Zie de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam vóór verwijzing van 2 december 2010, r.o. 2.2.
HR, 02-10-2015, nr. 14/04077
ECLI:NL:HR:2015:2891
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
02-10-2015
- Zaaknummer
14/04077
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 02‑10‑2015
Beroepschrift, Hoge Raad, 02‑10‑2015
ECLI:NL:HR:2015:2891, Uitspraak, Hoge Raad, 02‑10‑2015; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2014:3180, Bekrachtiging/bevestiging
- Vindplaatsen
Belastingblad 2015/482 met annotatie van J.A. MONSMA
NTFR 2015/2839 met annotatie van mr. C.J.D. Warren
FutD 2015-2403
Viditax (FutD) 2015100206
Beroepschrift 02‑10‑2015
INCIDENTEEL BEROEP IN CASSATIE
Edelhoogachtbaar College,
Bij brief van 29 oktober 2014 biedt u de gelegenheid tot het instellen van incidenteel beroep in cassatie in de zaak met nummer F 14/04077. Met deze brief maak ik van die gelegenheid gebruik. Dit incidenteel beroep in cassatie heeft betrekking op de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag (hierna: het Hof) van 22 juli 2014 met nummer BK-12/00547, 13/00244, 13/01673 t/m 13/01681 en 14/00027 t/m 14/00034.
Dit incidenteel beroep in cassatie betreft een voorwaardelijk beroep voor het geval het principale cassatieberoep van belanghebbende slaagt.
De uitspraak van het Hof heeft betrekking op de voldoening op aangifte van vermakelijkheidsretributie voor een aantal kwartalen. [X] B.V. (hierna: belanghebbende) heeft voor het eerste kwartaal van 2005 tot en met het eerste kwartaal van 2007 vermakelijkheidsretributie op aangifte voldaan. Op deze kwartalen heeft uw arrest van 13 juli 2012 betrekking. De procedure voor deze kwartalen duid ik hierna aan met ‘VMR1’. Tevens heeft belanghebbende voor het tweede kwartaal van 2007 tot en met het derde kwartaal van 2009 vermakelijkheidsretributie op aangifte voldaan. Op deze kwartalen heeft uw arrest van 15 februari 2013 betrekking. De procedure voor deze kwartalen duid ik hierna aan met ‘VMR2’.
Middel van cassatie
Tegen de voormelde uitspraak van het Hof wordt aangevoerd het navolgende middel van cassatie, houdende schending van het recht — in het bijzonder het gelijkheidsbeginsel — en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich meebrengt, omdat het Hof op grond van de in de uitspraak, waarvan beroep, vermelde gronden (met name r.o. 6.2 en 6.5) heeft beslist als in het dictum van die uitspraak vermeld, ten onrechte op grond van de navolgende, mede in onderling verband en samenhang in aanmerking te nemen redenen:
1. Het Hof laat ten onrechte de subjecten in de ‘O-lijst’ buiten beschouwing
1.1
Het Hof heeft in r.o. 6.2 beslist dat niet in geschil is dat de in de door de heffingsambtenaar overgelegde lijsten onder de nummer O1 tot en met O10 genoemde subjecten niet tot de potentiële belastingplichtigen behoren en derhalve buiten het door het Hof na verwijzing uit te voeren onderzoek dienen te worden gelaten.
1.2
Dit ten onrechte omdat deze groep met exploitanten wel degelijk tot de in aanmerking te nemen groep van gevallen behoort. Het betreffen namelijk gevallen die in de heffing zijn betrokken, maar die belanghebbende niet op de lijsten met door haar gesignaleerde potentiële retributieplichtigen heeft opgenomen. Ik licht dat hierna verder toe.
1.3
Voor wat betreft de procedure VMR1 geldt het volgende. In navolging van de vaststelling, van het Gerechtshof Amsterdam in zijn uitspraak vóór verwijzing,1. stelde uw Raad in cassatie vast:
‘3.3.1.
Vanaf het eerste kwartaal van het jaar 2005 tot en met het eerste kwartaal van het jaar 2007 zijn tussen de 37 en 40 exploitanten in de heffing van de onderhavige vermakelijkheidsretributie te water betrokken.’
Voor wat betreft de procedure VMR2 heeft het Gerechtshof Amsterdam het volgende vastgesteld:2.
‘2.3.
De heffingsambtenaar heeft in het hoger beroepschrift (ingediend op 7 juli 2010) onbetwist gesteld dat in de jaren 2007, 2008 en 2009 respectievelijk 40, 40 en 52 belastingplichtigen in de heffing zijn betrokken en dat in een aantal gevallen nog onderzoek liep met betrekking tot de belastingplicht.’
1.4
Ten behoeve van een overzichtelijk debat na verwijzing en om haar standpunt ten aanzien van alle relevante subjecten duidelijk te maken, heeft de heffingsambtenaar zowel de door haar als de door belanghebbende aangedragen informatie verwerkt in een spreadsheet. De heffingsambtenaar heeft de gevallen die niet door belanghebbende zijn ingebracht, maar die wel in de heffing zijn betrokken, in een aparte categorie ondergebracht (en genoemd ‘categorie O’) en deze zodoende betrokken in de groep in acht te nemen gevallen. De subjecten in deze ‘categorie O’ komen dus in feite bovenop de door belanghebbende genoemde subjecten in de door haar gehanteerde categorieën A, B, C, D, D+ en E.
1.5
Over de toevoeging van de subjecten in ‘categorie O’ merkte de heffingsambtenaar op:3.
‘Aan de lijst met exploitanten zoals die door belanghebbende is overgelegd, heb ik de gevallen toegevoegd die in de heffing van de vermakelijkhedenretributie zijn betrokken, maar die niet op belanghebbendes lijst zijn vermeld. Het gaat om 7 stuks4. in categorie O.’
1.6
Het kan uiteraard niet zo zijn dat de omvang van de groep met in acht te nemen gevallen eenzijdig wordt afgebakend door de belastingplichtige die een beroep doet op de meerderheidsregel, doordat alleen de door die belastingplichtige genoemde gevallen in aanmerking worden genomen. Het Hof heeft zulks echter ten onrechte wel gedaan. Daardoor heeft het ten onrechte te weinig gevallen in aanmerking genomen waarin de wet juist is toegepast. De meerderheidsregel is daardoor zeker niet geschonden.
1.7
Ik merk voor de volledigheid nog op dat de heffingsambtenaar na verwijzing ook niet het geschil ten onrechte heeft uitgebreid met nieuwe gevallen. Dat dit niet het geval is, volgt overigens reeds uit de vaststelling van uw Raad van 13 juli 2012 en van het Gerechtshof Amsterdam van 1 maart 2012 (zie hetgeen ik onderdeel 1.3 heb vermeld), aangezien de subjecten in ‘categorie O’ reeds onderdeel zijn van de exploitanten die in de heffing van vermakelijkheidsretributie zijn betrokken. Daarnaast merk ik nog op dat de heffingsambtenaar deze subjecten in ‘categorie O’ nimmer heeft ‘prijsgegeven’.
2. Het Hof maakt een fout bij subject D111
2.1
Het Hof heeft in de tabel waarin het zijn oordeel omtrent de individuele gevallen weergeeft, een fout gemaakt bij subject D111. Het Hof heeft de code ‘BNB’ toegekend, en daarmee dus geoordeeld dat het subject niet in de heffing is betrokken.
2.2
Dit oordeel is niet juist. De heffingsambtenaar heeft in haar lijsten/spreadsheets telkens aangegeven dat dit subject D111 met ingang van het eerste kwartaal van 2006 in de heffing is betrokken. Overigens heeft belanghebbende dat ook niet bestreden.
2.3
Het oordeel van het Hof over D111 is daarom onjuist. Het geval moet worden gerekend tot de gevallen waarin de wet juist is toegepast. In de systematiek van het Hof is dan code ‘BB’ van toepassing. De meerderheidsregel is daardoor zeker niet geschonden.
Conclusie
Op grond van het vorenstaande ben ik van mening dat de meerderheidsregel niet is geschonden en dat de uitspraak van het Hof in stand moet blijven.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 02‑10‑2015
Zie de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam vóór verwijzing van 1 maart 2012, r.o. 2.3.
Zie de conclusie na verwijzing van de heffingsambtenaar, onderdeel 3.3.
Voor wat betreft de procedure VMR2 merkt de heffingsambtenaar hetzelfde op, behalve dat het dan om 10 stuks gaat. Dit komt omdat de procedure VMR2 op latere kwartalen betrekking heeft dan de procedure VMR1, en het aantal in de heffing betrokken belastingplichtigen toen gestegen was.
Beroepschrift 02‑10‑2015
GRONDEN EN MOTIVERING VAN HET CASSATIEBEROEP
Edelhoogachtbaar College,
Namens B.V. [X] (hierna: de Rederij) heeft haar gemachtigde op 1 september 2014 cassatieberoep ingesteld tegen de schriftelijke uitspraak van 22 juli 2014 van de meervoudige belastingkamer van het Gerechtshof te Den Haag, betreffende de kenmerken: BK-12/00547,
BK-13/00244,
BK-13/01673 t/m 13/01681, en
BK-14/00027 t/m 14/00034.
Dit cassatieberoep wordt hierbij nader gemotiveerd.
1. Inleiding en cassatiemiddel
Uw Raad heeft in de arresten van 13 juli 20121. en 15 februari 20132. de uitspraken van het Gerechtshof te Amsterdam vernietigd en de gedingen verwezen naar het Gerechtshof Den Haag ‘ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest’.
Het geschil betreft de voldoening op aangiften vermakelijkheidsretributie te water met betrekking tot het eerste kwartaal 2005 tot en met het derde kwartaal 2009.
Het Gerechtshof Den Haag heeft de beroepen van de Rederij bij genoemde schriftelijke uitspraak van 22 juli 2014 ongegrond verklaard.
Het is tegen voornoemde uitspraak van Gerechtshof Den Haag (hierna ‘het Hof’) dat het cassatieberoep zich richt met als cassatiemiddel dat het Hof in zijn uitspraak het recht heeft geschonden en/of vormen heeft verzuimd waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich brengt, door te overwegen en op grond daarvan recht te doen als in zijn uitspraak is weergegeven, zulks om de navolgende, mede in hun onderling verband te lezen redenen.
Met betrekking tot de hierna toe te lichten motiveringsklachten refereert de Rederij aan het oordeel van uw Raad dat tot de grondbeginselen van een goede procesorde behoort
‘dat een rechterlijke beslissing ten minste zodanig wordt gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtengang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden — in geval van openstaan van hogere voorzieningen: de hogere rechter daaronder begrepen — controleerbaar en aanvaardbaar te maken.’3.
2. Toelichting op het cassatiemiddel
2.1. Vormverzuim: niet-behandeling verzoek om immateriële schadevergoeding
De Rederij heeft ter zitting4., en daarmee voor het sluiten van het onderzoek door het Hof, verzocht een immateriële schadevergoeding toe te kennen wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze overschrijding heeft — bij de Rederij — spanning en frustratie doen ontstaan.
Het Hof heeft in zijn uitspraak verzuimd om op dit verzoek in te gaan.
Voorzover te dezen van belang beroept de Rederij zich erop dat:
- (1)
een verzoek om immateriële schadevergoeding dient te worden gedaan voordat het Hof het onderzoek ter zitting sluit, en
- (2)
dat de procedure na verwijzing, indien het cassatiegeding is uitgemond in vernietiging en verwijzing, de voortzetting vormt van ‘de onvoltooide instantie die voorafging aan het cassatiegeding’5.. Ook het Hof heeft dit zo verstaan nu het Hof in zijn beslissing, na verwijzing, de uitspraak van de rechtbank (Amsterdam) heeft bevestigd respectievelijk vernietigd, en aldus de behandeling eveneens ziet als de voortzetting van de onvoltooide procedure bij het Gerechtshof te Amsterdam.
Mitsdien is het onderhavige verzoek om immateriële schadevergoeding tijdig gedaan.
Met betrekking tot de kwartalen 1 april 2007 t/m 30 september 2009 is een verzoek eerder door de Rederij gedaan doch, louter om proceseconomische redenen op dat moment, ter zitting bij Hof Amsterdam ingetrokken. Uit het proces-verbaal6. van het verhandelde ter zitting blijkt dat de Rederij wilde voorkomen dat het verzoek, in verband met het betrekken van de minister van Veiligheid en Justitie in de procedure, tot vertraging zou leiden. Deze omstandigheid verhindert niet om het verzoek na verwijzing te doen: het verzoek maakt immers geen deel uit van het geschil (het is geen tegen de belastingheffing gerichte grief) en de schadevergoeding is niets anders dan een compensatie voor de spanning en frustratie zijdens de Rederij die, gelet op de inmiddels lange duur van de procedures, ook na cassatie, wordt verondersteld.
Gelet op het hiervoor gestelde is er geen enkele belemmering om het verzoek na cassatie in verwijzing te doen. Voor zover van belang stelt de Rederij dat de procedure in verwijzing en de daarmee samenhangende verlenging van de behandelingstermijn van het hoger beroep gelden als een bijzondere omstandigheid die een verzoek in deze fase van het geding rechtvaardigt.
2.2. Motiveringsklacht m.b.t. de feiten
In r.o. 6.2. overweegt het Hof ten onrechte dat de onder de nummers E1 t/m E18 genoemde subjecten niet behoren tot de potentiële retributieplichtigen.
Deze groep potentiële retributieplichtigen maakt reeds vanaf het begin van de onderhavige procedures (in ieder geval vóór cassatie) hiervan deel uit en is daarmee onderwerp van geschil. Het is geheel onduidelijk op grond waarvan het Hof tot deze vaststelling is gekomen alsook tot de opmerking dat deze lijst door de heffingsambtenaar zou zijn ingebracht hetgeen onjuist is omdat de Rederij deze lijst heeft ingebracht.
Het Hof heeft deze subjecten ten onrechte buiten het door hem na verwijzing uit te voeren onderzoek gehouden waardoor dit onderzoek niet volledig is en niet voldoet aan de door uw Raad gegeven verwijzingsopdracht.
In r.o. 4 overweegt het Hof dat na verwijzing dient te worden uitgegaan van de door Hof Amsterdam in onderdeel 2 van zijn uitspraken van 2 december 2010 en 1 maart 2012 vastgestelde feiten die in cassatie niet zijn bestreden.
De Rederij heeft niet bestreden de vaststelling dat in de jaren 2005 t/m 2009 de volgende aantallen retributieplichtigen daadwerkelijk in de heffing zijn betrokken:
- —
2005: 37
- —
2006: 40
- —
2007: 40
- —
2008: 40
- —
2009: 52
zodat van deze aantallen kan worden uitgegaan.
2.3. Schending rechtsregel(s) en motiveringsklachten
Het Hof heeft in r.o. 6.5. geoordeeld dat uit de in r.o. 6.4. genoemde bijlage, die deel uitmaakt van de uitspraak, volgt dat de heffingsambtenaar in geen enkel kwartaal in periode I en periode II in een meerderheid van de vergelijkbare gevallen waarmee hij bekend was expliciet of impliciet een standpunt heeft ingenomen op grond waarvan hij een juiste wetstoepassing achterwege heeft gelaten, zodat belanghebbendes beroep op de meerderheidsregel faalt.
In r.o. 6.6. komt het Hof tot de slotsom dat ‘gelet op het vorenoverwogene’ de hoger beroepen van belanghebbende ongegrond zijn voor de kwartalen in de periode 1 januari 2005 t/m 31 maart 2007 (door het Hof en in dit stuk aangeduid als ‘periode I’) en de hoger beroepen van de heffingsambtenaar gegrond zijn voor de kwartalen in de periode 1 april 2007 t/m 30 september 2009 (door het Hof en in dit stuk aangeduid als ‘periode II’).
Blijkens r.o. 6.4. bevat de van de uitspraak deel uitmakende bijlage een tabel waarin door middel van een code is vermeld tot welk oordeel het Hof op basis van het in r.o. 6.3. omschreven onderzoek is gekomen en op welke grond dat oordeel berust.
Ingeval het oordeel van het Hof op meer dan een grond kan worden gebaseerd, is volstaan met de vermelding van de grond die voor het Hof het zwaarste weegt. De bijlage bevat een toelichting van de in de tabel gebruikte codes.
De Rederij betwist alle interpretaties, oordelen, indelingen e/o feitelijke vaststellingen die het Hof in de hiervoor genoemde overwegingen 6.3 t/m 6.6 en in de bijlage heeft gegeven.
De Rederij voert ter toelichting op het cassatiemiddel het volgende aan.
2.3.1. De door het Hof gehanteerde codes leiden tot onduidelijkheid
In de bijlage is zowel voor periode I als voor periode II een zevental kolommen opgenomen die ieder een oordeelsgrond van het Hof bevatten. De kolommen zijn aangeduid met een code die door het Hof is toegelicht. De letters van de afzonderlijke codes zijn evenwel niet nader verklaard hetgeen, zoals hierna wordt toegelicht, tot onduidelijkheden leidt.
2.3.2. Hof heeft niet voldaan aan verwijzingsopdracht
Het Hof heeft niet voldaan aan de door uw Raad gegeven verwijzingsopdracht, inhoudende dat voor iedere potentiële retributieplichtige dient te worden vastgesteld of sprake is van belastingplicht.
Deze verwijzingsopdracht vloeit voort uit uw oordeel in cassatie dat het Hof (Amsterdam) niet heeft vastgesteld of ten aanzien van de potentiële retributieplichtigen inderdaad sprake was van belastingplicht7.. Het Hof lijkt de verwijzingsopdracht, blijkens hetgeen het Hof in r.o. 6.3. heeft overwogen, juist te hebben opgevat, namelijk door voor ieder van de potentiële retributieplichtigen te onderzoeken of sprake was van belastingplicht. Desondanks heeft het Hof, zoals hierna wordt toegelicht, niet als uitkomst van dat onderzoek voor iedere potentiële retributieplichtige vastgesteld of inderdaad sprake is van belastingplicht. Die vaststelling had het Hof wel moeten doen.
Naar het oordeel van de Rederij valt deze verwijzingsopdracht binnen de door het Hof in r.o. 5.1. gegeven omschrijving van het geschil. Voor zover te dezen van belang voert de Rederij in cassatie aan dat het Hof in r.o. 5.1. het geschil niet juist, althans te beperkt, heeft omschreven; tot de omschrijving van het geschil behoort ook de vraag of, voor iedere potentiële retributieplichtige, sprake is van belastingplicht.
Blijkens de bijlage heeft het Hof:
- a.
alleen voor de potentiële retributieplichtigen die in de kolommen ‘BB’ en ‘NB nig’ zijn aangekruist vastgesteld of sprake is van belastingplicht;
- b.
voor de potentiële retributieplichtigen die in de kolom ‘BNB’ en ‘NB na’ zijn aangekruist slechts vastgesteld dat de belastingplicht ‘aannemelijk’ respectievelijk ‘niet aannemelijk’ is, zodat niet is vastgesteld of t.a.v. deze subjecten inderdaad sprake is van belastingplicht. Bovendien zijn de codes ‘BNB’ en ‘NB na’ niet verklaard zodat niet duidelijk is wat de letters ‘NB’ in deze codes betekenen; zonder een verklaring hiervan door het Hof is het oordeel onbegrijpelijk;
- c.
voor de potentiële retributieplichtigen die in de kolommen ‘GR nig’, ‘GR na’ en ‘OI’ zijn aangekruist niets vastgesteld omtrent de belastingplicht.
Aldus heeft het Hof niet voor ieder van de potentiële retributieplichtigen vastgesteld of inderdaad sprake is van belastingplicht en aldus niet voldaan aan de verwijzingsopdracht.
Het Hof heeft, met betrekking tot de onder c. bedoelde potentiële retributieplichtigen in de kolommen ‘GR na’ en ‘GR nig’ beoordeeld of sprake is van een ‘rechtens en feitelijk vergelijkbaar geval’ zonder eerst de belastingplicht vast te stellen. Dat is, als gesteld, strijdig met de verwijzingsopdracht.
Dit volgt niet alleen uit r.o. 4.4. van het arrest van 13 juli 2012, maar ook uit r.o. 4.5. van dat arrest. Daarin wordt aangegeven dat ‘voor toepassing van de meerderheidsregel […] slechts acht moet worden geslagen op belastingplichtigen die …’.
Dit betekent dat de vraag of sprake is van een rechtens en feitelijk vergelijkbaar geval pas wordt beantwoord nadat de belastingplicht is vastgesteld. Uit de uitspraak blijkt niet dat het Hof zich hiervan rekenschap heeft gegeven; ook niet uit r.o. 6.3.
Met betrekking tot de onder c. bedoelde potentiële retributieplichtigen in kolom ‘OI’ is geheel onduidelijk tot welke vaststellingen het onderzoek van het Hof heeft geleid behoudens dan dat de heffingsambtenaar niet over alle voor naheffing benodigde gegevens beschikt (zie hierna onder 2.3.6.1.).
Het Hof heeft aangegeven dat ingeval het oordeel op meer dan een grond kan worden gebaseerd, is volstaan met de vermelding van de grond die voor het Hof het zwaarste weegt. Door aldus het oordeel te onderbouwen heeft het Hof de verwijzingsopdracht geschonden althans onjuist uitgevoerd waardoor de uitspraak bovendien niet naar de eis der wet met redenen is omkleed (zie hierna onder 2.4.).
De Rederij heeft vanaf het begin in de onderhavige procedure onomwonden gesteld dat de aanleiding voor de onderhavige procedure is gelegen in het feit dat iedere dag veel boten in de Amsterdamse wateren rondvaren waarvan (algemeen) bekend is dat die de vermakelijkheidsretributie niet voldoen. Het belang voor de Rederij bij de onderhavige procedure is derhalve ook gelegen bij het vaststellen van de belastingplicht van alle potentiële retributieplichtigen en niet alleen bij een honorering van het beroep op de meerderheidsregel.
Als met betrekking tot alle hier onder c. bedoelde gevallen de belastingplicht moet worden aangenomen, dan is voor deze door het Hof aangeduide groepen sprake van in totaal 82 (periode I: 43+32+7) respectievelijk 72 (periode II: 32+34+6) belastingplichtigen waarbij de in de tabel genoemde ‘Bijzonderheden’ gemakshalve buiten beschouwing zijn gelaten, hoewel deze op kwartaalbasis natuurlijk wel meetellen.
Al deze belastingplichtigen dienen in de heffing te worden betrokken. Tezamen met de belastingplichtigen die met de Rederij rechtens en feitelijk vergelijkbaar zijn, dienen dan in totaal ten minste 6 + 19 + 82 = 107 (periode I) respectievelijk 5 + 19 + 72 = 96 (periode II) retributieplichtigen in de heffing te worden betrokken (afgezien van de bijzonderheden).
Het staat echter vast (zie hiervoor punt 2.2.) dat slechts 37 (2005), 40 (2006 t/m 2008) respectievelijk 52 (2009) retributieplichtigen in de heffing zijn betrokken.
Voorts staat vast dat van deze in de heffing betrokken retributieplichtigen 7 (periode I) respectievelijk 10 (periode II) niet tot de door het Hof in aanmerking genomen potentiële retributieplichtigen behoren8..
Daargelaten de vraag welke gevallen rechtens en feitelijk vergelijkbaar zijn met de Rederij moet de conclusie zijn dat in 2005 t/m 2009 een meerderheid van de retributieplichtigen niet in de heffing is betrokken. Reeds hierom dient het beroep van de Rederij gegrond te worden verklaard.
2.3.3. Hof heeft niet voldaan aan verwijzingsopdracht en is buiten de rechtsstrijd getreden
Uit uw arrest van 13 juli 2012 vloeit voort, zoals hiervoor toegelicht, dat het verwijzingshof dient vast te stellen of inderdaad sprake is van belastingplicht.
In de procedures in verwijzing die betrekking hebben op kwartalen in periode I — waarop voornoemd arrest betrekking heeft — heeft de Rederij nadrukkelijk het standpunt ingenomen dat de omvang van de vergelijkingsgroep door Hof Amsterdam is vastgesteld en dat deze vaststelling in cassatie niet is bestreden. Dit betekent dat het verwijzingshof hiervan in verwijzing had moeten uitgaan en dat het Hof, voor de hier bedoelde gevallen, ten onrechte heeft beoordeeld of sprake is van ‘rechtens en feitelijk vergelijkbare gevallen’; dat daarvan sprake is bij alle subjecten in de rubrieken A, D (incl. D+) en E stond al vast. Aldus is het Hof buiten de rechtsstrijd getreden hetgeen tot vernietiging van de uitspraak dient te leiden.
De Rederij heeft in de door haar ingediende processtukken in verwijzing nadrukkelijk op dit punt gewezen9.. Steun voor dit standpunt (dat de vergelijkingsgroep reeds door Hof Amsterdam is vastgesteld) vindt de Rederij in uw arrest van 13 juli 2012 waarin uw Raad niet heeft geoordeeld dat het Hof (Amsterdam) verzuimd heeft om vast te stellen welke gevallen rechtens en feitelijk vergelijkbaar zijn, maar waarin uw Raad in r.o. 4.5. heeft geoordeeld dat ‘slechts acht moet worden geslagen op belastingplichtigen die …’
Dit wordt ook verklaard door r.o. 7 van het arrest waarin uw Raad oordeelt dat gelet op hetgeen in r.o. 4.4. is overwogen de uitspraak niet in stand kan blijven en verwijzing moet volgen. De verwijzingsprocedure betreft dus wél de vaststelling van de belastingplicht en niet de beoordeling van de vraag of sprake is van rechtens en feitelijk vergelijkbare gevallen. De verwijzingsopdracht in uw arrest van 15 februari 2013 is blijkens r.o. 3 van dat arrest ruimer.
Het is om deze reden dat de Rederij in de bijlage bij de brief van 4 april 2014 in voorkomende gevallen een verschillende reactie heeft gegeven voor periode I respectievelijk periode II. Kennelijk heeft het Hof geen acht geslagen op alle door de Rederij ingediende stukken (zie voorts 2.6. hierna).
Doordat het Hof in zijn uitspraak in het geheel niet is ingegaan op het hier bedoelde punt is de uitspraak zonder toelichting, welke ontbreekt, onbegrijpelijk.
Het vorenstaande, in combinatie met het uitgangspunt van het Hof, dat van de potentiële belastingplichtigen 50 + 20 subjecten (periode I) niet belastingplichtig zijn (kolommen NB na en NB nig) kan gezien het aantal in de heffing betrokken subjecten slechts leiden tot de conclusie dat de meerderheid van de vergelijkbare belastingplichtigen niet in de heffing is betrokken indien ervan moet worden uitgegaan dat de subjecten in de kolommen GR na en GR nig belastingplichtig zijn; zie hiervoor ook punt 2.3.5. hierna).
Gelet op het vorenstaande betwist de Rederij met betrekking tot periode I de feitelijke vaststellingen van het Hof in kolom GR na en GR nig.
2.3.4. Schending rechtsregel en motiveringsklacht
In kolom ‘NB na’ heeft het Hof 50 (periode I) respectievelijk 52 (periode II) potentiële retributieplichtigen aangekruist. Als toelichting van de code ‘NB na’ heeft het Hof gegeven: belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de potentiële belastingplichtige belastingplichtig was.
Aldus heeft het Hof de bewijslast voor de belastingplicht ten onrechte bij de Rederij gelegd.
In het debat tussen partijen is uitvoerig aan de orde geweest de niet-bestreden stelling van de Rederij dat indien ten aanzien van de potentiële retributieplichtigen geen sprake zou zijn van belastingplicht dat dan ten minste sprake is van een vermoeden van belastingplicht en dat de heffingsambtenaar in die gevallen, met gebruikmaking van de bij wet aan hem toegekende bevoegdheden10., gegevens en inlichtingen dient in te winnen ten einde de gewenste duidelijkheid omtrent de belastingplicht te verkrijgen11..
Naar het oordeel van de Rederij is immers de heffingsambtenaar, gelet op zijn wettelijke bevoegdheden, de meest gerede partij om in geval van vermoeden van belastingplicht deze gegevens en inlichtingen op te vragen; de Rederij ontbeert immers dergelijke bevoegdheden.
Met name de bevoegdheden die de heffingsambtenaar ontleent aan het bepaalde in de artikelen 6 en 47 e.v. AWR stellen hem in staat om de benodigde gegevens en inlichtingen te verzamelen op grond waarvan de belastingplicht kan worden vastgesteld.
De Rederij heeft hierbij expliciet aan de orde gesteld dat indien de heffingsambtenaar ten aanzien van een potentiële retributieplichtige niet overgaat tot, met toepassing van de bij wet aan hem gegeven bevoegdheden, het uitreiken van een aangiftebiljet dan wel het opvragen van de benodigde gegevens en inlichtingen, sprake is van een expliciet dan wel impliciet standpunt ten gevolge waarvan de wet niet juist wordt toegepast.
Het is niet aan de Rederij, maar aan de heffingsambtenaar om, in een geval van vermoeden van belastingplicht, waarvan ten aanzien van de potentiële retributieplichtigen waarvan de belastingplicht niet is vastgesteld sprake is, de belastingplicht te bewijzen.
Het Hof heeft niets omtrent de verdeling van de bewijslast vermeld terwijl ook dit onderwerp deel uitmaakte van het debat tussen partijen12.. Door, zonder enige toelichting, te oordelen dat de Rederij de belastingplicht niet aannemelijk heeft gemaakt zonder in te gaan op de gevallen waarin sprake is van een vermoeden van belastingplicht en de verplichting die de heffingsambtenaar in die gevallen heeft, is het Hof uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting dan wel heeft het Hof onvoldoende inzicht geboden in zijn gedachtegang waardoor de uitspraak onbegrijpelijk en niet aanvaardbaar is.
Deze conclusie geldt ook nu het Hof met zijn oordeel impliciet heeft aanvaard dat in een geval van vermoeden van belastingplicht de heffingsambtenaar niet tot de door de Rederij bedoelde handhaving van de belastingwet behoeft over te gaan. Hiermee miskent het Hof de uit de wet voortvloeiende verplichtingen die op de heffingsambtenaar rusten in gevallen waarin sprake is van een vermoeden van belastingplicht. Deze verplichtingen worden ook begrepen onder de in r.o. 4.3. van het arrest van 13 juli 2012 gegeven overweging dat op het bestuursorgaan de taak rust om, indien het verschuldigde bedrag niet volledig op aangifte is voldaan, over te gaan tot naheffing.
Overigens merkt de Rederij nog op dat het Hof de niet-bestreden stelling van de Rederij, dat ten minste sprake is van een vermoeden van belastingplicht, ten onrechte niet in de uitspraak heeft vermeld.
Gelet op het vorenstaande betwist de Rederij alle feitelijke vaststellingen van het Hof in kolom ‘NB na’.
2.3.5. Schending rechtsregel en motiveringsklacht m.b.t. vaststellen belastingplicht
In kolom ‘NB na’ heeft het Hof 50 (periode I) respectievelijk 52 (periode II) potentiële retributieplichtigen aangekruist. Als toelichting op de code ‘NB na’ heeft het Hof gegeven: belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de potentiële belastingplichtige belastingplichtig was.
Indien ervan moet worden uitgegaan dat ten aanzien van de potentiële belastingplichtigen die zijn aangekruist in de kolommen met code ‘GR nig’ en ‘GR na’ in 's Hofs oordeel besloten ligt dat in die gevallen wel sprake is van belastingplicht, komt de vraag aan de orde waarom althans op welke gronden het Hof heeft geoordeeld dat de belastingplicht niet aannemelijk is gemaakt (code NB na) dan wel de belastingplicht is vastgesteld (zonder dat dat expliciet is vermeld, codes GR nig en GR na).
De uitspraak van het Hof verschaft hierin geen duidelijkheid of inzicht zodat de uitspraak niet begrijpelijk is.
Bij het vorenstaande is van belang dat de aard en omvang van de door de Rederij overgelegde bewijsmaterialen (foto's, afschriften van websites, krantenartikelen, advertenties etc.) ten aanzien van alle subjecten vergelijkbaar is.
Daargelaten dat het Hof ten onrechte de bewijslast bij de Rederij heeft gelegd (zie hiervoor) en dat het aan het Hof is voorbehouden om aangedragen bewijsmiddelen te waarderen, biedt de uitspraak onvoldoende inzicht in de gedachtegang van het Hof zodat deze op dit onderdeel onbegrijpelijk en niet aanvaardbaar is.
Ter adstructie van het hier gestelde wijst de Rederij op onderstaande inconsequenties die, zonder uitputtend te zijn, als voorbeeld gelden voor het totaal aan vergelijkbare inconsequenties die op dit punt in 's Hofs oordeel zijn begrepen:
‘Zonder nadere motivering, welke ontbreekt, is onduidelijk waarom het Hof bij subject D+10 ([D] kolom BNB) belastingplicht wel aannemelijk acht terwijl het bij subject D2 ([E], kolom NB na), belastingplicht niet aannemelijk acht. Dit terwijl beide subjecten op eigen naam en voor eigen rekening en risico rondvaarten met schipper aanbieden door de Amsterdamse grachten, met gebruikmaking van vaartuigen van derden en in beide gevallen vergelijkbare gegevens/stukken zijn ingebracht/overgelegd.
Een ander voorbeeld waaruit blijkt dat geen sprake is van een eenduidige lijn betreft de subjecten D100 ([F], BNB) en D62 ([G], NB na). Beide subjecten verrichten dezelfde activiteiten, namelijk het verhuren van een boot met schipper voor het maken van een rondvaart en in beide gevallen zijn vergelijkbare gegevens/stukken ingebracht/overgelegd.’
In het debat tussen partijen is expliciet aan de orde geweest de belastingplicht van subjecten die kwalificeren als ‘bemiddelingsbureau’. Zonder enige toelichting heeft het Hof in veel gevallen, maar niet in alle, deze subjecten in de kolom ‘NB na’ aangekruist; hierdoor is geheel onduidelijk welke gedachtegang aan dit oordeel van het Hof ten grondslag ligt. Evenmin is duidelijk waarom in sommige gevallen, maar niet in alle, ‘dubbele’ gevallen als niet belastingplichtig zijn aangemerkt, met name in die gevallen waarin sprake is van meer dan één subject dat één-en-hetzelfde vaartuig gebruikt voor het geven van vermakelijkheden.
Subjecten die op hun boten opleidingen aanbieden zijn door het Hof ingedeeld in de kolom ‘NB na’ ([H] (D74) en [i] (D+16)) dan wel ‘GR na’ (o.a.
[j] (D27) en [K] (D46)), zonder dat uit de motivering, die ontbreekt, blijkt waarom dit zo is.
Gelet op het vorenstaande betwist de Rederij alle feitelijke vaststellingen van het Hof in kolom ‘NB na’ c.q. betwist de Rederij dat geen sprake is van belastingplicht.
2.3.6. Motiveringsklacht wegens ontbreken duidelijke criteria
Het Hof heeft in zijn uitspraak niet aangegeven welke de criteria zijn die het heeft gehanteerd bij de beantwoording van ieder van de vragen die tezamen het in r.o. 6.3. gemelde onderzoek vormen. Aldus is de uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed dan wel ontbreekt het inzicht in 's Hofs gedachtegang.
2.3.6.1
Zo is niet duidelijk welke gegevens het Hof rekent tot ‘alle benodigde gegevens’ bij de onder het derde gedachtestreepje geformuleerde vraag. In het debat, waarnaar wordt verwezen, hebben partijen nadrukkelijk hierover hun — tegengestelde — standpunten geuit.
Zonder deze duidelijkheid bestaat geen althans onvoldoende inzicht in de gedachtegang van het Hof.
Als gevolg van het ontbreken van het inzicht in bedoelde criteria is onbegrijpelijk, althans kan niet worden gecontroleerd, waarom dan wel op grond van welke feiten of omstandigheden, het Hof in de kolom met code ‘01’ met betrekking tot 7 (periode 1) respectievelijk 6 (periode II) potentiële retributieplichtigen een kruis heeft gezet.
Ter adstructie van het hier gestelde wijst de Rederij op onderstaande inconsequenties die, zonder uitputtend te zijn, als voorbeeld gelden voor het totaal aan vergelijkbare inconsequenties die op dit punt in 's Hofs oordeel zijn begrepen:
Zonder nadere motivering, welke ontbreekt, is onduidelijk waarom het Hof (voor de periode t/m 2e kwartaal 2007) bij subject D82 ([L], OI) niet aannemelijk acht dat de heffingsambtenaar beschikte over alle benodigde gegevens of dat de Rederij aan de heffingsambtenaar alle benodigde gegevens heeft verstrekt, terwijl het Hof dit bij subject D31 ([M], BNB) wel aannemelijk acht. Dit terwijl in beide gevallen soortgelijke gegevens zijn ingebracht/overgelegd (in beide gevallen onder meer uittreksel KvK en prints website).
Gelet op het vorenstaande betwist de Rederij alle feitelijke vaststellingen die het Hof in zijn uitspraak in kolom OI heeft opgenomen c.q. betwist de Rederij dat de heffingsambtenaar niet de voor naheffing benodigde gegevens ter beschikking had.
2.3.6.2
Evenmin is duidelijk op grond van welke criteria het Hof heeft beoordeeld wanneer sprake is van ‘een feitelijk en rechtens met belanghebbende vergelijkbaar subject’ zoals genoemd onder het vierde gedachtestreepje in r.o. 6.3. Ook hier geldt dat het debat tussen partijen van een zodanige inhoud en omvang is, dat inzicht in de bevindingen en oordelen van het Hof relevant zijn voor een inzichtelijke, controleerbare en aanvaardbare uitspraak.
Zo hebben partijen in het debat hun standpunten over onder meer het begrip ‘rondvaart’ uiteengezet waarbij de heffingsambtenaar een primair en subsidiair standpunt heeft ingenomen. Voor een goed begrip van het oordeel van het Hof is het essentieel om te weten op welke wijze het Hof het begrip ‘rondvaart’ heeft ingevuld. Op welke wijze althans op welke gronden heeft het Hof geoordeeld t.a.v. subjecten die buiten Amsterdam hun op- en/of afstapplaats hebben? En op welke wijze althans op welke . gronden t.a.v. subjecten die, net als de Rederij, ook rondvaarten aanbieden waarbij kan worden geborreld of gedineerd? En op welke wijze dient het criterium ‘in hoofdzaak’ te worden toegepast? Zonder onderbouwing, welke ontbreekt, heeft de Rederij geen inzicht in dit zo essentiële onderdeel van de procedure en is het oordeel op dit onderdeel niet controleerbaar.
Ter adstructie van het hier gestelde wijst de Rederij op onderstaande inconsequenties die, zonder uitputtend te zijn, als voorbeeld gelden voor het totaal aan vergelijkbare inconsequenties die op dit punt in 's Hofs oordeel zijn begrepen:
Zonder nadere motivering, welke ontbreekt, is onduidelijk waarom het Hof bij subject D106 ([AA]. BNB) wel aannemelijk acht dat sprake is van een rondvaart, terwijl het bij subject D4 ([BB], GR na) niet aannemelijk acht dat sprake is van een rondvaart. Dit terwijl beide subjecten dezelfde-activiteiten uitvoeren en in beide gevallen vergelijkbare gegevens/stukken zijn ingebracht/overgelegd.
Een ander voorbeeld, waarvoor hetzelfde geldt is de subjecten D+31 ([CC], BNB) en D78 ([DD], GRna).
Onder 2.3.5., heeft de Rederij al gewezen op subjecten die op hun boten opleidingen aanbieden en die door het Hof zijn ingedeeld in de kolom ‘NB na’ ([H] (D74) en [i] (D+16)) dan wel ‘GR na’ (o.a. [j] (027)en [K] (D46)), zonder dat uit de motivering, die ontbreekt, blijkt waarom dit zo is.
Gelet op het vorenstaande betwist de Rederij alle feitelijke vaststellingen die het Hof in zijn uitspraak in de kolommen ‘GR na’ heeft opgenomen c.q. betwist de Rederij dat geen sprake is van rechtens en feitelijk vergelijkbare gevallen.
2.4. Motiveringsklacht m.b.t. (niet) vermelde gronden van het oordeel
In r.o. 6.5. heeft het Hof geoordeeld dat ingeval het oordeel van het Hof op meer dan een grond kan worden gebaseerd, is volstaan met de vermelding van de grond die voor het Hof het zwaarste weegt.
Als gevolg hiervan ontbreekt het inzicht in de gedachtegang van het Hof en is de beslissing van het Hof niet controleerbaar en niet aanvaardbaar.
Dit klemt temeer omdat het Hof, zoals in r.o. 6.3. vermeld, het onderzoek ‘voor iedere potentiële belastingplichtige per kwartaal’ heeft uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd aan de hand van vijf door het Hof geformuleerde vragen.
De bevindingen van het Hof per vraag zijn niet vermeld voor ieder van de potentiële belastingplichtige; derhalve is niet inzichtelijk of de door het Hof gegeven grond de enige grond is voor het oordeel van het Hof dan wel of het Hof zijn oordeel op meerdere gronden baseert, maar uitsluitend heeft vermeld de grond die voor het Hof het zwaarste weegt.
Het Hof heeft in zijn uitspraak niets vermeld omtrent de weging van de gronden ten opzichte van elkaar zodat niet duidelijk is welke gronden voor het Hof, ten opzichte van elkaar, zwaarder wegen en op basis waarvan dat zo is.
Evenmin is duidelijk of de weging van gronden, zo ten aanzien van een potentiële belastingplichtige sprake is van meer dan een grond waarop het oordeel is gebaseerd, dezelfde is dan wel een andere is dan bij andere potentiële belastingplichtigen waarbij het oordeel ook is gebaseerd op meer dan een grond. Of de weging ten aanzien van verschillende potentiële belastingplichtigen, zowel per onderzochte vraag als in totaliteit, op dezelfde wijze dan wel op andere wijze is gemaakt, is evenmin inzichtelijk.
Voor zover aan het oordeel van het Hof de gedachte ten grondslag ligt dat aan het Hof is voorbehouden de waardering van de door partijen aangedragen bewijsmiddelen, laat dit onverlet dat het Hof de bevindingen van zijn onderzoek duidelijk en in volle omvang had moeten vermelden ten einde de uitspraak controleerbaar en aanvaardbaar te doen zijn.
Als gevolg van de keuze om alleen de grond te vermelden die voor het Hof het zwaarst weegt, heeft het Hof bovendien niet voldaan aan de verwijzingsopdracht, zoals hiervoor onder 2.3.2. is toegelicht.
2.5. Motiveringsklacht m.b.t. subsidiair standpunt
De Rederij heeft na verwijzing gewezen op het vóór cassatie subsidiair ingebrachte standpunt dat met betrekking tot de Rederij geen sprake is van een vermakelijkheid maar van vervoer en dat mitsdien geen vermakelijkheidsretributie is verschuldigd.
De Rederij verwijst hierbij onder meer naar de procedures voor Hof Amsterdam13. en Hof Den Haag14.. Omdat de verwijzingsprocedure voor Hof Den Haag de voortzetting is van ‘de onvoltooide instantie die voorafging aan het cassatiegeding’15., maakt dit subsidiaire standpunt deel uit van het geschil bij het Hof (Den Haag).
Het Hof heeft aldus verzuimd om dit standpunt te benoemen in de omschrijving van het geschil (r.o. 5.1.) alsook verzuimd om dit standpunt te behandelen en zijn oordeel hierover in de uitspraak te vermelden.
Ter toelichting geldt, in aanvulling op hetgeen reeds voor het Hof is betoogd, dat met betrekking tot de vaartochten van de Rederij onmiskenbaar sprake is van vervoer gelet op de reeds gestelde feiten en omstandigheden.
Dat, indien vermaak zou moeten worden verondersteld, dat vermaak buiten beschouwing dient te blijven volgt mede uit de beslissing van uw Raad van 13 juli 2012, waarin uw Raad tot het oordeel komt dat zee- en riviercruiseschepen geen vermaak zijn maar vervoer. Uw Raad is tot dit oordeel gekomen ondanks de vele aspecten van vermaak die op een cruiseschip onbestreden aanwezig zijn. In gelijke zin dient het vermaak op vaartuigen van de Rederij, zo dat al aanwezig is hetgeen de Rederij betwist, buiten beschouwing te blijven.
2.6. Motiveringsklacht
Blijkens hetgeen het Hof in r.o. 6.1 heeft overwogen is het Hof voor zijn oordeelsvorming uitgegaan van de op 24 maart 2014 door de heffingsambtenaar en de op 4 april 2014 door de Rederij overgelegde lijsten waarin, zo overweegt het Hof, zijn opgenomen:
‘de — samengevatte — standpunten die ieder van de partijen in de van haar afkomstige stukken met betrekking tot elke potentiële belastingplichtige heeft ingenomen.’
Ter zitting heeft het Hof gesteld, naar aanleiding van een door de Rederij daartoe gemaakte opmerking, dat naast voornoemde lijsten alle door de Rederij — en door de heffingsambtenaar — aangevoerde standpunten en overgelegde gegevens bij de oordeelsvorming worden betrokken. Dat het Hof dit heeft gedaan blijkt, door het gebruik van de term ‘samengevatte’, niet uit de gewraakte overweging. De kwalificatie ‘samengevatte’ is bovendien ten onrechte nu de betreffende lijst, blijkens de toelichting in de brief van 4 april 2014, slechts een reactie betreft op de brief van de heffingsambtenaar van 28 maart 2014.
Aldus concludeert de Rederij dat het Hof niet alle standpunten in volledigheid in zijn oordeelsvorming heeft betrokken althans wordt geen recht gedaan aan de toezegging dat alle standpunten en gegevens ook bij de oordeelsvorming worden betrokken.
Het moge op voorhand duidelijk zijn dat de Rederij niet zou instemmen met een samenvatting van de standpunten.
3. Conclusie
De Rederij concludeert dat de uitspraak van het Hof, al het vorenoverwogene afzonderlijk dan wel in onderlinge samenhang in aanmerking genomen, niet in stand kan blijven en verzoekt uw Raad de uitspraak van het Hof te vernietigen, met inbegrip van het oordeel van het Hof over de proceskosten, en de gedingen ter verdere behandeling te verwijzen.
Gelet op het vorenoverwogene heeft de Rederij de stellige overtuiging dat verwijzing zal (moeten) leiden tot een ander eindoordeel, zowel in periode I als in periode II, namelijk gegrondverklaring van de beroepen van de Rederij en teruggaaf van de op aangiften voldane vermakelijkheidsretributie, met vergoeding van wettelijke rente, wegens schending van het gelijkheidsbeginsel dan wel omdat sprake is van ‘vervoer’ en niet van vermaak.
4. Griffierechten en proceskostenveroordeling
De Rederij verzoekt uw Raad de heffingsambtenaar te veroordelen tot vergoeding van griffierechten en van proceskosten onder meer wegens beroepsmatig verleende bijstand.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 02‑10‑2015
HR 13 juli 2012, nr. 11/00162, BNB 2013/2 m.nt. R.H. Happé
HR 15 februari 2013, nr. 12/01794; in gelijke zin: HR 15 februari 2013, nr. 12/01792, BNB 2013/79
HR 4 juni 1993, nr. 15096, NJ 1993, 659 m.nt. D.W.F. Verkade
Zie pleitnota van de Rederij d.d. 15 april 2014, blz. 6
HR 17 december 2010, nr. 09/01893, NJ 2012/57 en HR 26 september 2014, nr. 14/01474
Hof Amsterdam 1 maart 2012, proces-verbaal van de zitting d.d. 13 oktober 2011, blz. 6
Zie HR 13 juli 2012, nummer 11/00162, r.o. 4.4.
Zie conclusie Heffingsambtenaar 31 oktober 2012, blz. 8 (periode I) en conclusie Heffingsambtenaar d.d. 6 mei 2013, blz. 11 (periode II) juncto r.o. 6.2. van de uitspraak van het Hof (categorie O)
Zie o.m. de conclusies inzake periode I namens de Rederij d.d. 10 september 2012 en 28 februari 2013 (o.m. par. 2.3) en bijlage 1 bij het nader stuk namens de Rederij d.d. van 28 maart 2014, pag. 10.
Zie o.m. de brieven namens de Rederij van 28 februari 2013 en 28 maart 2014, alsmede de pleitnotities bij de mondelinge behandeling van 15 april 2014
Zie noot 10 en noot 11
Zie o.m. pleitnota 10 juni 2010 (periode I) en brief van 30 september 2010 (periode II)
Zie o.m. brief van 11 september 2013
Zie noot 5
Uitspraak 02‑10‑2015
Inhoudsindicatie
Vermakelijkheidsretributie; artikel 8:73 Awb, immateriële schadevergoeding. Geen overschrijding van de redelijke (beslis)termijn vanwege de ingewikkeldheid van de zaak.
Partij(en)
2 oktober 2015
nr. 14/04077
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 22 juli 2014, nrs. BK-12/00547, 13/00244, 13/01673 tot en met 13/01681 en 14/00027 tot en met 14/00034, betreffende de door belanghebbende voor de kwartalen in de periode van 1 januari 2005 tot en met 30 september 2009 voldane bedragen aan vermakelijkheidsretributie aan de gemeente Amsterdam. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Het eerste geding in cassatie
De uitspraken van het Gerechtshof te Amsterdam zijn bij arresten van de Hoge Raad van 13 juli 2012, nr. 11/00162, ECLI:NL:HR:2012:BV0264, BNB 2013/2 en 15 februari 2013, nr. 12/01794, ECLI:NL:HR:2013:BZ1352, vernietigd met verwijzing naar het Gerechtshof Den Haag (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaken met inachtneming van die arresten. Het Hof heeft de uitspraken van de Rechtbank te Amsterdam betreffende:
- de voldoening op aangifte voor de kwartalen in de periode 1 januari 2005 tot en met 31 maart 2007 (hierna: de eerste tranche) bevestigd; en
- de voldoening op aangifte voor de kwartalen in de periode 1 april 2007 tot en met 30 september 2009 (hierna: de tweede tranche) vernietigd.
2. Het tweede geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: het College) heeft een verweerschrift ingediend. Het College heeft tevens (voorwaardelijk) incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. Zij heeft tevens haar zienswijze omtrent het incidentele beroep naar voren gebracht.
Het College heeft in het incidentele beroep een conclusie van repliek ingediend.
Belanghebbende heeft in het incidentele beroep een conclusie van dupliek ingediend.
3. Beoordeling van het principale beroep in cassatie
3.1.
Het middel klaagt terecht over het uitblijven van een beslissing op belanghebbendes verzoek om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
3.2.
Tot cassatie kan dit evenwel niet leiden. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat de onderhavige procedure gelet op de ingewikkeldheid van de zaak binnen een redelijke termijn is behandeld.
3.3.
Het middel kan voor het overige evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel voor het overige niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het incidentele beroep
Aangezien het principale beroep niet tot vernietiging van ’s Hofs uitspraak leidt, is de voorwaarde waaronder het incidentele beroep is ingesteld, niet vervuld. Gelet op artikel 8:112, lid 2, Awb vervalt het incidentele beroep derhalve.
5. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2015.