreemd en ook onjuist dat een termijn van zes weken wordt verbonden om tot herziening van de vertegenwoordigingsfiguur te verzoeken.
3.27.
De sleutelrol die de Douanekamer aan de aangever toedicht is weliswaar juist, maar maakt niet dat hiermee is toegelicht dat daarom herziening van de aangever niet mogelijk is. Integendeel, de verplichtingen — en rechten — die zijn voorbehouden aan de aangever, kunnen in veel gevallen wel worden overgedragen. Dit blijkt ten eerste uit de faciliteit (tot herziening van de vertegenwoordigingsfiguur) die het Handboek Douane biedt. Maar juist ook het feit dat wanneer achteraf blijkt dat ten onrechte directe vertegenwoordiging is toegepast, de vertegenwoordigingsfiguur wordt herzien naar ‘eigen naam en eigen rekening’ en het blijkbaar opeens wel mogelijk is dat de rechten en plichten overgaan van de origineel vertegenwoordigde naar de vertegenwoordiger. Het oordeel — en de onderliggende motivering — dat in het ene geval herziening wel mogelijk is en in het andere geval niet is naar de mening van Belanghebbende dermate onlogisch, dat het in ieder geval een uitgebreide toelichting behoeft, welke toelichting in het oordeel van de Douanekamer echter ontbreekt.
3.28.
Voorts merkt Belanghebbende op dat uit de hiervoor aangehaalde jurisprudentie nu juist wel blijkt dat elementen van de aangifte kunnen worden gewijzigd waarbij dat element een sleutelrol vervult. Belanghebbende meent dat het element ‘exporteur’ in de uitvoeraangifte en de ‘douaneregeling’ in welke aangifte dan ook, toch even belangrijke ‘sleutelposities bekleden’ als de persoon van de aangever.
3.29.
Belanghebbende merkt in dit kader ook op dat toepassing en beëindiging van de regeling actieve veredeling specifieke en vergaande verplichten met zich brengt. Uit het arrest Terex citeer ik:
- 41.
Hier dient de nadruk te worden gelegd op de specifieke kenmerken van de regeling actieve veredeling en op de rol die meer bepaald de vermelding van de juiste code van douaneregeling in dit verband vervult bij de beoordeling of de vermelding van een code tot aanduiding van de uitvoer van communautaire goederen al dan niet afbreuk doet aan de controlemogelijkheden van de douaneautoriteiten.
- 42.
Allereerst is, zoals de Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft opgemerkt, de regeling actieve veredeling, die tot schorsing van de douanerechten leidt, een uitzonderlijke maatregel die bedoeld is om een aantal economische activiteiten vlotter te doen verlopen. Aangezien deze regeling voor de hand liggende risico's inhoudt voor de juiste toepassing van de douanereglementering en voor de inning van de douanerechten, moeten de begunstigden van deze regeling de daaruit voortvloeiende verplichtingen strikt nakomen. De gevolgen die zij ondergaan bij niet-nakoming van hun verplichtingen, moeten dus eveneens strikt worden uitgelegd.
- 43.
De verplichting op grond van artikel 182, lid 3, van het douanewetboek om een douaneaangifte in te dienen met vermelding van de juiste code van douaneregeling die aangeeft dat het gaat om de wederuitvoer van onder de regeling actieve veredeling geplaatste goederen, is van bijzonder groot belang voor het douanetoezicht in het kader van deze douaneregeling.
3.30.
Ondanks al deze bijzondere en vergaande verplichtingen die bij actieve veredeling gelden, heeft het Hof van Justitie dus toch geoordeeld dat herziening van de gekozen douaneregeling mogelijk is.
3.31.
Voor de persoon van de exporteur geldt dat deze bij uitvoer — en ook actieve veredeling — direct gekoppeld wordt aan de aangever. Uitvoer brengt immers bijzondere verplichtingen met zich zodat op grond van artikel 64 CDW de aangifte met directe of indirecte vertegenwoordiging móet worden gedaan.
3.32.
Met betrekking tot een claim op en uitbetaling van uitvoerrestitutie geldt dat voor dit ‘rechtsgebied’ wel het zwaarst mogelijke controleregime geldt. Een regime waarbij een kleine onregelmatigheid direct leidt tot het niet uitbetalen van de uitvoerrestitutie en het verbeurd geraken van een forse administratieve verhoging.
3.33.
Ondanks dit alles en met inachtneming van de specifieke verplichtingen in het kader van uitvoerrestitutie, acht het Hof van Justitie herziening van de persoon van exporteur dus terdege mogelijk.
3.34.
Tenslotte merkt Belanghebbende in dit kader op dat bij het arrest Südzucker weliswaar — zoals de Douanekamer overweegt-geen sprake was van wijziging van de aangever, maar dat de ratio van dit arrest — en het arrest Terex — wel meer dan duidelijk is; Wanneer het — zoals blijkt uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie — mogelijk is om elementen als de gekozen douaneregeling te wijzigen, of de exporteur tevens aangever, dan kan naar de mening van Belanghebbende niet ter discussie staan dat ook de vertegenwoordigingsfiguur onderwerp van wijziging c.q. herziening kan en moet zijn.
E. Conclusie Advocaat-Generaal
3.35.
Zoals ik hiervoor heb aangevoerd, heeft de Advocaat-Generaal in een andere kwestie reeds een conclusie genomen inzake de mogelijkheid tot herziening van de aangifte. Het betreft de conclusie van 10 juni 2014 in de procedure met zaaknummer 13/04052.
3.36.
Hoewel deze conclusie geen onderdeel uitmaakt van het procesdossier van de onderhavige kwestie, is het uiteraard wel een ‘publiek’ stuk dat beschrijft wat de zienswijze van de Advocaat-Generaal is over deze kwestie. Daarom zal ik hierna de zienswijze van Belanghebbende toelichten.
3.37.
Wat betreft de door de AG aangehaalde jurisprudentie, ziet Belanghebbende het grote verschil met het arrest Südzucker niet echt. Het kwalificeren als exporteur was ook in die kwestie een ‘vrije keuze’, ofwel beide partijen waren mogelijk als exporteur aan te merken. Südzucker is immers niet een expediteur die nimmer over de goederen kon beschikken, maar ook terdege exporteur.
3.38.
Uit hetgeen de AG overweegt in 7.16.7 — en uit de aangehaalde jurisprudentie — maakt Belanghebbende op dat het dus wél mogelijk is om een fout (of vergissing) recht te zetten, ook als de aanvankelijk gekozen positie wellicht wel met de ‘mogelijke werkelijkheid’ overeenkomt.
3.39.
Dat een herziening alleen mogelijk is ‘wanneer de doelstellingen van de desbetreffende Unieregeling geen gevaar lopen’, kan Belanghebbende in het kader van de onderhavige procedure niet volledig duiden. Wanneer de douaneschuld hetzelfde blijft en alleen degene die deze douaneschuld moet betalen wijzigt, ziet Belanghebbende niet in dat hiermee de doelstellingen van de Unieregeling gevaar loopt Bij het doen van de aangifte wordt de liquiditeit of solvabiliteit niet beoordeeld, anders dan dat de douaneschuld direct moet worden betaald. De mogelijkheid dat later nog een navordering kan volgen, maakt niet dat een partij wel of niet als schuldenaar bij het doen van de aangifte wordt toegelaten. Met andere woorden, of de importeur of de expediteur de aangever en schuldenaar is, doet niet ter zake of de aangifte wordt aanvaard.
3.40.
In dit licht merkt Belanghebbende op dat een expediteur — gezien zijn beperkte toegevoegde waarde en het feit dat hij niet in het bezit is van de goederen — vaak minder verhaal zal bieden dan de importeur, ingeval een navordering volgt. Wijziging van de vertegenwoordigingsfiguur van eigen naam en eigen rekening naar directe vertegenwoordiging (en dus op rekening van de opdrachtgever, in veel gevallen zijnde de importeur) is dan ook zeker niet per definitie een risico voor de inning van de rechten bij invoer.
3.41.
Wat betreft het arrest Terex merkt Belanghebbende op dat bij normale uitvoer een ander controleregime van toepassing zal zijn, dan bij uitvoer na plaatsing onder de regeling actieve veredeling. En toch heeft het Hof van Justitie geen reden gezien om de herziening (en gevolgtrekking hieruit) af te wijzen.
3.42.
Wanneer de AG bedoelt te concluderen — ik verwijs naar overweging 7.17.3 van de conclusie — dat herziening wel mogelijk is als dit leidt tot een ander bedrag aan verschuldigde rechten en herziening niet mogelijk is wanneer het bedrag gelijk blijft, merkt Belanghebbende het volgende op. Naast het feit 1dat de aangifte ten invoer (of andere aangiften) fiscale maatregelen met zich brengen, zijn er ook legio niet-fiscale maatregelen die worden gekoppeld aan de inhoud van de douaneaangifte. Ook een wijziging van de niet-fiscale elementen, zonder dat hierbij een fiscale component een rol speelt, kunnen er naar de mening van Belanghebbende toe leiden dat de juiste vermelding (en dus herziening) wordt gerechtvaardigd.
3.43.
Als Belanghebbende de AG goed begrijpt, dan is zij — samengevat — van mening dat artikel 78 CDW slechts ziet op omissies en de onjuiste uitlegging van het toepasselijk recht (een en ander zoals wordt overwogen en geconcludeerd in overweging 7.13 van de conclusie) en voldoet de onderhavige situatie niet aan dit criterium en het doel van artikel 78 CDW.
3.44.
Belanghebbende is van mening dat deze uitleg van het toepassingsbereik van artikel 78 CDW te beperkt is en ook niet volgt uit de parlementaire geschiedenis, noch uit andere bepalingen.
3.45.
Dat artikel 78 CDW niet zo kan worden toegepast, blijkt naar de mening van Belanghebbende duidelijk uit het volgende. Wanneer de conclusie van de AG juist is en artikel 78 CDW geen grondslag biedt om de vertegenwoordigingsfiguur te wijzigen, dan betekent dit ook dat herziening niet mogelijk is in een situatie waarbij twee partijen gemoeid zijn (een opdrachtgever en opdrachtnemer, bijvoorbeeld importeur respectievelijk douane-expediteur), directe vertegenwoordiging is toegepast maar later blijkt dat er geen of onvoldoende volmacht bestond om als direct vertegenwoordiger op te treden.
3.46.
In een dergelijke situatie zou het niet mogelijk zijn — als Belanghebbende de AG goed begrijpt — om de vertegenwoordigingsfiguur ‘terug’ te wijzigen naar aangifte op eigen naam en eigen rekening. Immers, artikel 78 GDW is niet beperkt tot éénrichtingsverkeer waarbij de Douane alleen in het (fiscaal) nadeel van de belanghebbende kan beschikken. Artikel 78 CDW heeft betrekking op tweerichtingsverkeer waarbij herziening zowel door de inspecteur alsook door de belanghebbende kan worden geïnitieerd en de gevolgen hiervan moeten worden doorgevoerd wanneer herziening mogelijk is. Wanneer artikel 78 CDW geen grondslag biedt om de vertegenwoordigingsfiguur te wijzigen van aangifte op eigen naam en eigen rekening naar directe vertegenwoordiging, dan kan het ook geen grondslag bieden om de aangifte met toepassing van directe vertegenwoordiging te wijzigen in een aangifte op eigen naam en eigen rekening.
3.47.
Op grond van het vorenstaande is Belanghebbende derhalve van mening dat — in afwijking van hetgeen de AG stelt — prejudiciële vragen niet nodig zouden moeten zijn voor de beantwoording van de vraag of herziening in deze kwestie mogelijk is. Herziening is, zoals hiervoor betoogd en gemotiveerd, mogelijkl
3.48.
Wanneer de Hoge Raad desalniettemin van mening is dat herziening niet zonder meer mogelijk is, dan meent Belanghebbende — subsidiair — dat het stellen van prejudiciële vragen inderdaad wel nodig is om de toepassing van artikel 78 CDW in relatie tot deze kwestie te kunnen duiden.
4. Conclusie
4.1.
Belanghebbende concludeert dat niets in de weg staat om de aangiften te herzien. Op basis van de arresten Terex en Südzucker, maar ook het arrest van 20 oktober 2005, C-468/03 (Overland Footwear), is herziening van het element aangever terdege mogelijk.
4.2.
Wel gelden enkele voorwaarden. Zo moet de Douane in staat worden gesteld om de nieuwe vermelding(en) in de aangifte te controleren. Dat is in deze eenvoudig en ook uitvoerbaar. Immers, vast staat dat een volmacht is afgegeven door de opdrachtgever, hier bestaat geen discussie over.
4.3.
Voorts mogen, zo blijkt onder meer uit r.o. 62 van het arrest Terex, de doelstellingen van de douaneregeling geen gevaar lopen. De doelstelling van de regeling in het vrije verkeer brengen is, zo leidt Belanghebbende af uit artikel 79 CDW, het toepassen van de handelspolitieke maatregelen, het vervullen van de overige formaliteiten alsmede de toepassing van de wettelijk verschuldigde rechten. Ongeacht de vertegenwoordigingsfiguur, wordt aan al deze doelstellingen voldaan.
4.4.
Op grond van het vorenstaande moet de eindconclusie zijn dat het terdege mogelijk is om de aangiften te herzien, in die zin dat de wijze van vertegenwoordiging wordt gewijzigd van ‘op eigen naam en eigen rekening’ naar directe vertegenwoordiging. Hieruit vloeit de conclusie voort dat Belanghebbende geen schuldenaar is en de UTB dus ten onrechte is opgelegd aan Belanghebbende.
4.5.
In het geval dat uw Raad niet van mening is dat de aangiften zonder meer kunnen worden herzien ex artikel 78 CDW, dan stel ik voor dat prejudiciële vragen worden gesteld aan het Hof van Justitie.
4.6.
Op grond van het voorgaande moge ik uw Raad in overweging geven, de uitspraak van de Douanekamer van het Gerechtshof te Amsterdam, waarvan beroep in cassatie, te vernietigen, en zelf in de zaak te voorzien door te oordelen dat Belanghebbende ten onrechte als schuldenaar is aangemerkt omdat herziening wél mogelijk is, althans, als uw Raad van mening is dat zij niet zelf in de zaak kan voorzien, de zaak terug te verwijzen naar de Douanekamer, althans één van de Gerechtshoven.
4.7.
Wanneer uw Raad niet van mening is dat de UTB op voornoemde gronden moet worden vernietigd en blijkbaar niet bij voorbaat van mening is dat herziening ex artikel 78 CDW van de vertegenwoordigingsfiguur mogelijk is, dan moge ik uw Raad in overweging geven om prejudiciële vragen te stellen over de vraag of in een situatie als de onderhavige de mogelijkheid bestaat om tot herziening van de vertegenwoordigingsfiguur over te gaan, op welke vraag Belanghebbende meent dat deze bevestigend beantwoord moet worden.
4.8.
Tenslotte verzoekt Belanghebbende om een proceskostenvergoeding vast te stellen alsmede om vergoeding van het betaalde griffierecht.