Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/8.2.2.2
8.2.2.2 Artikel 2:107/217 lid 2 BW
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS972028:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Deze vraag is in de literatuur van na de ASMI-beschikking onder meer bevestigend beantwoord in Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 7; Assink/Slagter 2013, p. 703; en Van der Korst 2022, p. 1083. Zie ontkennend Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood 2022, nr. 64; Handboek 2013, p. 1046; Schwarz, Rechtspersonen (losbl.), artikel 2:107, aant. 5.
Vgl. bijvoorbeeld Rb. Leeuwarden (vzr.) 15 april 2009, JOR 2009/187 m.nt. T.S. Jansen (DZ Software/Pars Pro Toto), waarin de Voorzieningenrechter ten aanzien van een beroep op artikel 2:217 lid 2 BW overweegt dat individuele aandeelhouders (slechts) ‘onder bijzondere omstandigheden’ buiten het verband van de algemene vergadering om informatie kunnen verzoeken (r.o. 4.5).
HR 9 juli 2010, NJ 2010/544 m.nt. Van Schilfgaarde (ASMI), r.o. 4.6 (onderstr. PH.). Zie voorts Hof Amsterdam (OK) 24 mei 2017, ARO 2017/131 (CL International), r.o. 3.10, waarin dezelfde overweging is herhaald in het kader van een BV met een geconcentreerd aandelenbezit. Zie over de ASMI-beschikking uitgebreid par. 4.2.2.2 en par. 5.2.3.2 hiervoor.
Zie over de begrippen partijwaardigheid en procesbevoegdheid ook Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022, nr. 27. Zie voorts Van der Korst 2012; en Vletter-van Dort (diss.) 2001, p. 91 e.v.
Zie hierover ook Van der Korst 2022, p. 1083; Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019, nr. 7; Assink/Slagter 2013, p. 703; Handboek 2013, nr. 203.1; De Groot & Bakker 2011, p. 252; en Van der Korst (diss.) 2007, p. 175-176.
In de literatuur is voorts de vraag opgekomen of een vordering ex artikel 2:107/217 lid 2 BW met succes in rechte zou kunnen worden ingesteld door een individuele aandeelhouder tegen de vennootschap.1 Hoewel dit een pragmatische oplossing zou bieden, meen ik dat die vraag ontkennend dient te worden beantwoord. Niet alleen vindt deze oplossing geen steun in de wet, ook zie ik dogmatische bezwaren die ik hierna zal toelichten.
Het Nederlandse vennootschapsrecht neemt tot uitgangspunt dat aandeelhouders buiten vergadering geen recht hebben op informatie. Indien individuele aandeelhouders zich zonder meer in rechte zouden kunnen beroepen op het recht op inlichtingen, dan zou dit uitgangspunt worden doorkruist. Immers dient op grond van artikel 2:107/217 lid 2 BW alle verlangde informatie te worden verstrekt tenzij een zwaarwichtig belang van de vennootschap zich daartegen verzet. Dit zou kunnen worden opgelost door in rechte aanvullende criteria te stellen aan een informatievordering,2 maar daarvoor biedt artikel 2:107/217 lid 2 BW geen ruimte.
Daar komt bij dat een vordering van een individuele aandeelhouder uit hoofde van artikel 2:107/217 lid 2 BW in strijd zou zijn met de interne bevoegdheidsverdeling. In zijn ASMI-beschikking bevestigde de Hoge Raad dat het recht op inlichtingen “een recht [is] van de AvA als orgaan van de vennootschap, verleend met het oog op vennootschappelijke rekening en verantwoording”, welk recht niet toekomt aan individuele aandeelhouders buiten vergadering.3 Individuele aandeelhouders kunnen het recht op inlichtingen ‘buiten rechte’ slechts ter vergadering uitoefenen. Niet valt in te zien waarom zij dit recht dan wel in rechte zouden kunnen uitoefenen.
Artikel 2:107/217 lid 2 BW richt zich bovendien tot de vennootschapsorganen: het betreft een informatierecht van de algemene vergadering en een verplichting van het bestuur en de raad van commissarissen om de verlangde informatie te verstrekken. Organen van rechtspersonen bezitten echter, in tegenstelling tot de rechts- en natuurlijke personen waaruit zij bestaan, geen partijwaardigheid en daarmee ook geen procesbevoegdheid.4 Zij kunnen dus niet in rechte optreden. Ook dit staat in de weg aan een vordering uit hoofde van artikel 2:107/217 lid 2 BW.
Het voorgaande neemt niet weg dat een schending van artikel 2:107/217 lid 2 BW onderworpen kan zijn aan sancties. Het ligt voor de hand een dergelijke schending (mede) ten grondslag te leggen aan een enquêteverzoek, waarover paragraaf 8.3 hierna. Voorts strekt een schending van het recht op inlichtingen tot de schending van een wettelijke plicht, hetgeen een onrechtmatige daad kan opleveren, mits ook aan de overige voorwaarden van artikel 6:162 BW wordt voldaan.5