De aanmerkelijkbelangregeling in internationaal perspectief
Einde inhoudsopgave
De aanmerkelijkbelangregeling in internationaal perspectief (FM nr. 123) 2007/1.2:1.2 Probleemstelling
De aanmerkelijkbelangregeling in internationaal perspectief (FM nr. 123) 2007/1.2
1.2 Probleemstelling
Documentgegevens:
Mr. dr. F.G.F. Peters, datum 01-03-2007
- Datum
01-03-2007
- Auteur
Mr. dr. F.G.F. Peters
- JCDI
JCDI:ADS363839:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Buitenlands belastingplichtige
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Belastingplichtige
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De andere leden waren S.C.W. Douma, H.E. Kostense en S.R. Pancham; de voorzitter van de commissie was J.Th.L. Brouwer.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Aanleiding voor het onderzoek
De aanleiding voor dit onderzoek was het preadvies ‘De vestigingsplaatsficties in de inkomstenbelasting’ dat ik als lid van de Commissie Preadvies Vestigingsplaatsficties1 schreef voor de Vereniging voor Belastingwetenschap. Het preadvies is opgenomen in ‘De vestigingsplaatsficties in de IB, de Vpb en de dividendbelasting’ en eind 2002 gepubliceerd als nr. 219 van de Geschriften van de Vereniging voor Belastingwetenschap. Na het schrijven van dit preadvies is de gedachte ontstaan om de problematiek in het kader van een promotieonderzoek verder uit te werken, te actualiseren en aan te vullen met een onderzoek naar het EG-recht en een rechtsvergelijkend onderzoek.
Onderwerp en doel van het onderzoek
Het onderwerp van deze studie is de regeling van de grensoverschrijdende aspecten van het aanmerkelijkbelangregime in de inkomstenbelasting. Het betreft de regelingen bij emigratie, immigratie en remigratie van de aanmerkelijkbelanghouder, alsmede de buitenlandse belastingplicht met haar vestigingsplaatsfictie en zetelverplaatsingheffing. De nadruk ligt hierbij op de beide exitheffingen en de vestigingsplaatsfictie voor de buitenlandse belastingplicht.
De doelstelling van het onderzoek is in de eerste plaats inzicht te verschaffen in de achtergrond en de vormgeving van de positief geldende regeling in de nationale wet en in de invloed die inter- en supranationale regelingen (belastingverdragen en EG-verdrag), alsmede de BRK op de daadwerkelijke toepassing van de nationale regeling hebben. In de tweede plaats is het onderzoek erop gericht te bevorderen dat de relevante regelgeving wordt verbeterd in die zin dat: i) de nationale regeling (volledig) consistent wordt vormgegeven overeenkomstig de doelstellingen van de wetgever, zonder in strijd te komen met het EG-recht; ii) de aanmerkelijkbelangbepaling in belastingverdragen zodanig wordt vormgegeven dat zowel de nationale heffingsbevoegdheid optimaal kan worden geëffectueerd als beschuldigingen van treaty override (in verband met de exitheffingen) worden voorkomen; en iii) de problematiek van de exitheffingen in EU-verband zodanig wordt opgelost dat gerechtvaardigde claims van de lidstaten zoveel mogelijk behouden blijven en de emigrerende aanmerkelijkbelanghouders niet worden belemmerd in de uitoefening van hun verdragsvrijheden, terwijl de oplossing tevens uitvoerbaar is.
Vraagstelling
Met het onderzoek wil ik een aantal met elkaar samenhangende vragen beantwoorden. In de eerste plaats de vraag wat de inhoud en de ratio is van de regeling van migraties en de buitenlandse belastingplicht in de nationale wet. Hiertoe worden de doelstelling en de vormgeving van de positiefrechtelijke regeling uitgebreid geanalyseerd. Een belangrijke deelvraag daarbij is in hoeverre de regeling voldoet aan de daaraan ten grondslag liggende uitgangspunten, waarbij overigens ook die uitgangspunten zelf zullen worden beoordeeld, mede op hun internationale aanvaarbaarheid. Een belangrijk punt daarbij is de verhouding tussen (de vestigingsplaatsfictie in) de buitenlandse belastingplicht en de beide exitheffingen; getracht wordt de vraag te beantwoorden of het doel van de buitenlandse belastingplicht met haar vestigingsplaatsfictie binnen het aanmerkelijkbelangregime niet reeds op andere wijze wordt bereikt.
De tweede vraag is of de aanmerkelijkbelangregeling in de internationale context waarin zij werkt, ook daadwerkelijk effectief is. Deelvragen daarbij zijn of de exit-heffingen verenigbaar zijn met de belastingverdragen en in hoeverre de buitenlandse belastingplicht en met name de vestigingsplaatsfictie effect heeft onder de belastingverdragen en de BRK.
De derde vraag is vergelijkbaar met de tweede, maar betreft de supranationale context van de EU. Getracht wordt de vraag te beantwoorden of de exitheffingen en de beide vestigingsplaatsficties in overeenstemming zijn met het EG-recht.
De vierde vraag is hoe de regeling, gezien de bevindingen ten aanzien van de andere vragen, zodanig kan worden vormgegeven dat zij consistent is en optimaal voldoet aan haar uitgangspunten, alsmede in internationaal verband effectief is. In dat kader wordt tevens een externe rechtsvergelijking met Duitsland (en voor wat betreft de emigratieheffing ook met Oostenrijk) uitgevoerd teneinde mogelijk aantrekkelijke alternatieven voor onderdelen van de regeling op het spoor te komen.