Rb. Gelderland, 21-11-2024, nr. 22, 4909
ECLI:NL:RBGEL:2024:8100
- Instantie
Rechtbank Gelderland
- Datum
21-11-2024
- Zaaknummer
22_4909
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBGEL:2024:8100, Uitspraak, Rechtbank Gelderland, 21‑11‑2024; (Eerste aanleg - meervoudig)
- Vindplaatsen
Viditax (FutD) 2025061806
NDFR Nieuws 2025/1024
NLF 2025/1367 met annotatie van Jeroen van Strien
NTFR 2025/1230 met annotatie van Redactie
V-N 2025/37.24 met annotatie van Redactie
Uitspraak 21‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Tussen partijen is de aanslag niet meer in geschil. De inspecteur heeft de aanslag verminderd conform de ingediende aangifte. Wel is in geschil of belanghebbende recht heeft op een integrale proceskostenvergoeding. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende recht heeft op deze integrale proceskosten, maar dat belanghebbende niet het gehele bedrag dat hij aan kosten heeft opgevoerd aannemelijk heeft gemaakt.
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 22/4909
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van
in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: [naam gemachtigde] ),
en
de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Almere, de inspecteur.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 11 april 2022.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2015 een aanslag vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 5.598.517. Gelijktijdig met het opleggen van de aanslag is een bedrag van € 369.448 aan belastingrente in rekening gebracht.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag gehandhaafd.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Belanghebbende heeft voorafgaand aan de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn over en weer aan elkaar doorgezonden.
De rechtbank heeft het beroep op 31 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens belanghebbende de gemachtigde, bijgestaan door [persoon A] , zijn kantoorgenoot, en door [persoon B] en namens de inspecteur [persoon C] en [persoon D] .
Het beroep van belanghebbende is gezamenlijk en gelijktijdig behandeld met het beroep van [bedrijf 1] met zaaknummer 22/4919 betreffende de aanslag Vpb 2016.
Feiten
1. De activiteiten van belanghebbende bestaan uit het houden van een belang in [bedrijf 2] via de besloten commanditaire vennootschap [bedrijf 3] en het in- en doorlenen van gelden aan [bedrijf 2]
2. Op 30 januari 2002 heeft [bedrijf 1] ([bedrijf 1]) een belang van 30% verkregen in [bedrijf 2] De andere aandeelhouder van [bedrijf 2] was [bedrijf 4] was de moedermaatschappij van [bedrijf 5] en [bedrijf 6] , die actief waren in de grafische industrie.
3. [bedrijf 1] heeft op 4 april 2002 belanghebbende opgericht, waarbij belanghebbende het 30%-belang in [bedrijf 2] van [bedrijf 1] heeft gekocht voor € 1.000.000.
4. Op 4 april 2002 heeft [bedrijf 1] 50% van haar belang in belanghebbende verkocht aan [bedrijf 7] ([bedrijf 7])
5. Eveneens op 4 april 2002 is [bedrijf 3] overeengekomen door belanghebbende als beherend vennoot en [bedrijf 1] en [bedrijf 7] als de commanditaire vennoten. Belanghebbende heeft bij oprichting haar 30%-belang in [bedrijf 2] ingebracht in [bedrijf 3] Belanghebbende is gerechtigd tot 90% van het resultaat van [bedrijf 3] De commanditaire vennoten zijn ieder gerechtigd tot 5% van het resultaat van [bedrijf 3]
6. [bedrijf 4] heeft op 8 oktober 2002 haar 70%-belang in [bedrijf 2] voor € 1 verkocht aan belanghebbende. Vanaf dat moment houden belanghebbende en [bedrijf 3] gezamenlijk een 100%-belang in [bedrijf 2]
7. Op 18 oktober 2002 is belanghebbende bestuurder van [bedrijf 2] geworden.
8. [bedrijf 2] , [bedrijf 5] en [bedrijf 6] zijn respectievelijk op 23 januari 2003 en 4 februari 2003 failliet verklaard.
9. Belanghebbende heeft haar aangifte Vpb 2015 ingediend naar een belastbaar bedrag van negatief € 227.278. In haar aangifte heeft zij een bedrag van € 5.611.066 opgenomen als kwijtscheldingswinst, vanwege de kwijtschelding van de vordering die haar aandeelhouder ( [bedrijf 1] ) op haar had. In de aangifte heeft belanghebbende haar vorderingen van in totaal € 5.825.795 op [bedrijf 3] afgewaardeerd ten laste van haar winst.
10. Bij het opleggen van de aanslag Vpb 2015 heeft de inspecteur de afwaardering van de vordering op [bedrijf 3] gecorrigeerd, omdat hij van mening is dat de lening van belanghebbende aan [bedrijf 3] onzakelijk is. De inspecteur heeft de kwijtscheldingswinst wel in stand gelaten. De aanslag Vpb is opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 5.598.517.
11. In de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur onder meer het volgende opgemerkt:
“(…)
Voor zover sprake is van een onzakelijke lening bij de crediteur (rb: [bedrijf 1] ) kan er bij de debiteur (rb: belanghebbende) geen sprake zijn van een belaste vrijval van haar schuld omdat het debiteurenrisico zich in de kapitaalsfeer bevindt. Om te voorkomen dat bij B.V. (rb: belanghebbende) een onbelaste vrijval van de schuld in aanmerking wordt genomen terwijl bij [bedrijf 1] sprake is van een afwaardering ten laste van haar fiscale winst handhaaf ik de belaste vrijval van de schuld van B.V. aan [bedrijf 1] totdat de beslissing van rechter inzake de vorderingen van [bedrijf 1] op B.V. onherroepelijk vaststaan.”
12. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in de uitspraak van 26 september 20231.met betrekking tot een viertal vorderingen van [bedrijf 1] op belanghebbende geoordeeld dat geen sprake is van onzakelijke leningen. [bedrijf 1] kon deze vorderingen daarom in 2007 ten laste brengen van haar winst voor zover deze niet eerder waren verrekend of afgelost.
Beoordeling door de rechtbank
13. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende recht heeft op een integrale proceskostenvergoeding. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
14. Tussen partijen is niet meer in geschil dat de aanslag te hoog is vastgesteld en dat de aanslag en het verlies dienen te worden vastgesteld conform de aangifte. Het beroep is om die reden gegrond en de rechtbank zal het belastbare bedrag in de aanslag Vpb 2015 vaststellen op nihil en de verliesbeschikking vaststellen op € 227.278.
15. Belanghebbende verzoekt om een integrale proceskostenveroordeling met als argument dat de inspecteur tegen beter weten in een aanslag van € 5.598.517 heeft opgelegd. De inspecteur heeft de leningen namelijk verschillend gekwalificeerd, steeds in het nadeel van belanghebbende. Zo laat hij de kwijtscheldingswinst wel in stand, terwijl hij bij [bedrijf 1] de vorderingen als onzakelijk kwalificeert en de doorlening van belanghebbende aan [bedrijf 3] ook als onzakelijk bestempelt. Door bovendien uitspraak op bezwaar te doen, zonder de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over de kwalificatie van de vordering van [bedrijf 1] op belanghebbende af te wachten, werd belanghebbende gedwongen om in beroep te gaan en nog meer kosten te maken. Ter zitting heeft belanghebbende een overzicht van de gemaakte kosten tot en met september 2024 overgelegd. Volgens belanghebbende bedragen deze € 3.086,71. De te maken kosten voor oktober 2024 heeft belanghebbende geschat op € 17.500. Ter zitting is hierover verklaard dat deze schatting zowel ziet op de kosten voor belanghebbende als voor [bedrijf 1] , elk voor 50%.
16. De inspecteur is van mening dat hij niet onzorgvuldig heeft gehandeld. Hij stelt altijd de intentie gehad te hebben om de leningen (de lening van [bedrijf 1] aan belanghebbende en de doorlening van belanghebbende aan [bedrijf 3] ) op dezelfde manier te kwalificeren. Volgens de inspecteur hoefde belanghebbende ook geen beroep in te stellen, omdat hij in de uitspraak op bezwaar had opgemerkt dat hij de aanslag zou verminderen indien het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zou oordelen dat de vordering van [bedrijf 1] aan belanghebbende zakelijk zou zijn. De inspecteur betwist de schatting van de kosten die betrekking hebben op oktober 2024.
17. Artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) biedt de mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden een integrale proceskostenvergoeding toe te kennen. Voor een dergelijke vergoeding is plaats ingeval een bestuursorgaan een beschikking of uitspraak geeft respectievelijk doet of in rechte handhaaft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in de daartegen gestelde procedure geen stand zal zouden.2.Ook indien de inspecteur in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld kan sprake zijn van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit.3.
18. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende recht heeft op een integrale proceskostenvergoeding. Zij heeft daarbij het volgende in overweging genomen. De inspecteur heeft bij het opleggen van de aanslag de beide leningen asymmetrisch – in voor belanghebbende ongunstige zin – gekwalificeerd. Zo is wel de kwijtscheldingswinst in aanmerking genomen, waarbij het standpunt is ingenomen dat de lening zakelijk was. Maar tegelijk is de doorlening als onzakelijk gekwalificeerd, waardoor die vordering niet kon worden afgewaardeerd. Dit terwijl de inspecteur heeft aangegeven de beide leningen op een zelfde wijze te willen kwalificeren. Door deze handelswijze van de inspecteur was al bij het opleggen van de aanslag Vpb 2015 duidelijk dat die aanslag geen stand zou houden. Immers, bij een gelijke kwalificatie van de leningen zou de aanslag nooit naar zo’n hoog bedrag kunnen worden opgelegd. Als de leningen onzakelijk zouden zijn geweest, dan was namelijk geen sprake geweest van een kwijtscheldingswinst en was de aanslag op zijn hoogst op nul uitgekomen, danwel was het verlies op € 12.549 uitgekomen. Nu de leningen door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden als zakelijk zijn beoordeeld, komt het verlies uit op € 227.278. In dat licht is het opleggen van een aanslag naar een belastbaar bedrag van € 5.598.517 met belastingrente van € 369.448 verregaand onzorgvuldig. Bovendien heeft de inspecteur bij uitspraak op bezwaar deze asymmetrische kwalificatie gehandhaafd. De stelling van de inspecteur dat hij ambtshalve zal gaan verminderen nadat een onherroepelijke uitspraak is gedaan over de kwalificatie van de lening in de zaak van [bedrijf 1] maakt dit niet anders, omdat van belanghebbende niet kan worden verwacht dat zij haar recht op beroep prijsgeeft in vertrouwen op een ambtshalve vermindering, zeker niet bij een zo hoge aanslag.
19. Met betrekking tot de hoogte van de integrale proceskostenvergoeding oordeelt de rechtbank als volgt. De rechtbank passeert het bewijsaanbod van belanghebbende om de kosten voor oktober 2024 alsnog te specificeren omdat het aanbod te laat, onvoldoende gespecificeerd en niet ter zake dienend is. Hiervoor acht zij van belang dat belanghebbende de kosten al eerder had kunnen specificeren voor zover het de kosten tot en met 30 oktober 2024 betreft. Bovendien is in de overgelegde stukken tot en met september 2024 niet duidelijk welk deel van de kosten die specifiek zien op belanghebbende daadwerkelijk gefactureerd is, waardoor ook dit gedeelte te weinig is onderbouwd. Ter zitting heeft de gemachtigde ook verklaard dat een onderscheid tussen de kosten van [bedrijf 1] en belanghebbende niet goed te maken is, omdat beide zaken in elkaar overlopen. In feite heeft gemachtigde daarmee toegegeven dat zij geen goede onderbouwing kan geven van de extra kosten die zijn veroorzaakt door (het handhaven van) de aan belanghebbende opgelegde aanslag.
20. Belanghebbende heeft, gelet op hetgeen in punt 19 is overwogen, de hoogte van de door haar gestelde kosten van € 11.836,71 (€ 3.086,71 + ½ van € 17.500) niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank stelt de integrale proceskostenvergoeding, op basis van de overgelegde stukken, schattenderwijs vast op € 8.000.
Conclusie en gevolgen
21. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar en stelt het belastbaar bedrag van de aanslag Vpb 2015 vast op nihil en wijzigt de verliesbeschikking in die zin dat het verlies wordt vastgesteld op € 227.278.
22. Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten.
23. De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn schattenderwijs vastgesteld op € 8.000. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.
Beslissing
De rechtbank:
- -
verklaart het beroep gegrond;
- -
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- -
vermindert de aanslag Vpb naar een belastbaar bedrag van nihil;
- -
wijzig de verliesbeschikking in die zin dat het verlies wordt vastgesteld op € 227.278;
- -
vermindert de belastingrente dienovereenkomstig;
- -
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraak op bezwaar;
- -
veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 8.000;
- -
bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Vaatstra, voorzitter, en mr. F.M. Smit en mr. J.A.L. Heldens, rechters, in aanwezigheid van mr. R. Roosma, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 21‑11‑2024