Het voorlopig getuigenverhoor
Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/104:104 Schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad door veroordeelde
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/104
104 Schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad door veroordeelde
Documentgegevens:
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS458256:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hof Amsterdam 27 januari 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BI2145.
Hof ’s-Gravenhage 15 maart 2007, ECLI:NL:GHSGR:2007:BA3669, NJF 2007, 248.
Het hof wees het verzoek desondanks af, omdat het oordeelde dat de verzoeker zijn schade aannemelijk diende te maken. Dit is een te zware maatstaf. De toewijsbaarheid van de in te stellen vordering ligt niet ter toetsing voor, dus de verzoeker hoeft niet aannemelijk te maken dat hij enige schade heeft geleden. De Hoge Raad vernietigde de beschikking van het hof. HR 6 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3354, NJ 2008, 323.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In twee zaken vroeg de verzoeker een voorlopig getuigenverhoor, omdat hij na een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling nog schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad wenste te vorderen. In de eerste zaak wilde de verzoeker immateriële schadevergoeding vorderen.1 Immateriële schade als gevolg van de strafrechtelijke vervolging, het ondergaan van de opgelegde straf en zijn overtuiging dat hij ten onrechte strafrechtelijk was veroordeeld kwam volgens het hof niet voor vergoeding in aanmerking. De onherroepelijke veroordeling door de strafrechter bracht mee dat het strafvorderlijk optreden en de detentie als rechtmatig moesten worden beschouwd. Hoewel het hof niet uitsloot dat inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en manipulatie van het strafdossier nog zeer beperkt aanleiding konden geven tot immateriële schadevergoeding, werd het verzoek afgewezen omdat de beweegredenen van de verzoeker werden gevormd door het aan de orde willen stellen van de (on)juistheid van de strafrechtelijke veroordeling.
In de tweede zaak overwoog het hof dat de strafrechtelijke veroordeling de civiele onrechtmatigheid van het handelen van de Staat niet uitsloot en dat de rechtmatigheid van dat handelen altijd en onafhankelijk van de uitkomst van de strafprocedure civielrechtelijk moet kunnen worden getoetst.2 De vordering in de hoofdzaak was niet gericht tegen de beslissing in de straf- en ontnemingszaak, maar tegen de aantasting in de persoon van de veroordeelde door de opsporingsdiensten van de Staat (die onder andere opsporings- en dwangmiddelen tegen hem zouden hebben gebruikt voordat de veroordeelde verdachte was). Dat de strafzaak en civielrechtelijke verwijten met elkaar waren verweven, noemde het hof een logisch gegeven dat niet afdeed aan de rechtmatigheid van het verzoek.3
Indien en voor zover de civiele rechter in de hoofdzaak een schadevergoedingsvordering op grond van onrechtmatige daad kan beoordelen, bijvoorbeeld omdat de verzoeker meent dat de staat onrechtmatige inbreuk op zijn privacy heeft gemaakt, kan een voorlopig getuigenverhoor worden toegewezen. De verzoeker hoeft zijn immateriële schade, die vaak lastig vast te stellen is, niet aannemelijk te maken.