Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/2.5.3
2.5.3 De wet inzake de navordering van vermogensbelasting (1904)
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS469254:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Voetnoten
Voetnoten
Overigens had de regering dit bij het eerste ontwerp van de bedrijfsbelasting wel voorgesteld. De navordering van het dubbele recht heeft het destijds niet gehaald. Zie hiervoor onderdeel 2.5.2.2.
TK, vergaderjaar 1898-1899, 156, nr. 2. Vanaf het Voorlopig Verslag zijn de stukken onder nummer 33 gedrukt.
Zie Memorie van Toelichting (TK, vergaderjaar 1898-1899, 156, nr. 3, p. 3).
Zie Memorie van Toelichting (TK, vergaderjaar 1898-1899, 156, nr. 3, p. 3 e.v.).
De regering geeft in de Memorie van Antwoord dan ook het volgende aan: “Terecht wordt in het Voorloopig Verslag opgemerkt dat zonder bewezen kwade trouw van boete geen sprake kan zijn: van het bedreigen van hooge boeten – zelfs van zware vrijheidsstraffen – wordt om die reden niet het minste gevolg verwacht.” (TK, vergaderjaar 1899-1900, 33, nr. 2, p. 12).
TK, vergaderjaar 1902-1903, 186, nr. 2. Vanaf de Memorie van Antwoord zijn de stukken gedrukt onder nummer 20.
Het huidige ‘nieuw feit’-criterium van artikel 16 AWR.
Vgl. de huidige navorderingstermijn van artikel 16, lid 3 AWR
“Voor de schatkist is de beteekenis van te lage aangifte steeds dezelfde, onverschillig of de aangever te kwader of te goeder trouw is. Het belang om daartegen in te gaan, is in het éé ne geval niet grooter dan in het andere, de bestrijding behoort dus altijd even krachtig te zijn. Hiermede is de uniforme regeling van het wetsontwerp gemotiveerd.” (Memorie van Antwoord, TK, vergaderjaar 1903-1904, 20, nr. 1, p. 1).
Memorie van Toelichting (TK, vergaderjaar 1902-1903, 186, nr. 3, p. 4).
Wet van 27 april 1904, Stb. 80.
Enige tijd na de inwerkingtreding van de Wet VB 1892 werd duidelijk dat er nogal wat belastingplichtigen waren die de aangiften niet naar waarheid invulden zodat grote bedragen aan vermogensbelasting werden misgelopen. Zoals eerder vermeld bevatte de Wet VB 1892 nagenoeg geen repressieve sancties, omdat de regering daar destijds de noodzaak niet van inzag. Ook voorzag de Wet VB 1892 niet in een mogelijkheid om niet aangegeven en betaalde belasting na te vorderen.1 Door de aangiften vermogensbelasting te vergelijken met de successie-aangiften kwam aan het licht dat de fraude toch aanzienlijk was. In 1899 diende minister van Financiën Pierson een wetsontwerp2 in om het tij te keren. Van dit wetsontwerp wilde de Tweede Kamer echter niets weten, omdat die scherp gekant was tegen de wijze waarop de bevoegdheid tot navordering was vormgegeven. Kern van het wetsvoorstel was dat, indien bleek dat het belastbare vermogen volgens de laatste aangifte lager was dan het vermogen zoals dat in de daarop volgende successie-aangifte was opgenomen, werd vermoed dat de aangiften voor de vermogensbelasting over de afgelopen vijf jaren te laag waren gedaan. De kamerleden hadden vooral grote moeite met de grondslag van de navordering: het vermoeden dat te weinig belasting was betaald.
Karakter van de navordering: Navordering van belasting of boete?
Zoals eerder gezegd, kwam Pierson met zijn voorstel tot navordering omdat gebleken was dat er aanzienlijke bedragen niet werden aangegeven en betaald. Kwam de inspecteur zo’n omissie op het spoor, dan werden belastingplichtigen uitgenodigd het ontbrekende bedrag over de verstreken jaren alsnog te betalen. De eerste jaren na de inwerkingtreding van de Wet VB 1892 werd hieraan nog wel gevolg gegeven, maar op een gegeven moment kantelde dit. De regering vond het vreemd dat de inspecteur de belastingplichtige niet kon verplichten tot nabetaling over te gaan maar dit slechts kon verzoeken.3 Vandaar dat werd voorgesteld dat in voorkomende gevallen de te weinig betaalde belasting over de afgelopen vijf jaren kon worden nagevorderd. Het bedrag van de navordering over de reeds verstreken jaren werd, behoudens tegenbewijs, gesteld op hetzelfde bedrag dat tijdens de controle over het jaar van onderzoek naar voren was gekomen als zijnde te weinig betaald.
De regering heeft in eerste instantie overwogen om de misstanden strafrechtelijk te bestrijden, maar dit werd uit bewijstechnisch oogpunt – het opzettelijk onjuist doen van aangifte werd een te zware bewijslast geacht – afgewezen.4 Vandaar dat is gekozen voor de navorderingsbevoegdheid. Hoewel de regering deze nieuwe sanctie wel degelijk zag als een afschrikwekkend middel om het aangifte- en betaalgedrag te verbeteren, werd dit niet als dusdanig gebracht. Er werd zelfs verzekerd ‘dat de fiscus nooit meer zal ontvangen dan hem stellig toekomt’. Mijns inziens beoogde de regering met de navorderingsbevoegdheid dan ook een reparatoire sanctie in te voeren, die er op zag om het te weinig betaalde, ongeacht de mate van schuld, alsnog binnen te krijgen.5
Uiteraard kon het voorkomen, door in beginsel uit te gaan van een vermoeden, dat er meer belasting werd geheven dan feitelijk was verschuldigd met als gevolg dat er als het ware financieel leed werd toegevoegd. De regering had hier echter duidelijk het oog niet op, mede gezien de wettelijke tegenbewijsregeling die belastingplichtigen behoedde voor mogelijke overbelasting.
Het wetsvoorstel van Pierson werd uiteindelijk ingetrokken voordat de mondelingen behandeling had plaatsgehad. De opvolger van Pierson, minister Harte van Tecklenburg, kwam in 1903 met een vervolgontwerp.6 In dit wetsvoorstel was het vermoeden waarop de navorderingsaanslag was gebaseerd verdwenen. Navordering werd mogelijk in alle gevallen waarin na de vaststelling van de aanslag uit ‘eenig feit’7 was gebleken dat vermogen te laag was aangegeven. De belastingplichtige werd in zo’n geval eerst in de gelegenheid gesteld om binnen een bepaalde termijn het mogelijke verschil van inzicht toe te lichten. Slaagde hij daar niet in dan werd de te weinig betaalde belasting nagevorderd (artikel 45a) en met het viervoud daarvan verhoogd (artikel 45b). Zo werd toch min of meer aangesloten bij de vijfjaarstermijn uit het oorspronkelijke wetsvoorstel van Pierson.8
Ook nu bleef de regering van mening dat de viervoudige verhoging geen strafkarakter had. Zo gaf zij, in antwoord op enkele kritische kanttekeningen van kamerleden, te kennen dat de verhoging in gevallen van zowel goede trouw als kwade trouw kon worden opgelegd.9 Ook was er geen overgangsrecht inzake de verhoging getroffen, omdat slechts werd gevorderd wat volgens de bestaande fiscale regelgeving toch al verschuldigd was.10 Dit neemt overigens niet weg dat de verhoging bij navordering in sommige gevallen als een straf werd ervaren.
In het huidig tijdgewricht kijken we niet meer op van navorderingsaanslagen over meer jaren die gepaard gaan met vergrijpboeten op grond van artikel 67e AWR. Van dubbele bestraffing is in het algemeen geen sprake. Maar ik kan me goed voorstellen dat destijds vraagtekens werden gezet bij de bedoeling van de wetgever. De navorderingsbevoegdheid was immers een geheel nieuw fenomeen dat voor 1904 überhaupt niet bestond. Daarbij werd de introductie van de navorderingsbevoegdheid uitdrukkelijk gekoppeld aan fraudebestrijding, waarbij de gedachten over het algemeen uitgaan naar repressieve maatregelen. En het feit dat de regering de term ‘verhoging’ bezigde voor de navorderingsbevoegdheid heeft ook menigeen op het verkeerde been gezet. ‘Verhoging’ stond destijds vaak synoniem voor ‘boete’ en dus straf.
Overigens werd het nieuwe hoofdstuk ‘Navorderen van belasting’ in 1904 definitief in de Wet op de vermogensbelasting opgenomen.11