Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/4.2.2.2
4.2.2.2 De keuze van de persoon van de deskundige en het aantal deskundigen
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS702021:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 31 mei 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0264, NJ 1991/524; HR 9 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF8875, NJ 2011/252.
Rutgers, in: Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, art. 194, aant. 7 (online, bijgewerkt 1 oktober 2009) en verwijzingen aldaar.
De Groot 2008, § 4.7.2.
De Groot 2008, § 4.7.2; Thoe Schwarzenberg 2013, p. 219.
Snijders, Klaassen & Meijer 2017, p. 315. Zie ook De Groot 2008, § 4.5.2, die erop wijst dat tot 1 april 1988 partijen wel een doorslaggevende invloed hadden op de persoon van de deskundige.
De Groot 2008, § 4.5.2.
Zoals ook bevestigd in lagere rechtspraak: Rb. Arnhem 2 maart 2005, ECLI:NL:RBARN:2005:AT2927; Rb. Amsterdam 23 januari 2008, ECLI:NL:RBAMS:2008:BC3176.
In het onteigeningsrecht is er maar een beperkte groep van deskundigen. Sinds enkele jaren worden de beoogde deskundigen eerst aan partijen ‘voorgehangen’, waarbij het uitgangspunt geldt dat alleen deskundigen worden benoemd die als zodanig geregistreerd zijn bij het LRGD. In veruit de meeste gevallen wordt een commissie van drie benoemd. Krachtens de wet moet in ieder geval een oneven aantal deskundigen worden benoemd (art. 27 Onteigeningswet en straks art. 15.39 Omgevingswet). De benoeming van een unus komt niet vaak voor en lijkt onder vigeur van de Omgevingswet ook niet meer mogelijk (uitgebreid § 2.2.2).
In een ‘commune’ civiele procedure is de rechter – na mondeling of schriftelijk overleg met partijen (art. 194 lid 2 Rv) – vrij in de keuze van de persoon van de deskundige.1 Datzelfde geldt voor wat betreft het aantal te benoemen deskundigen. Dat kan een even, maar ook een oneven aantal zijn.2 In de commune civiele praktijk wordt meestal volstaan met de benoeming van een unus.3 Tegen zowel de keuze van de persoon van de adviseur als tegen het aantal deskundigen staat geen hogere voorziening open (art. 194 lid 2 Rv). In tegenstelling tot het onteigeningsrecht is de rechter niet gehouden eerst een deskundigenregister (zoals het LRGD) te raadplegen. Sterker nog, de keuze van de deskundige wordt gerekend tot de ‘instructie van de zaak’ en hoeft daardoor – in beginsel – in zijn geheel niet te worden gemotiveerd.4 In beginsel, want het ligt gezien de aard en herkomst van de overlegverplichting uit art. 194 lid 2 Rv niet voor de hand dat de rechter ongemotiveerd afwijkt van een eensluidend verzoek van partijen.5 In de praktijk volgt de rechter dan ook meestal de eensluidende voorkeur van partijen.6
Zoals beschreven in § 2.2.10 is art. 194 lid 2 Rv in de nieuwe onteigeningsregeling van de Omgevingswet ook van toepassing op de benoeming van onteigeningsdeskundigen. Ik verwacht dat de meeste rechtbanken de huidige voorhangprocedure zullen voortzetten. Op het eerste gezicht voldoet die procedure ook aan de eisen van art. 194 lid 2 Rv.7 Er wordt immers ‘overleg’ gevoerd voorafgaand aan de benoeming. Toch kan daar ook anders over worden gedacht. De overlegverplichting die voortvloeit uit art. 194 lid 2 Rv behelst dat procespartijen zelf voorstellen kunnen doen met betrekking tot de persoon van de deskundige. Proactief dus – het initiatief ligt bij partijen. Bij de voorhangprocedure in het onteigeningsrecht ligt dat initiatief bij de rechter. Partijen kunnen alleen reageren (reactief dus) op een reeds voorgenomen benoeming. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat de aard van beide overlegverplichtingen anders is. In het geval van de voorhangprocedure is de persoon van de deskundige al ‘met een been’ benoemd. Enkel gemotiveerde en zwaarwegende bezwaren van partijen – zoals bijvoorbeeld een gebrek aan onpartijdigheid – kunnen daar nog verandering in brengen. De overlegverplichting van art. 194 lid 2 Rv legt de primaire keuze daarentegen juist bij partijen.