Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.1.4
IV.1.4 Terminologie
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460299:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 23 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1204, NJ 2014/325, m.nt. Van Schilfgaarde; HR 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:275, NJ 2017/215, m.nt. Van Schilfgaarde (Kampschöer/Le Roux Fruit Exporters). Bij indirecte bestuurders lijkt er zelfs sprake te zijn van hoofdelijke aansprakelijkheid, waarover mijns inziens terecht kritisch Vetter 2017 en Lennarts 2017, par. 4.1.2.
Waarover meer in par. IV.2.8.1 ‘Wie zijn bestuurders?’.
Zie par. IV.2.2 ‘Terreinverkenning’.
Zie daarover hierna onder par. IV.2.2. Terzijde merk ik op dat ook in andere vormen van bestuurdersaansprakelijkheid de toepassing van deze maatstaf niet onomstreden is. Zie bijvoorbeeld de bezwaren van Westenbroek 2017, hoofdstuk 3-8.
Een belangrijk deel van dit hoofdstuk gaat over de aansprakelijkheid van ‘bestuurders van rechtspersonen’. Hierbij dient het begrip ‘bestuurders’ ruim te worden geïnterpreteerd. Onder bestuurders vallen niet alleen formele (statutaire) bestuurders van rechtspersonen, maar ook indirecte bestuurders1 en feitelijke bestuurders.2 Zoals in de volgende paragraaf zal blijken, zijn er veel verschillende soorten bestuurdersaansprakelijkheid.3 De vorm van bestuurdersaansprakelijkheid waar ik me in het bijzonder op richt, is de aansprakelijkheid tot schadevergoeding op grond van artikel 6:162 BW van een bestuurder van een rechtspersoon jegens derden. Omdat dit een hele mond vol is, gebruik ik soms kortheidshalve de term ‘bestuurdersaansprakelijkheid’ of het iets minder beknopte ‘bestuurdersaansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad/artikel 6:162 BW’. Tenzij anders aangegeven, bedoel ik met deze meeromvattende termen dus in dit hoofdstuk de bovengenoemde specifieke aansprakelijkheidsvorm.
In het eerste deel van dit hoofdstuk richt ik me op de vraag of voor bestuurders van rechtspersonen moet worden afgeweken van de gewone vereisten van de onrechtmatige daad door de aanvullende toepassing van de ernstig verwijt-maatstaf, of niet. De door de Hoge Raad bekrachtigde doctrine waarin voor bestuurders die in hoedanigheid handelen de ernstig verwijt-maatstaf moet worden toegepast, noem ik soms kortweg de ‘ernstig verwijt-doctrine’. Ook deze term is strikt genomen meeromvattend, want de ernstig verwijt-maatstaf wordt ook toegepast in andere takken van het bestuurdersaansprakelijkheidsrecht.4 In de context van dit hoofdstuk verwijs ik met deze term echter telkens naar de toepassing van deze maatstaf in het onrechtmatige daadsrecht.
Ten slotte is het ook goed om de term ‘onrechtmatige daad’ te verduidelijken, want deze term kan twee verschillende dingen betekenen. Het begrip onrechtmatige daad wordt allereerst en vooral gebruikt voor artikel 6:162 BW als geheel, maar het kan ook wijzen op een onderdeel van artikel 6:162 BW. Zo bezien is onrechtmatige daad in de ruime zin van het woord eigenlijk een pars pro toto. Dat zal ik toelichten. Zoals hierna ook blijkt in par. IV.2.2.3 bevat artikel 6:162 BW vijf cumulatieve vereisten, en één van die vereisten (in artikel 6:162 lid 2) houdt in dat er sprake moet zijn van een ‘onrechtmatige daad’. Met onrechtmatige daad wordt volgens artikel 6:162 lid 2 BW bedoeld een inbreuk op een recht, strijd met een wettelijke plicht of strijd met het ongeschreven recht. Dit vereiste ziet dus op de onrechtmatigheidstoets, waarbij een bepaald verband wordt gelegd met een gedraging en een norm. Vanwege de dubbele betekenis van onrechtmatige daad, pleegt men onderscheid te maken tussen de ‘onrechtmatige daad in de ruime zin van het woord’ (als grondslag voor de aansprakelijkheid tot schadevergoeding, zoals is bepaald in artikel 6:162 lid 1 BW) en ‘onrechtmatige daad in de enge zin van het woord’ (de onrechtmatigheidstoets, dus de eerste van de vijf cumulatieve eisen van artikel 6:162 lid 1 BW die nader wordt gespecificeerd in artikel 6:162 lid 2 BW). Wanneer ik schrijf ‘aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad’ dan gebruik ik de term in de ruime zin, en wanneer ik het heb over het ‘plegen van een onrechtmatige daad’ dan bedoel ik tenzij anders aangegeven een onrechtmatige daad in de enge zin van het woord.