Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen
Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/8.1.1:8.1.1 Moeder-dochterrichtlijn
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/8.1.1
8.1.1 Moeder-dochterrichtlijn
Documentgegevens:
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS397152:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op grond van de Moeder-dochterrichtlijn mogen (onder voorwaarden) winstuitkeringen op het niveau van de dochtermaatschappij niet aan dividendbelasting en winstuitkeringen van de dochtermaatschappij op het niveau van de moedermaatschappij niet aan een winstbelasting worden onderworpen. De Richtlijn laat enige ruimte omtrent de voorkoming in die zin dat een lidstaat kan kiezen om de door de dochtermaatschappij uitgekeerde winst vrij te stellen (vrijstellingsmethode, art. 4 lid 1a Moeder-dochterrichtlijn), of er voor kan kiezen om de uitgekeerde winst te belasten en aan de moedermaatschappij een verrekening te verlenen van de in de vestigingsstaat van de dochtermaatschappij over de winstuitkering verschuldigde belasting (verrekeningsmethode, art. 4 lid 1b Moeder-dochterrichtlijn). Op grond van de Moeder-dochterrichtlijn is het de lidstaten toegestaan een bezitseis te hanteren van maximaal 10% en een minimale bezitsduur van een ononderbroken periode van twee jaar (art. 3 lid 1a en lid 2b Moeder-dochterrichtlijn). Daarnaast bepaalt de Moeder-dochterrichtlijn dat het de lidstaten vrij staat om een bruto- of nettovrijstelling te hanteren, waarbij de kosten ook forfaitair mogen worden bepaald op (maximaal) 5% van de winstuitkering (art. 4 lid 3 Moeder-dochterrichtlijn). Bij Richtlijn 2003/123/EEG van 22 december 2003 is de Moeder-dochterrichtlijn op diverse punten aangepast, waaronder de hierboven genoemde bezitseis die over een aantal jaren verlaagd werd naar 10%.
Op 30 november 2011 is de Moeder-dochterrichtlijn (2011/96/EU) geactualiseerd, zonder dat daarbij inhoudelijk iets is gewijzigd. Op 25 juli 2014 is Richtlijn 2014/86/EU vastgesteld en daarbij ging het wel om een inhoudelijke wijziging, namelijk hoe omgegaan moet worden met hybride financieringsinstrumenten. In de Richtlijn is opgenomen dat een lidstaat af moet zien (of “mag afzien’’)1 van het verlenen van een vrijstelling indien de betaling bij de dochtervennootschap ten laste van de winst kan worden gebracht. De Richtlijn is op 27 januari 2015 (2015/121/EU) voor het laatst gewijzigd. Bij deze wijziging is een algemene antimisbruikbepaling opgenomen.2
In dit hoofdstuk zal duidelijk worden op welke wijze beide landen hun wetgeving in overeenstemming hebben gebracht met de Moeder-dochterrichtlijn. Een integrale toetsing of nationale wetgeving wel geheel voldoet aan de Richtlijn, of aan primair Europese recht valt buiten het bestek van mijn onderzoek.