Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/8.6.0
8.6.0 Introductie
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS456483:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De no bail out-clausule is bij de totstandkoming van het Verdrag van Maastricht opgenomen in artikel 104B, eerste lid, EG-verdrag en is tegenwoordig vastgelegd in artikel 125, eerste lid, VWEU. Zie hierover par. 6.8.2.2. Zie over de vraag of de steunmaatregelen in overeenstemming zijn met de no bail out-clausule onder meer: Louis 2010; Ruffert 2011a; Borger 2013; De Witte & Beukers 2013; Calliess 2013, p. 197-212; Ohler 2013, p. 313; Tuori & Tuori 2014, p. 120-136; Scicluna 2014, p. 558-559; Nitze 2015, p. 60-81; Piecha 2016, p. 163-177; Calliess & Ruffert 2016, p. 1596-1600.
Zie par. 6.8.2.2.
Ook het Delors-rapport was al sceptisch over het effect van marktkrachten, zie par. 30 van het Delors-rapport, https://ec.europa.eu/economy_finance/emu_history/documentation/chapter13/19890412en235repeconommetary_a.pdf.
Oort 1990, p. 52.
Borger 2011, p. 212. Ook een indeling in drie categorieën is mogelijk: Borger 2013, p. 129-131.
Amtenbrink 2011, p. 435; De Gregorio Merino 2012, p. 1627.
Palmstorfer 2012, p. 775-779; Ruffert 2011a, p. 1785-1787.
Viebig 1999, p. 546; Nitze 2015, p. 62.
Viebig 1999, p. 312-314.
Verzoek om een prejudiciële beslissing in zaak C-370/12 (PbEU 2012, C 303/18). Eerder was ook bezwaar gemaakt tegen het EFSM (zie Ax/Raad, T-259/10), maar die zaak leidde op 15 juni 2011 tot een niet-ontvankelijkheidsverklaring van het Hof van Justitie.
HvJ EU 27 november 2012, C-370/12 (Pringle).
Niet alleen in het parlement werd gesproken over de vraag of de steunmaatregelen geen strijd opleverden met de no bail out-clausule. Dit is een van de belangrijkste juridische vragen gebleken die de aanpak van de eurocrisis heeft opgeroepen.1 Hoewel deze vraag wat verder verwijderd is van de onderzoeksvraag van dit proefschrift, verdient die daarom toch enige bespreking. De no bail out-clausule, zoals vastgelegd in artikel 125, eerste lid, VWEU, luidt voluit:
De Unie is niet aansprakelijk voor de verbintenissen van centrale overheden, regionale, lokale of andere overheden, andere publiekrechtelijke lichamen of openbare bedrijven van de lidstaten en neemt deze verbintenissen niet over, onverminderd de wederzijdse financiële garanties voor de gemeenschappelijke uitvoering van een specifiek project. De lidstaten zijn niet aansprakelijk voor de verbintenissen van centrale overheden, regionale, lokale of andere overheden, andere publiekrechtelijke lichamen of openbare bedrijven van een andere lidstaat en nemen deze verbintenissen niet over, onverminderd de wederzijdse financiële garanties voor de gemeenschappelijke uitvoering van een specifiek project.
De bedoeling van de clausule was garanderen dat iedere lidstaat begrotingsdiscipline in acht zouden nemen, zonder hulp van andere lidstaten.2 Als een lidstaat immers te veel schulden zou maken, dan zou hij een hogere rente moeten betalen bij de uitgifte van staatsobligaties. Dit zou het moeilijker maken om geld te lenen. In de praktijk liep de rente voor lidstaten die hun begrotingen niet op orde hadden echter niet snel genoeg op om als disciplinerende maatregel te kunnen werken.3 De markt bleek er (terecht) niet van overtuigd dat lidstaten elkaar in geen geval te hulp zouden schieten. Overigens voorspelden sommigen dit al bij de totstandkoming van het Verdrag van Maastricht. Zo stelde Oort in 1990: ‘De financiële markten zullen immers geloven dat de partners in een muntunie zich niet kunnen veroorloven een Europese overheid te laten vallen (ook als zij plechtig zouden verklaren elkaar niet te zullen steunen).’4 Toen verschillende lidstaten tijdens de crisis in de problemen kwamen, sprongen de andere lidstaten inderdaad snel te hulp gezien het besmettingsgevaar dat op de loer lag.
Zijn deze steunmaatregelen nu in strijd (geweest) met de no bail out-clausule? Dat er financiële bijstand is verleend, staat vast. Zijn de EU en andere lidstaten daarmee aansprakelijk geworden voor de verbintenissen van andere lidstaten of hebben zij deze overgenomen, zoals artikel 125, eerste lid, VWEU eist? Dat is afhankelijk van de interpretatie van deze bepaling.5 Zowel een strikte als een ruime lezing wordt verdedigd.
De tamelijk letterlijke interpretatie gaat uit van het idee dat er pas sprake is van een schending van de no bail out-clausule als de aansprakelijkheid voor verbintenissen van de ene lidstaat verschuift naar een van de andere lidstaten of de EU als geheel, of als deze verbintenissen door de andere lidstaten of de EU worden overgenomen.6 Bij het bieden van financiële hulp op de hierboven beschreven manieren is formeel steeds sprake van leningen, waardoor geen rechtstreekse verbintenissen worden overgenomen. Op grond van deze interpretatie leveren de genomen steunmaatregelen dus geen schending van de no bail out-clausule op.
De ruimere lezing van artikel 125, eerste lid, VWEU, gaat uit van het idee dat staten zelf verantwoordelijk zijn voor aangegane schulden.7 Centraal bij deze lezing staat het doel van de no bail out-clausule: het realiseren van begrotingsdiscipline. Op grond hiervan is in beginsel iedere vorm van steunverlening vanuit de lidstaten of de EU aan een andere lidstaat in strijd met de no bail out-clausule. Voor deze interpretatie pleit dat tijdens de onderhandelingen over de no bail out-clausule in eerste instantie een bepaling was voor gesteld die expliciet ruimte liet voor garanties van lidstaten aan elkaar.8 Van Duitse zijde werd hiertegen protest aangetekend, juist om grijze zones te voorkomen.9 In de uiteindelijke versie van de no bail out-clausule is deze passage dan ook geschrapt. Op grond hiervan kan worden verdedigd dat het de bedoeling was van de lidstaten om ook het soort financiële bijstand dat tijdens de eurocrisis is verleend, via de no bail out-clausule juist te verhinderen.
Er bestaat geen overeenstemming over welke interpretatie gevolgd moet worden. In april 2012 maakte een lid van het Ierse parlement, Pringle, bij de rechter bezwaar tegen het ESM. Dit leidde tot drie prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.10 Het Hof koos vervolgens in het Pringle-arrest in reactie op de tweede prejudiciële vraag voor een strikte interpretatie.11 Hieronder zal ik allereerst kort stilstaan bij de eerste en derde prejudiciële vraag, die ingaan op discussiepunten die ook bij de parlementaire behandeling van de goedkeuringswet bij het ESM-verdrag aan de orde kwamen. Vervolgens behandel ik het antwoord van het Hof van Justitie op de tweede prejudiciële vraag, waarin onder meer de kwestie centraal staat of het ESM in strijd is met de no bail out-clausule van artikel 125 VWEU.