NJ 2018/354
Enquêterecht. Verhaal onderzoekskosten op de voet van art. 2:354 BW; maatstaf. Hoofdelijke verbondenheid op de voet van art. 6:6 BW.
HR 13-04-2018, ECLI:NL:HR:2018:597, m.nt. P. van Schilfgaarde
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
13 april 2018
- Magistraten
Mrs. C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, M.V. Polak, C.H. Sieburgh, H.M. Wattendorff
- Zaaknummer
17/03121
- Conclusie
A-G mr. E.M. Wesseling-van Gent
- Noot
P. van Schilfgaarde
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS124575:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2018:597, Uitspraak, Hoge Raad, 13‑04‑2018
ECLI:NL:PHR:2018:87, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 19‑01‑2018
Beroepschrift, Hoge Raad, 29‑06‑2017
- Wetingang
Art. 2:354, 2:350, 6:6 BW
Essentie
Art. 2:350 lid 3 BW bepaalt dat de rechtspersoon de onderzoekskosten betaalt. Art. 2:354 BW strekt ertoe om verhaal van onderzoekskosten mogelijk te maken ten laste van de individuele persoon die in de sfeer van de rechtspersoon is opgetreden en voor het slecht functioneren van de rechtspersoon verantwoordelijk wordt gehouden. De ondernemingskamer dient bij haar beslissing op de voet van art. 2:354 BW alle omstandigheden van het geval te betrekken en uit haar overwegingen ten aanzien van de desbetreffende functionaris moet individueel en concreet blijken dat hij verantwoordelijk is voor het onjuiste beleid of de onbevredigende ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.