Op zoek naar de heilige graal
Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/5.14.2:5.14.2 Slotconclusie
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/5.14.2
5.14.2 Slotconclusie
Documentgegevens:
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633588:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Rsl-gemeenschappen genieten op grond van de individuele en collectieve vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en op grond van de vrijheid van vereniging institutionele autonomie en hebben recht op rechtspersoonlijkheid, waarbij ze kunnen kiezen voor de rechtsvorm die het beste past bij hun grondslag of doelstelling.
Voor geloofsgemeenschappen staan naast de rechtsvorm kerkgenootschap (een zelfstandige categorie van rechtspersonen) de rechtsfiguren stichting en vereniging open. Geloofsgemeenschappen die om hen moverende redenen niet voor de rechtsvorm kerkgenootschap willen of kunnen kiezen, zijn naar de huidige wetgeving beperkt tot de vereniging en de stichting. Levensbeschouwelijke gemeenschappen kunnen niet gebruik maken van de rechtsvorm kerkgenootschap, en het is onduidelijk of die rechtsvorm openstaat voor spirituele instellingen. In de praktijk hanteren zij stichting en vereniging als rechtsvorm. Dit wringt met de grondwettelijke nevenstelling van levensbeschouwing en godsdienst.
De rechtsvorm kerkgenootschap onderscheidt zich fundamenteel van de rechtsvormen vereniging en stichting. Zo biedt de rechtsvorm kerkgenootschap geloofsgemeenschappen een grotere mate van bestuurlijke autonomie en organisatievrijheid dan de rechtsvorm vereniging of stichting.
Omdat de wetgever geen criteria voor de rechtsvorm kerkgenootschap stelt, is het uiteindelijk aan de rechter om te bepalen of sprake is van een kerkgenootschap. De in de jurisprudentie ontwikkelde criteria zijn veelal terug te voeren op de definitie van het kerkgenootschap van Duynstee uit 1935. Vanwege de maatschappelijke ontwikkelingen sindsdien heeft die definitie in de Kamerstukken, rechtspraak en literatuur een drastische herziening ondergaan.
Voor zowel de vereniging als de stichting bestaat een specifiek wettelijk regime met (dwingende) voorschriften. De wbtr heeft per 1 juli 2021 extra dwingendrechtelijke bepalingen voor de vereniging en de stichting ingevoerd op het gebied van bestuur en toezicht. Deze bepalingen gelden niet voor het kerkgenootschap, omdat het kerkgenootschap wordt geregeerd door het interne statuut.
Het kerkgenootschap biedt geloofsgemeenschappen de grootste inrichtingsvrijheid. Bij de vereniging is de inrichtingsvrijheid kleiner dan bij de stichting.
Voor kerkgenootschappen geldt slechts een beperkte inschrijfplicht bij de inschrijving in het Handelsregister. De namen van de bestuurders worden vanwege het recht op privacy niet geregistreerd. Verenigingen en stichtingen kennen daarentegen een volledige inschrijfplicht voor zowel de registratie in het Handelsregister als de UBO-registratie. Naar mijn mening zou de uitzondering op de registratieplicht van namen van bestuurders ook moeten gelden voor de vereniging en de stichting met een religieuze, spirituele of levensbeschouwelijke grondslag. Een oplossing zou zijn om de rechtsvorm kerkgenootschap – met een inclusievere benaming – ook open te stellen voor levensbeschouwelijke en spirituele gemeenschappen.
Hoewel alle drie de rechtsvormen onder de UBO-registratieplicht vallen, bevat het UBO-begrip bij een kerkgenootschap andere criteria dan bij een vereniging en een stichting. Alleen de stichting moet een intern uitkeringenregister bijhouden voor uitkeringen van 25 procent of minder.
Het wtmo schept alleen voor de stichting een extra verplichting om bepaalde overheidsinstanties toegang te geven tot haar financiële stukken.
Vanwege al deze verschillen tussen de drie rechtsvormen kan het voor een geloofsgemeenschap aantrekkelijk zijn om te kiezen voor de rechtsvorm kerkgenootschap of voor omzetting van een stichting of vereniging in een kerkgenootschap of zelfstandig onderdeel daarvan. Vooral de sterk christelijke en joodse associatie van de term kerkgenootschap weerhoudt echter veel geloofsgemeenschappen van een andere signatuur om daarvan gebruik te maken.