HR, 17-11-2009, nr. 07/12816 Hs
ECLI:NL:HR:2009:BJ7816
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
17-11-2009
- Zaaknummer
07/12816 Hs
- Conclusie
Mr. Fokkens
- LJN
BJ7816
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2009:BJ7816, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 17‑11‑2009; (Herziening)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BJ7816
ECLI:NL:PHR:2009:BJ7816, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 15‑09‑2009
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BJ7816
- Vindplaatsen
Uitspraak 17‑11‑2009
Inhoudsindicatie
Herziening geurproef.
17 november 2009
Strafkamer
nr. 07/12816 Hs
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Rechtbank te Zwolle-Lelystad van 29 januari 2002, nummer 07/285033-01 en 07/020824-99 (tul), ingediend door V.C. van der Velde, advocaat te Almere, namens:
[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979, wonende te [woonplaats].
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De Rechtbank heeft - met vrijspraak voor de overige tenlastegelegde feiten - de aanvrager ter zake van 3. en 4. "diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak", veroordeeld tot een gevangenisstraf van 61 dagen en een werkstraf voor de duur van 120 uren.
2. De aanvrage tot herziening
2.1. De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2. De aanvrage berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. De aanvrager voert daartoe aan dat zijn zaak destijds niet zou hebben geleid tot een veroordeling ter zake van genoemde feiten, indien de rechter bekend zou zijn geweest met de omstandigheid dat sprake is van gerede twijfel aan de betrouwbaarheid en de wijze van uitvoering van de geuridentificatieproeven.
3. De conclusie van de Procureur-Generaal
De Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat Hoge Raad de aanvraag tot herziening gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis van de Rechtbank zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op de voet van het bepaalde in art. 467, eerste lid, Sv opnieuw zal worden berecht en afgedaan.
4. Achtergrond van de aanvrage
Aan de aanvrage is gehecht een brief van mei 2007 van het Arrondissementsparket Zwolle-Lelystad gericht aan de aanvrager. In deze brief is de aanvrager een mededeling gedaan omtrent mogelijk onjuist uitgevoerde geuridentificatieproeven in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland. In deze periode zou de speurhondengeleider tijdens het afnemen van de geuridentificatieproef regelmatig, in afwijking van het vastgestelde protocol, vooraf op de hoogte zijn geweest van de sorteervolgorde van de geurbuisjes. Volgens het openbaar ministerie zou ook in de zaak van de aanvrager gebruik zijn gemaakt van een dergelijke geuridentificatieproef. De onderhavige aanvrage is naar aanleiding van deze mededeling ingediend.
5. Aan de beoordeling van de aanvrage voorafgaande beschouwing
5.1. De Hoge Raad heeft eerder geoordeeld dat in de gevallen waarin in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 een geuridentificatieproef door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland in de desbetreffende strafzaak is uitgevoerd, dit onderzoek - behoudens concrete aanwijzingen van het tegendeel - moet worden geacht te hebben plaatsgevonden in strijd met het voorschrift dat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers niet kent, hetgeen met zich brengt dat ervan moet worden uitgegaan dat het resultaat van die geuridentificatieproef in die gevallen niet als voldoende betrouwbaar kan gelden en dat aldus moet worden aangenomen dat het resultaat van de geuridentificatieproef niet zou zijn gebruikt voor het bewijs indien de rechter met de opgetreden onregelmatigheid bekend was geweest (vgl. HR 22 april 2008, LJN BC8789, NJ 2008, 591).
5.2. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat onder een "minder zware strafbepaling" in de zin van art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv moet worden verstaan een strafbepaling die een minder zware straf bedreigt. Daaronder wordt niet verstaan de oplegging door de rechter van een andere (minder zware) sanctie.
5.3. Ingeval het resultaat van een onregelmatige geuridentificatieproef voor het bewijs van het desbetreffende tenlastegelegde feit is gebezigd en het niet aannemelijk is dat zonder deze uitkomst van de geuridentificatieproef de feitenrechter op grond van het beschikbare bewijsmateriaal tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen, levert dat een ernstig vermoeden op dat de rechter de aanvrager terzake zou hebben vrijgesproken. In dat geval is derhalve sprake van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv.
6. Beoordeling van de aanvrage
6.1. Ten laste van de aanvrager is bij het vonnis waarvan herziening wordt gevraagd bewezenverklaard dat:
"3. hij op 04 maart 2001 in de gemeente Almere, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een bedrijfspand heeft weggenomen een bromfiets en onderdelen, toebehorende aan [A], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;
4. hij in de periode van 02 maart 2001 tot en met 03 maart 2001 in de gemeente Almere, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een bedrijfspand heeft weggenomen drie computer(s) en een frankeermachine en een telefooncentrale, toebehorende aan [B], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak".
6.2. De bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen die zijn weergegeven in de aanvulling op het vonnis als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv. Voor de inhoud daarvan wordt verwezen naar de conclusie van de Procureur-Generaal onder 5.
6.3. Met betrekking tot het bewijs van de onder 3 en 4 tenlastegelegde feiten is aannemelijk dat de Rechtbank in het bijzonder aan het desbetreffende resultaat van de geuridentificatieproef heeft ontleend dat de aanvrager in verband moet worden gebracht met deze strafbare feiten. In het onderhavige geval moet het daarom ervoor worden gehouden de Rechtbank zonder de uitkomst van deze geuridentificatieproeven uit het beschikbare andere bewijsmateriaal niet met voldoende mate van aannemelijkheid zou hebben afgeleid dat de aanvrager op de in de uitspraak omschreven wijze betrokken is bij de tenlastegelegde feiten.
Dit betekent dat het hiervoor onder 5.3 bedoelde geval zich ten aanzien van de onder 3 en 4 bewezenverklaarde feiten voordoet, zodat sprake is van een ernstig vermoeden dat de Rechtbank de aanvrager van die feiten zou hebben vrijgesproken.
6.4. Uit het vorenoverwogene volgt dat zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv, zodat de aanvrage gegrond is en als volgt moet worden beslist.
7. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart de aanvrage tot herziening gegrond;
beveelt voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis van de Rechtbank te Zwolle-Lelystad van 29 januari 2002;
verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op de voet van het bepaalde in art. 467, eerste lid, Sv in zoverre opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 17 november 2009.
Conclusie 15‑09‑2009
Mr. Fokkens
Partij(en)
Conclusie inzake:
[Aanvrager]
1.
De Rechtbank te Zwolle heeft aanvrager bij onherroepelijk vonnis van 29 januari 2002 wegens 3. en 4. ‘diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak’, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 61 dagen en een werkstraf voor de duur van 120 uren te voltooien binnen 1 jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis.
2.
De raadsman van aanvrager heeft namens hem herziening gevraagd van dat vonnis. Die aanvrage berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2o Sv. Wat de raadsman daartoe aanvoert komt erop neer dat de vervolging in deze zaak destijds niet zou hebben geleid tot een veroordeling ter zake van de feiten 3 en 4, indien de rechter bekend zou zijn geweest met de omstandigheid dat sprake is van gerede twijfel aan de betrouwbaarheid en wijze van uitvoering van de geuridentificatieproef.
3.
Voor wat betreft de aanleiding van het verzoek verwijs ik naar wat in HR 22 april 2008, LJN BC9637, NJ 2008, 592 in rubriek 4 ten aanzien van soortgelijke zaken is vermeld. In die uitspraak heeft de Hoge Raad verder overwogen dat hij tegen de achtergrond van wat in zijn arrest eerder was vastgesteld aanneemt:
‘dat in de gevallen waarin in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 een geuridentificatieproef door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland in de desbetreffende strafzaak is uitgevoerd, dit onderzoek — behoudens concrete aanwijzingen van het tegendeel — heeft plaatsgevonden in strijd met het voorschrift dat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers niet kent. Dat brengt mee dat ervan moet worden uitgegaan dat het resultaat van die geuridentificatieproef in die gevallen niet als voldoende betrouwbaar kan gelden’.
In de onderhavige zaak is door genoemde geurhondendienst op 19 mei 2005 een geuridentificatieproef gehouden.
4.
Ten laste van aanvrager is bij het vonnis waarvan herziening wordt verzocht bewezenverklaard dat:
‘3.
hij op 04 maart 2001 in de gemeente Almere, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een bedrijfspand heeft weggenomen een bromfiets en onderdelen, toebehorende aan [A], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;
4.
hij in de periode van 02 maart 2001 tot en met 03 maart 2001 in de gemeente Almere, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een bedrijfspand heeft weggenomen drie computer(s) en een frankeermachine en een telefooncentrale, toebehorende aan [B], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak’.
5.
De aanvulling op het verkorte vonnis houdt het volgende in:
- ‘1.
het door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beide agent van politie Basiseenheid Almere West, op 4 maart 2001 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal nummer 2001010647-1., voorzover als door [betrokkene 1] afgelegde verklaring, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:
Ik wil aangifte doen van inbraak in het bedrijf [A], gevestigd aan de [a-straat 1]. Ik ben werkzaam als bedrijfsleider en ik ben gemachtigd om aangifte te doen. [A] is een bedrijf dat scooters en onderdelen daarvoor verkoopt. Op 4 maart 2001 werd ik gebeld door het beveiligingsbedrijf dat er een inbraakmelding bij hun was binnen gekomen. Toen ik op 4 maart 2001 bij het bedrijf aankwam, zag ik dat men de achterdeur had gefoceerd. Ik zag dat men binnen een aantal goederen had weggenomen. Ik zag dat men een scooter, van het merk Aprilia, had weggenomen. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.
- 2.
het door [verbalisant 3], hoofdagent van politie, werkzaam als technisch rechercheur bij de regiopolitie Flevoland, Divisie Operationele Ondersteuning, technische Recherche, op 4 maart 2001 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal nummer 2001010647-3., voorzover als relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:
Op 4 maart 2001 werd door mij een onderzoek ingesteld naar aanleiding van inbraak op het adres [a-straat 1] te [plaats]. Ontvreemd werd een scooter en brommeronderdelen. In pand koevoet achtergelaten door de daders.
- 3.
het door [verbalisant 4], speurhondengeleider, en [verbalisant 5], beiden brigadier bij de Regiopolitie Flevoland, op 12 maart 2001 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal nummer 12.03.01.11.15.PUMAR., vermeldende als corpus delicti geurmonster koevoet, veiliggesteld op 4 maart door [verbalisant 3], technische recherche Flevoland en voorzover als relaas van verbalisant [verbalisant 4], zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:
Door mij werd een geuridentificatieproef uitgevoerd met de speurhond Barry. Gezien het gedrag en de werkwijze van Barry bleek mij, dat Barry geurovereenkomst waarnam tussen het corpus delicti (geurmonster koevoet) en de geurdragers welke waren vastgehouden door de verdachte [aanvrager].
- 4.
het door [verbalisant 6], agent van politie Basiseenheid Almere Oost, op 4 maart 2001 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal nummer 2001010499-1, voorzover als relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:
Op 3 maart 2001 kwam ik bij een persoon die mij opgaf te zijn [betrokkene 2]. Hij deed aangifte ter zake inbraak bedrijf/kantoor en verklaarde: ‘Tussen 2 maart 2001 te 19.30 uur en 3 maart 2001 te 2.57 uur werd op [b-straat] ter hoogte van huisnummer [002] te [plaats] een inbraak gepleegd. Hierbij werden goederen weggenomen. Aan niemand is toestemming gegeven om de goederen weg te nemen en zich toe te eigenen.’
- 5.
het door [verbalisant 7], hoofdagent van politie, werkzaam als technisch rechercheur bij de Regiopolitie Flevoland, Divisie Operationele Ondersteuning, op 5 maart 2001 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal nummer 2001010499-3, voorzover als relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven onder meer inhoudende:
Door mij werd een onderzoek ingesteld naar aanleiding van inbraak, waarvan door de politie Almere proces-verbaal werd opgemaakt onder nummer 2001010499-1. Ontvreemd werd computerapparatuur. Door daders werd een drietal bakstenen gebruikt om de ruiten van de toegangsdeuren in te gooien. Ik heb deze bakstenen op 4 maart 2001 voorzien van geurdoeken. Ik deed deze geurdoeken in glazen potten welke ik sloot en waarmerkte.
- 6.
het door [verbalisant 8], speurhondengeleider, en [verbalisant 5], beiden brigadier bij de Regiopolitie Flevoland, op 12 maart 2001 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal nummer 12.03.01.11.30.JANSCH, onder meer vermeldende als corpus deliciti 2 geurmonsters van bakstenen, veiliggesteld op 4 maart door [verbalisant 7], technische recherche te Flevoland, en voorzover als relaas van verbalisant [verbalisant 8], zakelijk weergegeven, onder meer inhoudende:
Op 12 maart 2001 werd door mij een geuridentificatieproef uitgevoerd met de speurhond Max. Gezien het gedrag en de werkwijze van Max, bleek mij, dat Max geurovereenkomst waarnam tussen het corpus delicti (2 geurmonsters van bakstenen) en de geurdragers welke waren vast gehouden door de verdachte [aanvrager].’
6.
Samengevat komt de hierboven onder 5. weergegeven bewijsconstructie van de Rechtbank op het volgende neer. Feit 3 betreft een inbraak in een pand aan de [a-straat 1] te [plaats]. Aldaar is door de daders een koevoet achtergelaten (bewijsmiddel 2). Van deze koevoet is gebruik gemaakt bij een geuridentificatieproef. Bewijsmiddel 3 houdt in dat de speurhond een geurovereenkomst waarneemt tussen de buisjes met daarin de menselijke geur van aanvrager en de achtergelaten koevoet.
Feit 4 betreft een inbraak in een pand aan de [b-straat] ter hoogte van huisnummer [002] te [plaats]. Bewijsmiddel 5 houdt in dat de bakstenen die zijn gebruikt om de toegangsdeuren van het pand aan de [b-straat] in te gooien door de politie zijn voorzien van geurdoeken en in glazen potten zijn gesloten. Van deze bakstenen is gebruik gemaakt bij een geuridentificatieproef. Bewijsmiddel 6 houdt in dat de speurhond een geurovereenkomst waarneemt tussen de buisjes met daaraan de menselijke geur van de aanvrager en de bakstenen.
7.
Aanvrager heeft de bewezenverklaarde feiten steeds ontkend. Behoudens de als bewijsmiddelen 3 en 6 gebezigde positieve geuridentificatieproeven houden de bewijsmiddelen voor wat betreft de bewezenverklaarde feiten niets in, waaruit kan volgen dat de aanvrager daadwerkelijk bij de diefstallen met braak betrokken is geweest. Uit het voorgaande volgt dat niet aannemelijk is dat de Rechtbank zonder de uitkomst van de positieve geuridentificatieproef op grond van het beschikbare materiaal tot een bewezenverklaring van de feiten 3 en 4 zou zijn gekomen.
Daarom is sprake van het ernstige vermoeden dat de Rechtbank, ware zij op de hoogte geweest van de omstandigheden dat ten aanzien van de geurproef ervan moet worden uitgegaan dat deze niet op deugdelijke wijze was uitgevoerd, tot een vrijspraak van het onder 3 en 4 tenlastegelegde zou zijn gekomen (vgl. HR 22 april 2008, LJN BC9637, NJ 2008, 592).
8.
Het voorgaande brengt mee dat de aanvrage gegrond is.
9.
Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvraag tot herziening in voege als voormeld gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis van de Rechtbank zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te 's‑Hertogenbosch, opdat de zaak op de voet van het bepaalde in art. 467, eerste lid, Sv opnieuw zal worden berecht en afgedaan en daarbij mede voor de overige feiten op de voet van art. 476, tweede lid, Sv de straf te bepalen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden