GiEA Curaçao, 01-03-2021, nr. CUR201701069
ECLI:NL:OGEAC:2021:78
- Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
- Datum
01-03-2021
- Zaaknummer
CUR201701069
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:OGEAC:2021:78, Uitspraak, Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 01‑03‑2021; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:OGEAC:2020:125, Uitspraak, Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, 20‑01‑2020; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
- Vindplaatsen
PS-Updates.nl 2021-0375
PS-Updates.nl 2020-0370
Uitspraak 01‑03‑2021
Inhoudsindicatie
pre-existentie - schadebegroting - toekomstige schade - gemiste promotie kansen en overuren
Partij(en)
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR201701069
Vonnis d.d. 1 maart 2021
inzake
[EISER],
wonende in Curaçao,
eiser,
advocaat: mr. R.A.P.H. Pols,
tegen
1. de naamloze vennootschap SEGUROS BROUWER N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Curaçao,
2. de naamloze vennootschap ASKA SCHADEVERZEKERING N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Curaçao,
gemachtigde: mr. R.M.L. Conquet,
3. [GEDAAGDE SUB 3],
wonende in Curacao,
gemachtigde: mr. N.V.R. Doekhie,
gedaagden
partijen zullen hierna ‘[eiser]’, ‘Seguros Brouwer’, ‘Aska’ en ‘[gedaagde sub 3]’ genoemd worden.
1. Het procesverloop
1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
- -
het vonnis van 20 januari 2020;
- -
het rapport van Zahavi, revalidatiearts, van 10 december 2018
- -
de akte na tussenvonnis zijdens [eiser] d.d. 2 maart 2020;
- -
de antwoordakte zijdens Aska d.d. 8 juni 2020;
- -
de antwoordakte zijdens [gedaagde sub 3] d.d. 8 juni 2020.
1.2.
Vonnis is (nader) bepaald op heden.
2. De verdere beoordeling in conventie en in reconventie
Algemene uitgangspunten
2.1.
Het causaal verband tussen het ongeval op 14 juni 2012 en de door [eiser] ervaren radiculaire klachten staat vast. Deze klachten leiden tot beperkingen als gevolg waarvan [eiser] volledig arbeidsongeschikt is, hetgeen hij duurzaam zal blijven. Bij de berekening van de schade dient te worden uitgegaan van het ontbreken van resterende verdiencapaciteit. De vraag of [eiser] als gevolg van het ongeval schade heeft geleden en zal lijden door verlies van arbeidsvermogen, moet worden beantwoord door vergelijking van de feitelijke inkomenssituatie na het ongeval met de hypothetische situatie bij het wegdenken van het ongeval. Hierbij komt het aan op de redelijke verwachting van het Gerecht omtrent toekomstige ontwikkelingen. Het in geld uitgedrukte verschil tussen de situaties met en zonder ongeval is het verlies aan arbeidsvermogen.
2.2.
Bij [eiser] is voorts sprake van een predispositie, te weten een reed voor het ongeval bestaande zwakke lichamelijke gesteldheid van de rug/wervelkolom. Partijen hebben zich bij akte uitgelaten over de vraag of er bij de schadebegroting rekening moet worden gehouden deze predispositie. [eiser] stelt zich op het standpunt dat zijn predispositie buiten beschouwing dient te blijven bij de schadebegroting nu de deskundige noch een termijn noch een kans heeft willen aangegeven dat [eiser] zonder ongeval ook zou zijn uitgevallen. Gedaagden stellen daartegenover dat uit het rapport van de deskundige volgt dat er bij [eiser] ook zonder het ongeval een vergrote kans is op radiculaire prikkeling, hetgeen niet buiten beschouwing kan worden gelaten. In het hiernavolgende zullen de standpunten van partijen bij het bespreken van de opgevoerde schadeposten worden beoordeeld.
2.3.
Als kapitalisatiedatum zal in het kader van de schadeberekening conform de vordering 1 februari 2017 worden genomen.
Verlies arbeidsvermogen
2.4. [
eiser] vordert een bedrag van NAf 263.502,94 aan verlies arbeidsvermogen. Die schade bestaat uit een bedrag van NAf 60.426,30 aan verschenen schade in verband met gemiste overuren en een bedrag van NAf 142.034,33 aan toekomstige schade in verband met gemiste overuren. Voorts vordert [eiser] in dit kader als PM schadepost een aanvulling op het invaliditeitspensioen dat na eervol ontslag in geval van mogelijke afkeuring 70% van zijn laatstverdiende loon zal betreffen. Daarnaast bestaat de schade van [eiser] uit een bedrag van NAf 61.042,31 in verband met inkomensschade door gemiste promotiekansen. Deze gemiste promotiekansen leiden volgens [eiser] eveneens toekomstig pensioenverlies begroot als PM schadepost.
Overuren
2.5.
Het verlies arbeidsvermogen van [eiser] bestaat grotendeels uit inkomensschade door gemiste overuren na het ongeval. [eiser], die voor het ongeval werkte als politieagent, rang brigadier, bij de Landelijke Beveiligingsdienst (LBD), stelt dat hij voor het ongeval NAf 1.098,66 netto per maand aan overuren verdiende, hetgeen in het kader van de schadeberekening dient door te lopen tot 65-jarige leeftijd. Volgens [eiser] wordt er structureel overgewerkt bij de LBD, aangezien strakke werkschema’s ontbreken in geval van het beveiligen van personen of gebouwen.
2.6.
Gedaagden betwisten de omvang van de schade in verband met misgelopen overuren. Door [eiser] zijn te weinig stukken aangeleverd om tot een structureel gemiddeld aantal overuren tot pensioengerechtigde leeftijd te kunnen concluderen. Daar komt bij dat bij [eiser] sprake is van een predispositie. Voor het ongeval maakte [eiser] al melding maakte van lage rugklachten. Deze klachten en de invloed daarvan op de mogelijkheid om structureel aanzienlijke overuren te maken, kan niet buiten beschouwing worden gelaten bij het begroten van de schade. Voorts wordt gewezen op diverse maatschappelijke ontwikkelingen die aan een structureel aantal overuren tot 65-jarige leeftijd in de weg staan. Aldus ligt ter beoordeling voor of de predispositie van [eiser] in de hypothetische situatie tot inkomensderving zou hebben geleid althans met voldoende waarschijnlijkheid zou hebben kunnen leiden en of het aantal gemiste overuren voldoende geobjectiveerd is.
2.7.
Zahavi heeft aangegeven geen antwoord te kunnen geven op de vraag op welke termijn [eiser] zonder ongeval ook klachten zou kunnen hebben ontwikkeld en hoe groot de kans daarop is. Vaststaat echter wel dat [eiser] extra kwetsbaar was gelet op de forse pre-existente degeneratieve afwijkingen, welke reeds tot 5% blijvende invaliditeit leidde. Deze reeds aanwezige kwetsbaarheid heeft zich verder geopenbaard na een ongeval met relatief beperkte impact. De kans op verergering van deze pre-existente kwetsbaarheid bij personen boven de 50 jaar is in zijn algemeenheid, ook zonder ongeval, erg hoog. De mogelijkheid tot het ontwikkelen van radiculaire klachten is daarbij aanwezig. Oorzaken die aan het ontwikkelen van dergelijke klachten ten grondslag liggen zijn divers en multifactorieel. Daarbij dient te worden gedacht aan interne factoren zoals lichaamsbouw, leeftijd en fysieke toestand, alsmede aan externe factoren, waaronder het type werk. Gelet op kwetsbaarheid van [eiser] die voor het ongeval reeds tot klachten leidde, het overgewicht van [eiser], zijn fysieke werk als beveiliger en zijn leeftijd, is het gerecht op grond van een redelijke verwachting omtrent toekomstige ontwikkelingen, van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat [eiser] zonder ongeval op enig moment ook klachten zou hebben ontwikkeld die een rol zouden zijn gaan spelen in de loopbaan van [eiser].
2.8.
Daarnaast zijn er diverse maatschappelijke ontwikkelingen die aan een structureel aantal overuren tot 65-jarige leeftijd in de weg staan. Daartoe is van belang dat de door [eiser] aangegeven overuren zijn gebaseerd op zijn werkzaamheden als beveiliger van een minister in het kabinet Schotte. Een beveiliger van een minister maakt onevenredig veel overuren, in verhouding tot het gebruikelijke werk van een LBD-er dat, anders dan [eiser] doet voorkomen, zich goed laat plannen door te werken in vaste tijdseenheden. De overuren in de periode dat [eiser] als beveiliger van de minister optrad, zijn niet bepalend voor de rest van de loopbaan. Na de val van het kabinet Schotte in augustus 2012 is het voorts nog maar de vraag of [eiser] zou zijn teruggekeerd als beveiliger van een minister mede gelet op de nieuwe regering die zich daarna heeft gevormd. [eiser] heeft daar geen enkele onderbouwing voor verstrekt. Voorts brengen ook overige maatschappelijke bezuinigingen, waaronder op de begroting van het ministerie van justitie, mee dat het aantal te werken overuren in ingeperkt. Al deze factoren in onderlinge samenhang beschouwd zouden er volgens het gerecht toe hebben geleid dat het voor [eiser] minder goed mogelijk zou zijn geweest voor een bedrag van NAf 1.098,66 netto per maand aan overuren te maken en te handhaven tot het einde van zijn loopbaan.
2.9.
Gelet op het vooroverwogene ziet het gerecht aanleiding in de berekening van de schade rekening te houden met een afnemend aantal overuren tot de pensioengerechtigde leeftijd van [eiser]. In de periode tot twee jaar na het ongeval gaat het gerecht nog uit van de maximaal gestelde overuren die resulteren in een bedrag van NAf 1.098,66 netto per maand. In de daarop volgende 2 jaar en 7 maanden (tot de kapitalisatiedatum) verminderen die overuren met een kwart, hetgeen resulteert in een bedrag van NAf 823,99 per maand. De resterende periode tot aan de pensioengerechtigde leeftijd, uitgaande van kapitalisatiefactor 10,7733, zal het aantal overuren de eerste helft van die periode weer verminderen met een kwart tot NAf 549,33 per maand en hetzelfde over de tweede helft van die periode tot een bedrag van NAf 274,66 per maand. Dat resulteert in een verschenen schade van NAf 53.065,27 (NAf 1098,66 x 12 maanden x 2 = 26.367,84) + (NAf 823,99 x 12 maanden x 2,7 = 26.697,43) en een toekomstige schade van NAf 53.261,41 (NAf 549,33 x 12 maanden x 5,38665 = 35.507,12) + (NAf 274,66 x 12 maanden x 5,38665 = 17.754,29). De totale inkomensderving wegens gemiste overuren resulteert daarmee in een bedrag van NAf 106.326,68
Schade na eervol ontslag, gemiste promotiekansen en pensioenverlies
2.10. [
eiser] stelt schade te lijden in geval hij onverhoopt wordt afgekeurd, alsmede door een gemiste kans op promotie. Gedaagden hebben de gestelde schadeposten gemotiveerd betwist stellende dat er geen enkele onderbouwing is aangedragen voor de stelling dat er een risico bestaat op afkeuring en dat hij zonder ongeval in aanmerking zou zijn gekomen voor promotie. Ten aanzien van de gestelde inkomensderving bij eervol ontslag is dat enkel gebaseerd op niet geobjectiveerde interne geruchten en speculaties. De gemiste promotiekans is eveneens op geen enkele wijze onderbouwd.
2.11.
Voor toewijzing van de gevorderde schade dient aldus beoordeeld te worden of enerzijds het inkomen met ongeval lager uitvalt door de mogelijke afkeuring van [eiser] en anderzijds of sprake is van de redelijke verwachting dat [eiser] – het ongeval weggedacht – zijn functie bij de LBD zou hebben hervat, waarbij een promotie tot teamleider in het verschiet zou liggen. In beide gevallen gaat het om onzekere toekomstige schade en waarbij het ontstaan van deze schade in de toekomst nog louter hypothetisch.
2.12.
Op grond van artikel 6:105 BW kan de begroting van nog niet ingetreden schade worden uitgesteld of na afweging van goede en kwade kansen bij voorbaat geschieden. Ook bij de laatstgenoemde wijze van begroting blijft uitgangspunt dat zoveel als redelijkerwijs mogelijk is de werkelijk te lijden schade wordt begroot. Daartoe dient de feitelijke situatie vergeleken te worden met de hypothetische situatie zonder de beschadiging. Bij deze vergelijking komt het aan op de redelijke verwachting van de rechter omtrent toekomstige ontwikkelingen. Naar het oordeel van het gerecht heeft [eiser] onvoldoende gemotiveerd gesteld dat dergelijke schade in de toekomst redelijkerwijs te verwachten is. Anders dan geruchten en speculaties zonder bron of herkomst, worden er geen concrete argumenten aangedragen die het gestelde risico kunnen staven. Gelet op de tijd die sedert het ongeval is verstreken had nu wel meer duidelijkheid kunnen en moeten zijn of deze geruchten enige waarheid in zich dragen. Een redelijke verwachting dat [eiser] in de toekomst wordt afgekeurd valt onder deze omstandigheden, zelfs bij een afweging van goede en kwade kansen, niet te verwachten.
2.13.
Ten aanzien van de schade wegens de gemiste promotie merkt het gerecht het volgende op. Ten tijde van het ongeval was [eiser] als politieagent, in rang van brigadier in dienst van de LBD. Het verzoek van [eiser] strekt er derhalve toe om voor de vaststelling van de inkomensschade af te wijken van de situatie die ten tijde van het ongeval (juni 2012) aan de orde was. [eiser] heeft ter onderbouwing enkel gewezen op een collega door wiens overlijden de functie van teamleider zou zijn vrijgekomen. Enige onderbouwing dat die functie, in de hypothetische situatie zonder ongeval, aan [eiser] zou zijn vergeven is niet gegeven. Voor de functie van teamleider dient een opleiding gevolgd te worden, die [eiser] niet had. Dat hij voor die opleiding in aanmerking kwam is evenmin gebleken. [eiser] heeft op geen enkele manier inzicht gegeven in de ontwikkeling van zijn loopbaan. Wel is bekend dat sprake is van een verhoogde kwetsbaarheid. Die kwetsbaarheid zou mogelijkerwijs wel aan een promotie in de weg kunnen staan. Naar het oordeel van het gerecht is naar de huidige stand van zaken onvoldoende aannemelijk geworden dat [eiser] – het ongeval weggedacht – zijn functie bij de LBD zou hebben hervat, waarbij een promotie tot teamleider in het verschiet zou liggen. Gelet hierop is evenmin sprake van de gestelde toekomstige onzekere pensioenschade.
Verlies zelfwerkzaamheid
2.14. [
eiser] vordert schade wegens verlies zelfwerkzaamheid. De verschenen schade verlies zelfwerkzaamheid bestaat volgens [eiser] uit diverse werkzaamheden aan zijn woning en tuin ten bedrage van in totaal een bedrag van NAf 2.130. De toekomstige schade verlies zelfwerkzaamheid tot 75-jarige leeftijd komt volgens [eiser] neer op een bedrag van NAf 22.828 (ad NAf 1.300 per jaar). Gedaagden hebben deze schade betwist stellende dat de predispositie van [eiser] er op enig moment toe zou hebben geleid dat hij – ook zonder ongeval – op enig moment de werkzaamheden in en om het huis niet meer zelfstandig zou hebben kunnen uitvoeren.
2.15.
Het Gerecht acht het in voldoende mate aangetoond door [eiser] dat hij tot op heden en ook in de toekomst geconfronteerd is/zal zijn met beperkingen. Zahavi heeft immers in zijn rapport 14 maart 2016 vastgesteld dat [eiser] op dat moment, vier jaar na het ongeval, nog te kampen had met lage rugklachten uitstralend tot rechtervoet en tenen waardoor hij klachten ervaart bij activiteiten die het rechterbeen en de rug belasten, zoals langdurig staan en zitten. Het percentage blijvende functionaliteit wordt door Zahavi vastgesteld op 13% van de gehele mens. Overigens is 5% daarvan toe te schrijven aan de predispositie van [eiser]. Gedaagden hebben een en ander in onvoldoende mate bestreden. Zij hebben geen argumenten en/of (medische) rapporten aangedragen waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de stelling van [eiser] over zijn beperkingen niet juist is.
2.16.
Dat [eiser] kosten heeft gemaakt in de eerste 55 maanden na het ongeval als gevolg van verminderde zelfwerkzaamheid neemt het gerecht met inachtneming van het voorgaande als vaststaand aan, zodat de vordering ten bedrage van NAf 2.130 wordt toegewezen.
2.17.
Begroting van de toekomstige schade betreffende zelfwerkzaamheid zal na afweging van goede en kwade kansen bij voorbaat geschieden (artikel 6: 105 lid 1 BW). [eiser] heeft de toekomstige schade berekend aan de hand van de richtlijn zelfwerkzaamheid Bureau Personenschade, die weer is gebaseerd op de richtlijn zelfwerkzaamheid van de Letselschade Raad. [eiser] zoekt aansluiting bij de categorie eigen vrijstaande woning met tuin. Het door [eiser] gevorderde bedrag per jaar (NAf 1.000 x 1,3 per jaar) is hoger dan de gevorderde historische kosten voor wat betreft verlies aan zelfwerkzaamheid (te weten ongeveer NAf 455 per jaar). Dat verschil is niet door [eiser] toegelicht, terwijl dat wel voor de hand had gelegen. Daar komt bij dat de verhoogde kwetsbaarheid van [eiser] zonder ongeval, in de toekomst mogelijk van invloed zou kunnen zijn op zijn zelfwerkzaamheid, zodat een deel van deze toekomstige schadepost ook daaraan kan worden toegeschreven aan. In het licht hiervan wordt deze vordering toegewezen uitgaande van een schade van NAf 455 per jaar tot 75 jarige leeftijd (kapitalisatiefactor 17,5600), hetgeen resulteert in een bedrag NAf 7.989,80. De vordering zelfwerkzaamheid wordt daarmee voor een bedrag van in totaal NAf 10.119,80 toegewezen.
Eigen bijdrage medische kosten en transportkosten
2.18. [
eiser] vordert een bedrag van NAf 1.853,92 aan eigen bijdrage medische kosten. Dit bedrag betreft 10% van de door [eiser] gemaakte ziektekosten in verband met het ongeval. Het gerecht acht de gespecificeerde lijst van gemaakte ziektekosten, ondanks het ontbreken van onderliggende facturen, voldoende concreet om als uitgangspunt te dienen voor berekening van de eigen bijdrage van [eiser]. De gevorderde schade wegens eigen bijdrage medische kosten is daarmee voldoende onderbouwd en zal worden toegewezen.
2.19. [
eiser] vordert een bedrag van NAf 1.408,10 aan transportkosten. Hij heeft in dat verband een overzicht in het geding gebracht van artsen/fysiotherapeuten die hij heeft bezocht met vermelding van frequentie en afstand in kilometers. [eiser] gaat uit van NAf 0,50 per kilometer. Gedaagden hebben verweer gevoerd tegen genoemde post. Volgens gedaagden heeft [eiser] de kosten niet voldoende onderbouwd. Het gerecht verwerpt dit verweer. Het gerecht schat de transportkosten op de het bedrag zoals door [eiser] is gevorderd. Deze post is dus toewijsbaar.
Immateriële schade
2.20. [
eiser] vordert aan immateriële schadevergoeding een bedrag van NAf 26.000. Hij stelt daartoe dat er sprake is van aanhoudende pijnklachten, waardoor hij van een actieve ondernemende man is veranderd in een persoon die weinig meer kan. Hij is beperkt in het uitvoeren van zijn werkzaamheden, zijn hobby volleybal en overige activiteiten, hetgeen heeft geleid tot een echtscheiding. Tenslotte voert [eiser] aan dat het percentage van functionele invaliditeit op 13% ligt.
2.21.
Gedaagden betwisten deze schadepost. Zij wijzen ook ter zake in het bijzonder op de predispostie van [eiser]. Voor zover zou worden aangehaakt bij het percentage functionele invaliditeit betogen gedaagden dat 5% wordt toegeschreven aan deze predispositie zodat ter zake van het ongeval van 8% dient te worden uitgegaan.
2.22.
De hoogte van immateriële schadevergoeding wordt naar billijkheid vastgesteld (artikel 6: 106 lid 1 onder b BW). Rekening wordt gehouden met alle omstandigheden van het geval, in het bijzonder de aard en de ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor verzoeker. In onderhavig geval staat vast dat [eiser] letsel heeft opgelopen waardoor hij, thans nog steeds, beperkt is in zijn doen en laten. Dat [eiser] daardoor aan levensvreugde heeft ingeboet staat in voldoende mate vast. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de predispositie van [eiser] die ook zonder ongeval tot invloed zou kunnen hebben gehad op het leven van [eiser]. Op grond van het hiervoor overwogene en met inachtneming van vergelijkbare gevallen in Nederland (ANWB letselschadegids) en Curaçao stelt het Gerecht de verzochte schadevergoeding naar billijkheid vast op een bedrag van NAf 16.000.
Buitengerechtelijke kosten
2.23. [
eiser] vordert een bedrag van NAf 12.985,- aan buitengerechtelijke kosten. Gedaagden hebben tevergeefs aangevoerd dat deze onvoldoende zijn onderbouwd vanwege het ontbreken van facturen. De als productie 10 bij het verzoekschrift overgelegde lijst van werkzaamheden. Uit deze lijst valt genoegzaam dat dit kosten betreffen zoals bedoeld in artikel 6: 96 lid 2 onder b en/of c BW. Nu de omvang van de kosten redelijk is en de kosten in redelijkheid zijn gemaakt, wordt ook deze post toegewezen.
2.24.
Resumerend worden de volgende posten toegewezen:
Gemiste overtime: - NAf 106.326,68
Verlies zelfwerkzaamheid - NAf 10.119,80
Medische kosten - NAf 1.853,92
Transportkosten - NAf 1.408,10
Immateriële schade - NAf 16.000
Buitengerechtelijke kosten - NAf 12.985.
In totaal betreft dit bedrag NAf 148.693,50 (NAf 119.708,50 materiële schade en NAf 16.000 immateriële schade en NAf 12.985 aan buitengerechtelijke kosten). Tevens zal de rente zoals is verzocht worden toegewezen, zoals hierna nader bepaald. De reeds betaalde voorschotten zullen op de totale schade in mindering strekken.
2.25.
Gedaagden zullen hoofdelijk als de (grotendeels) in conventie en reconventie in het ongelijk te stellen partij in proceskosten van [eiser] en in de kosten van de deskundige Zahavi worden veroordeeld. De kosten van Zahavi zijn reeds als voorschot door Aska betaald. In de betaling van dat voorschot zal Aska worden veroordeeld. De proceskosten aan de zijde van [eiser] worden tot op heden begroot op: NAf 3.010 griffierecht, NAf 366,50, NAf 286,50 en NAf 286,50 aan explootkosten (totaal NAf 939,50) en aan gemachtigdensalaris NAf 12.000 (4 punt x tarief 8 NAf 3.000).
2. De beslissing
Het Gerecht:
In conventie
5.1.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk, des de een betaalt de ander zal zijn bevrijdt, om aan [eiser] een bedrag van NAf NAf 119.708,50 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 september 2013, alsmede een bedrag van NAf 16.000 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 juni 2012, alsmede een bedrag van NAf 12.985 aan buitengerechtelijke kosten;
5.2.
veroordeelt Aska in de kosten van de deskundige ter hoogte van het reeds door Aska voorgeschoten bedrag;
5.3.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk, des de een betaalt de ander zal zijn bevrijdt, in de proceskosten aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op
NAf 15.949,50;
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5
wijst af het meer of anders gevorderde.
In reconventie
5.6.
wijst de vordering af;
5.7.
veroordeelt gedaagden in de proceskosten aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. Christiaan rechter in het gerecht in eerste aanleg van Curacao en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2021.
Uitspraak 20‑01‑2020
Inhoudsindicatie
Letsel pre-existentie causaal verband
Partij(en)
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR201701069
Vonnis d.d. 20 januari 2020 (bij vervroeging)
inzake
[EISER],
wonende in Curaçao,
eiser,
advocaat: mr. R.A.P.H. Pols,
tegen
1. de naamloze vennootschap SEGUROS BROUWER N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Curaçao,
2. de naamloze vennootschap ASKA SCHADEVERZEKERING N.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Curaçao,
gemachtigde: mr. R.M.L. Conquet,
3. [GEDAAGDE SUB 3],
wonende in Curaçao,
gemachtigde: mr. N.V.R. Doekhie,
gedaagden
partijen zullen hierna ‘[eiser]’, ‘Seguros Brouwer’, ‘Aska’ en ‘[gedaagde sub 3]’ genoemd worden.
1. Het procesverloop
1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
- -
het vonnis van 21 mei 2018;
- -
het rapport van Zahavi, revalidatiearts, van 10 december 2018
- -
de conclusie na deskundigenbericht zijdens [eiser] d.d. 11 maart 2019;
- -
de conclusie na deskundigenbericht zijdens Aska d.d. 11 maart 2019;
- -
de conclusie na deskundigenbericht zijdens [gedaagde sub 3] d.d. 11 maart 2019.
1.2.
Vonnis is (nader) bepaald op heden.
2. De verdere beoordeling in conventie en in reconventie
Causaal verband
2.1.
Teneinde duidelijkheid te krijgen over de medische gevolgen van het ongeval heeft het Gerecht partijen in de gelegenheid gesteld nadere vragen aan Zahavi, revalidatiearts, te stellen. Zahavi heeft zijn bevindingen vastgelegd in een rapport van 10 december 2018.
2.2.
In het rapport van Zahavi is het navolgende opgenomen.
“(…)
1. Indien u onderbouwd tot een causaal verband concludeert tussen klachten van betrokkene en het ongeval, kunt u dan aangeven op welke termijn betrokkene deze klachten zou hebben ontwikkeld op basis van de pre-existente en progressieve degeneratieve afwijkingen aan de wervelkolom het ongeval wegdenkend?
Het is bekend dat pre-existente en progressieve degeneratieve afwijkingen aan de wervelkolom uiteindelijk kunnen leiden tot compressie en schade van de uittredende wortels met als gevolg radiculaire klachten zonder een traumatisch gebeuren. Over de termijn voor het ontwikkelen van dergelijke klachten kan echter geen uitspraak gedaan worden. Het is ook bekend dat de prevalentie van degeneratieve afwijkingen van de wervelkolom bij personen boven de 50 jaar zeer hoog is maar dat alleen een deel daarvan radiculaire klachten ontwikkelen door de progressie van de degeneratieve afwijkingen. Derhalve zal het naar mijn mening ook niet mogelijk zijn om een termijn aan te geven.
2. Als u geen periode kunt aangeven, kunt u dan de kans dat belanghebbende zonder ongeval ook voor zijn pensioendatum arbeidsongeschikt zou raken voor (onregelmatige) werkzaamheden aangegeven in een percentage?
Op deze vraag kan ik helaas geen definitief antwoord geven. De oorzaken waardoor een individu arbeidsongeschikt raakt zijn divers en multifactorieel. Oorzaken hebben te maken met interne factoren van het individu zelf (leeftijd, lichaamsbouw, fysieke toestand, psychische gesteldheid, motivatie, enz.) evenals externe factoren (type werk, relatie tussen werknemer en werkgever, enz.). Er is vaak geen duidelijk verband tussen een specifieke klacht (in cliënt zijn geval de rugklachten/radiculaire klachten) en het wel of niet arbeidsongeschikt zijn. Alle mogelijke factoren dienen geevalueerd te worden. Advies is dan ook een arbeidsdeskundige hiervoor in te schakelen.
(…)
4. U verwijst naar afwijkingen betreffende zenuwwortel van de vierde lendenwervel. Deze afwijkingen zijn verklaarbaar door de progressief degeneratieve afwijkingen aan de wervelkolom. Kunt u zo uitgebreid mogelijk toelichten op basis waarvan u hierin een traumatische component ziet?
Toegegeven wordt dat op beeldvormend onderzoek geen aanwijzingen zijn voor een trauma. Meestal worden in dergelijke gevallen als die van cliënt geen objectiveerbare traumatische afwijkingen gezien. Om de schade van een zenuwwortel vast te stellen is het niet noodzakelijk bij beeldvormend onderzoek de aanwezigheid van posttraumatische afwijkingen van de rug structuren waar te nemen om de diagnose vast te stellen. Gegevens verkregen middels de anamnese, lichamelijk onderzoek en aanvullend onderzoek zoals elektromyografisch onderzoek zijn meer van belang. Alle reeds verrichte beeldvormende onderzoeken van de wervelkolom laten wel consequent aanwijzingen zien voor pre-existente degeneratieve afwijkingen en voornamelijk ter hoogte van de foramen L4-L5 rechts met stenose en ruimte beperking rondom de uittredende wortel L4. Er is derhalve een duidelijke predispositie om bij een traumatische gebeurtenis (in cliënt zijn geval een auto-ongeval) schade van deze uittredende wortel op te lopen in vergelijking tot de situatie waar er geen sprake is van een stenose. Bij een traumatische gebeurtenis kunnen er tijdens het bewegen/verschuiven van neurale structuren schade optreden indien deze zich in een nauw ruimte bevinden. Gezien er volgens de beschikbare correspondentie geen blijk was van reeds bestaande klachten, kan men concluderen dat deze klachten direct zijn ontstaan na het ongeval (temporaal relatie) met objectiveerbare afwijkingen bij lichamelijk onderzoek (positieve Lasegue en verminderde kniepees reflex rechts) en kan men redelijkerwijs concluderen dat er schade is opgetreden van de desbetreffende zenuwwortel L4 rechts. Volgens de American Association Guide spreekt dan men van een "aggravation" wat betekent dat er een verergering is opgetreden van een pre-existente situatie door bijvoorbeeld een traumatische gebeurtenis waarbij er dan ook geen volledig herstel optreedt wat in client zijn geval ook waar te nemen is.
(…)
6. Kunt u een indicatie geven in welke mate het overgewicht van interfererende invloed is op het ontstaan en persisteren van de klachten?
Het is alom bekend dat overgewicht een duidelijke invloed kan hebben op de klachten als gevolg van degeneratieve afwijkingen zoals die van de heupen (coxartrose), knieën (gonartrose) en de rug structuren (spondylartrose). Door het overgewicht komen de aangetaste structuren onder meer druk te staan met als gevolg het verergeren van de klachten. De wekedelen structuren met degeneratieve afwijkingen rondom de zenuw zouden beïnvloed kunnen worden door het overgewicht. Het overgewicht dient dan als een beïnvloedende factor gezien te worden en niet als oorzakelijk. Het is immers bekend dat vele individuen met overgewicht geen klachten hebben en er is dus ook geen direct causaal verband tussen het overgewicht en de klachten. Tevens is er verder geen duidelijk bewijs dat overgewicht direct van invloed is op de zenuwstructuren, in dit geval de uittredende zenuwwortel L4 rechts. De opgelopen schade van de uittredende zenuwwortel is traumatisch van aard en niet gerelateerd aan het overgewicht.
Op de vraag of op basis van de deels nieuwe gegevens nog wel grond is vast te houden aan de eerdere conclusie dat de radiculaire klachten van betrokkene samenhangen met het voorliggende ongeval is het antwoord ja.
Door de pre-existente degeneratieve afwijkingen van de wervelkolom met als gevolg een foramen stenose van L4-L5 rechts was er een duidelijke beperkte hoeveelheid ruimte rondom de uittredende wortelzenuw L4 rechts. Dus was er sprake van een duidelijke predispositie voor het ontwikkelen van een traumatisch letsel van de desbetreffende wortel. Gezien de klachten direct na het ongeval ontstonden en dat de beschikbare correspondentie geen blijk gaf dat betrokkene eerder bekend was met dergelijke klachten kan men aannemen dat de radiculaire klachten door het ongeval geprovoceerd zijn ("aggravation"). De bevindingen bij anamnese en vooral lichamelijk onderzoek bevestigen ook het feit van een radiculair beeld (positieve Lasegue en verminderde kniepees reflex rechts).
Uit de laatste beschikbare medische correspondentie wordt ook de diagnose van een meralgia paresthetica geopperd. De klachten van betrokkene passen echter niet volledig bij deze diagnose. Een meralgia paresthetica leidt weliswaar tot pijnklachten aan de voorkant van het bovenbeen met gevoelsstoornissen maar dit kan eveneens door een aantasting van de zenuwwortel L4 tot stand komen. Volgens de American Medical Association Guide 6e editie zijn er vooral sensibiliteitsstoornissen waar te nemen aan de voorkant van het bovenbeen duidelijk overlap met die van een meralgia paresthetica. Tevens worden de bevindingen van een positieve Lasegue alsmede een verminderde kniepees reflex niet bij de diagnose van een meralgia paresthetica getroffen.”
2.3. [
Eiser] concludeert naar aanleiding van het aanvullend rapport van Zahavi dat zijn klachten en beperkingen en de daaruit voortvloeiende schade aan het ongeval moeten worden toegerekend.
2.4.
Aska en [gedaagde sub 3] kunnen zich niet verenigen met de conclusies van Zahavi en handhaven hun standpunt dat bij [eiser] sprake is van pre-existente afwijkingen die een betere verklaring voor de klachten geven. Ter vaststelling van de medische causaliteit wordt nader onderzoek door een neurochirurg voorgesteld. Ter bepaling van de vraag of [eiser] zonder ongeval ook op enig moment zou zijn uitgevallen met soortgelijke klachten en beperkingen, wordt om nader onderzoek door een arbeidsdeskundige verzocht.
2.5.
Het Gerecht oordeelt als volgt. Om als uitgangspunt te dienen voor de beoordeling of de klachten en beperkingen te relateren zijn aan het [eiser] overkomen ongeval, dient het deskundigenrapport – dat op gezamenlijk verzoek van partijen tot stand is gekomen – antwoord te geven op de vraag naar de medische causaliteit op een zodanige begrijpelijke wijze, dat aan de hand daarvan een oordeel kan worden gegeven over de juridische causaliteit. Daarbij geldt dat de deskundige vrij is in de wijze waarop hij het onderzoek verricht. Zijn rapport dient evenwel deugdelijk gemotiveerd te zijn, hetgeen onder meer inhoudt dat de deskundige inzichtelijk maakt hoe hij tot zijn oordeel is gekomen en hoe zijn oordeel zich verhoudt tot de gebruikelijke zienswijzen en richtlijnen binnen zijn beroepsgroep, alsmede dat hij een eventuele afwijking deugdelijk motiveert.
2.6.
Het voorgaande brengt mee dat van de partij die een deskundigenbericht bekritiseert mag worden verlangd dat hij zijn stellingen deugdelijk onderbouwt, bijvoorbeeld door een rapport van een andere deskundige in het geding te brengen waarin de conclusies van de door partijen benoemde deskundige op overtuigende wijze worden weersproken. Er zullen dus zwaarwegende en steekhoudende bezwaren over de wijze van totstandkoming of de inhoud van het deskundigenbericht moeten zijn, op grond waarvan het Gerecht tot het oordeel kan komen om het deskundigenbericht naast zich neer te leggen.
2.7.
Het Gerecht constateert dat [gedaagde sub 3] en Aska geen bezwaren hebben geformuleerd ten aanzien van de wijze van totstandkoming van het deskundigenbericht van Zahavi. Voor wat betreft de door [gedaagde sub 3] en Aska gestelde bezwaren tegen de inhoud van het rapport van Zahavi, mede gebaseerd op het advies van medisch adviseur drs. E.H. Groenewegen, geldt dat naar het oordeel van het Gerecht niet is voldaan aan het hiervoor onder r.o. 2.5 en 2.6. weergegeven criterium. Gelet op de omstandigheid dat Groenewegen optreedt als medisch adviseur van Aska kan hij niet als onafhankelijk deskundige worden aangemerkt. Daarnaast geldt dat tegenover de visie van Groenewegen, waaraan Aska haar bezwaren ontleent, de mening van W.C.G. Blanken, de medisch adviseur van [eiser], staat. Het had dan ook op de weg van Aska (en [gedaagde sub 3]) gelegen hun bezwaren tegen de rapportage van Zahavi nader te onderbouwen, bijvoorbeeld door overlegging van een rapport van een neurochirurg, waarin geoordeeld wordt dat Zahavi in redelijkheid niet tot zijn (medische) conclusies had kunnen komen. Nu derhalve een deugdelijke onderbouwing van de inhoudelijke kritiek ontbreekt, is in zoverre geen sprake van voldoende zwaarwegende en steekhoudende bezwaren tegen de inhoud van het rapport van Zahavi. Het Gerecht ziet daarom evenmin aanleiding een neurochirurg te benoemen is. Zahavi heeft desgevraagd aangegeven een aanvullende expertise door een neurochirurg te ondersteunen, echter – anders dan Aska en [gedaagde sub 3] stellen – niet ter beoordeling van het medisch causaal verband, maar in verband met therapeutische suggesties, zoals volgt uit het rapport van Zahavi van 14 maart 2016 (vraag 1. m)
2.8.
Daarmee komt het Gerecht toe aan de beoordeling van de vraag of de (rug)klachten van [eiser] een gevolg zijn van het ongeval. Bij die beoordeling geldt het volgende uitgangspunt. Indien het bestaan van de klachten is vast komen te staan, kan aan het bewijs van het causaal verband tussen de klachten en het ongeval, waarbij een vergelijking dient te worden gemaakt tussen de situatie met ongeval en de situatie zonder ongeval, in de gegeven omstandigheden niet al te hoge eisen worden gesteld. Indien voor het ongeval deze gezondheidsklachten niet bestonden, de gezondheidsklachten op zich door het ongeval veroorzaakt kunnen worden en een alternatieve verklaring voor de gezondheidsklachten ontbreekt, zal het bewijs van het (juridisch) oorzakelijk verband daarmee veelal geleverd zijn.
2.9.
Ondanks het ontbreken van objectiveerbare traumatische afwijkingen is er volgens Zahavi door het ongeval schade opgetreden aan de uittredende zenuwwortel L4 rechts, met de radiculaire klachten tot gevolg. Zahavi komt tot dat oordeel omdat alle verrichte beeldvormende onderzoeken van de wervelkolom weliswaar consequent aanwijzingen laten zien voor pre-existente degeneratieve afwijkingen ter hoogte van L4-L5 met stenose en ruimtebeperking rondom de uittredende wortel L4, maar dat [eiser] voor het ongeval niet bekend was met chronische rugklachten en/of met uitstralende rugklachten naar de benen én de klachten direct na het ongeval zijn ontstaan. Aldus concludeert Zahavi dat er door het ongeval schade is opgetreden van de zenuwwortel L4 met radiculaire klachten tot gevolg, met dien verstande dat de zenuwwortel vanwege pre-existente degeneratieve afwijkingen en de beperkte ruimte rondom, zeer gevoelig en vatbaar was voor het oplopen van schade bij een ongeval en waardoor er in geval van een traumatische gebeurtenis geen volledig herstel optreedt (aggravation).
2.10.
Het voorgaande leidt ertoe dat de stelling van Aska, dat de impact van het ongeval te laag zou zijn geweest voor het ontstaan en aanhouden van de klachten, geen stand houdt. Voorts ontbreekt er volgens Zahavi een andere oorzaak voor de klachten. Het overgewicht van [eiser], zoals door [gedaagde sub 3] geopperd, zou de wekedelen structuren met degeneratieve afwijkingen rondom de zenuw kunnen beïnvloeden, maar kan niet worden aangemerkt als oorzakelijke factor. Duidelijk bewijs daartoe ontbreekt. De opgelopen schade van de uittredende zenuwwortel is traumatisch van aard en niet gerelateerd aan overgewicht, aldus Zahavi.
2.11.
De slotsom is dat bij [eiser] sprake was van een predispositie, te weten een voor het ongeval bestaande zwakke lichamelijke gesteldheid van de rug / wervelkolom, die voor het ongeval (nog) niet tot zodanige klachten en beperkingen aanleiding had gegeven dat daaruit een tekort of schade was ontstaan, maar welke fysieke structuur wel mede aanleiding heeft gegeven tot het ontstaan en de uiteindelijke omvang van de klachten en beperkingen sedert het ongeval. Die predispositie heeft er mede toe bijgedragen dat het herstel is uitgebleven.
2.12.
Bij een onrechtmatige daad die leidt tot letsel, zal de aansprakelijke partij het slachtoffer hebben te nemen zoals hij is, inclusief zijn persoonlijke predispositie en dus ook de omstandigheid dat zijn fysieke gesteldheid aan het ontstaan van klachten en het herstel daarvan in de weg staat. Dat leidt tot de conclusie – mede gelet op hetgeen aangaande het medisch causaal verband is overwogen – dat het causaal verband tussen door [eiser] ervaren radiculaire klachten en het ongeval is aangetoond.
De vraag of [eiser], vanwege de pre-existente degeneratieve afwijkingen aan de wervelkolom, ook zonder ongeval op enig moment klachten zou hebben ontwikkeld, staat niet aan causaal verband in de weg. De mogelijkheid dat [eiser] zonder ongeval op enig moment ook klachten zou kunnen hebben ontwikkeld is een omstandigheid waarmee bij het begroten van de schade rekening zou kunnen worden gehouden.
Schade
2.13.
Uit de rapportages van Zahavi volgt genoegzaam dat [eiser] vanwege zijn klachten volledig arbeidsongeschikt is. [eiser] is voorts redelijk zelfstandig in het uitvoeren van zijn activiteiten in het dagelijks leven, maar dit is wel sterk afhankelijk van de intensiteit van de klachten. Voor wat betreft huishoudelijke taken is [eiser] alleen in staat de lichtere activiteiten uit te voeren. Door gedaagden zijn deze conclusies van Zahavi niet gemotiveerd bestreden. Voor nader onderzoek door een bedrijfsarts of een arbeidsdeskundige voor het nauwkeurig in kaart brengen van de beperkingen ziet het Gerecht in de gegeven omstandigheden dan ook geen aanleiding. Dat geldt temeer nu aangenomen kan worden dat de arbeidsongeschiktheid van [eiser] duurzaam zal zijn, nu het uitblijven van herstel als gevolg van de predispositie van het slachtoffer aan de dader van de onrechtmatige daad moet worden toegerekend.
2.14.
Het voorgaande leidt er toe dat bij de berekening van de schade als uitgangspunt heeft te gelden dat [eiser] volledig arbeidsongeschikt is en dat hij dat duurzaam zal blijven. De vraag of er een beperking van de looptijd van de schade aan de orde is hangt mede af van de mogelijkheid dat [eiser] zonder ongeval op enig moment ook klachten zou kunnen hebben ontwikkeld. Zahavi heeft aangegeven daarover – medisch gezien – geen standpunt te kunnen innemen. Het Gerecht merkt op voorhand op het niet redelijk te achten een eventuele onzekere toekomstige gebeurtenis volledig voor risico van gedaagden te laten komen. Daartoe is relevant dat uit de medische rapportages volgt dat [eiser] extra kwetsbaar was gelet op de forse pre-existente degeneratieve afwijkingen. Nu de impact van het ongeval beperkt was, is niet onaannemelijk dat de pre-existente kwetsbaarheid, ook zonder ongeval, op enig moment een rol zou zijn gaan spelen in de loopbaan van [eiser]. Nu het debat zich tot nu toe beperkt heeft tot de causaliteit, zal het Gerecht partijen in de gelegenheid stellen zich over de juridische gevolgen van de predispositie van [eiser] bij de begroting van de schade uit te laten. Hetzelfde geldt ten aanzien diverse opgevoerde schadeschadeposten. Daarover nog het volgende.
2.15.
De vraag of [eiser] als gevolg van het ongeval schade heeft geleden en zal lijden door verlies van arbeidsvermogen, moet worden beantwoord door vergelijking van de feitelijke inkomenssituatie na het ongeval met de hypothetische situatie bij het wegdenken van het ongeval. Hierbij komt het aan op de redelijke verwachting van het Gerecht omtrent toekomstige ontwikkelingen. Het in geld uitgedrukte verschil tussen de situaties met en zonder ongeval is het verlies aan arbeidsvermogen.
2.16.
Uit de vordering van [eiser] blijkt dat het verlies aan arbeidsvermogen is gelegen in het verlies aan overuren en gemiste promotiekansen. [Eiser] was brigadier bij de Landelijke Beveiligingsdienst (LBD). Ten tijde van het ongeval werkte hij als beveiliger van de minister van justitie, hetgeen hem aanspraak op overuren opleverde. Gedaagden hebben gemotiveerd betwist dat daaruit voortvloeit dat [eiser] zowel in het verleden als voor de toekomst structureel aanspraak zou hebben gemaakt op overuren zoals door hem als schade gevorderd. Naar het oordeel van het Gerecht heeft [eiser] onvoldoende gemotiveerd dat hij zonder ongeval gedurende de gehele looptijd van de schade overuren zou hebben gegenereerd. Het Gerecht stelt [eiser] in de gelegenheid zijn vordering ter zake nader toe te lichten. Hetzelfde geldt onder meer voor de gestelde gemiste promotiekansen, het gestelde risico op het eervol ontslag en het toekomstig pensioenverlies, alsmede het verlies aan zelfwerkzaamheid en de immateriële schade. Gedaagden zullen in de gelegenheid worden gesteld daarop te reageren.
2.17.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
2. De beslissing
Het Gerecht:
5.1.
laat [eiser] toe de (omvang van) de schade en de schadeposten zoals volgt uit r.o. 2.14 en 2.16 bij akte nader toe te lichten en te onderbouwen;
5.2.
gedaagden mogen daar dan bij antwoordakte op reageren;
5.3.
verwijst de zaak naar de rolzitting van 24 februari 2020 voor een akte aan de zijde van [eiser] (P1);
5.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. Christiaan rechter in het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2020.