Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/2.2.3
2.2.3 De straftoemetingsbepalingen, de wijze van (individuele) straftoemeting
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS465688:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 222 luidt: “En sullen gehouden zijn de boetens en straffen te vorderen en te vervolgen, sonder enige conniventie (oogluikende toelating, IK) of dissimulatie (verheimelijking van gebreken, IK) en sonder daar over te mogen composeeren (afkoop van straf, IK)…”.
Van der Poel gaat in zijn dissertatie dieper in op de historische achtergronden van de ‘compositie over de boete’, zijnde het treffen van een schikking met betrekking tot de hoogte van de boete, en de ‘dispensatie van belastingen’ (Van der Poel 1942, p. 285 e.v.).
Zie artikel 223: “Sullende de voorschreve compositie of dispensatie daarenboven van geen effect zijn, en de koopluyden, schippers of voerluyden dien onvermindert gehouden zijn de volle boetens te betalen, daar inne sij volgens het tegenwoordig Placaat vervallen sullen zijn, behoudens derselve actie en regres, ten laste van de officieren die de compositie gedaan of in den dispensatie bewillight sullen hebben ende voorbehoudens meede aan het landt de calangie (aanklacht, IK) ende actie ten laste van deselve officieren.”
Engelhard, p. 319.
De Advocaat-Fiscaal fungeert onder meer als een soort openbaar aanklager (artikel 223 bezigt de term ‘officier’), want hij moet de vervolging instellen (Engelhard, p. 206-207).
Van der Poel noemt dit dispensatie van eigen voorschrift (Van der Poel 1942, p. 173).
Zie Engelhard, p. 320.
De boeten op grond van het Generaal Plakkaat, de wet in formele zin, werden in beginsel opgelegd naar vaste, maximale bedragen. Uit artikel 223 van het Generaal Plakkaat van 1725 volgt zelfs dat het de ambtenaren wettelijk niet was toegestaan om een lagere boete dan de wettelijke boete op te leggen.1 Werd er in strijd met dit verbod toch een lagere boete opgelegd (gecomposeerd2), dan liep de ambtenaar het risico zelf voor de boeten aansprakelijk te worden gesteld en eventueel ontslagen te worden uit het ambt. Voor de betreffende belastingplichtige betekende dit dat de getroffen regeling, het gedeeltelijke boeteverval, nietig was en dat hij derhalve volledig aansprakelijk bleef voor het volledige boetebedrag, behoudens zijn recht van regres jegens de betrokken ambtenaar.3
Zo op het eerste oog leek er dus weinig ruimte te zijn om de boete af te stemmen op de ernst van het individuele geval. Het verbod tot compositie is echter niet absoluut. In artikel 224 van het Generaal Plakkaat van 1725 wordt gemeld dat door de Admiraliteitscolleges onder andere tot compositie kan worden overgegaan indien de betrokkene hiermee akkoord is. Volgens Engelhard werd in de praktijk vooral gecomposeerd wanneer goede trouw aannemelijk was.4
Vaak was het overigens de Advocaat-Fiscaal van de betrokken Admiraliteit die tot beoordeling en afhandeling overging met de betrokkene.5 Bij de afdoening zou het veelal te omslachtig zijn om iedere keer de Staten-Generaal in de zaak te betrekken. Ook werd soms door de Admiraliteitsambtenaren buiten de Advocaat-Fiscaal om gecomposeerd. Wanneer dit vervolgens aan de Staten-Generaal werd gerapporteerd, dan werd het betreffende Admiraliteitscollege hierop gewezen. Overigens is het nog maar de vraag hoe vaak er daadwerkelijk melding werd gemaakt van dergelijke ongeoorloofde composities. Door de (lokale) gewoonten onstond er hier en daar een compositiepraktijk bijvoorbeeld om de handel naar zich toe te trekken. Sommige van deze gewoonten werden nota bene door de Staten-Generaal gehonoreerd. Van der Poel merkt nog op dat, hoewel de Staten-Generaal alle anderen verbood te composeren, er geen bezwaar was dat de Staten-Generaal zélf tot compositie overgingen.6
Hoe het ook zij, op de hiervoor beschreven wijze kon er toch in enige mate rekening worden gehouden met de ernst van het individuele geval. Een welwillende koopman, die zich aan een geringe overtreding schuldig had gemaakt als gevolg van onwetendheid of onachtzaamheid of de buitenlandse handelsman, die niet op de hoogte kon zijn van de lokale wet- en regelgeving, moest niet even zwaar gestraft worden als de notoire ontduiker. Daarnaast wilde men de buitenlandse koopman met een zekere welwillendheid tegemoet treden om de handelsrelaties niet te schaden.7