Hof Amsterdam, 16-11-2006, nr. 05/1247
ECLI:NL:GHAMS:2006:BA1238
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
16-11-2006
- Magistraten
Mrs. A. Rutten-Roos, G.J. Visser, A.C. Faber
- Zaaknummer
05/1247
- LJN
BA1238
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Ondernemingsrecht / Economische ordening
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHAMS:2006:BA1238, Uitspraak, Hof Amsterdam, 16‑11‑2006
Uitspraak 16‑11‑2006
Mrs. A. Rutten-Roos, G.J. Visser, A.C. Faber
Partij(en)
ARREST
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HESSAM BEHEER B.V., gevestigd te Wormer, gemeente Wormerland,
APPELLANTE,
procureur: mr. D.E. Alink,
tegen
de coöperatie COÖPERATIEVE RABOBANK ZAANSTREEK E.O. U.A.,
gevestigd te Zaandam, gemeente Zaanstad,
GEÏNTIMEERDE,
procureur: mr. A. van Hees.
1. Het geding in hoger beroep
Partijen worden hierna Hessam en Rabobank genoemd.
Bij dagvaarding van 26 mei 2005 is Hessam in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank te Haarlem van 9 maart 2005, onder rolnummer 99147 HA ZA 04-193 gewezen tussen haar als eiseres in vrijwaring en Rabobank en [naam 1] als gedaagden in vrijwaring.
Bij memorie van grieven heeft Hessam tegen het vonnis waarvan beroep vier grieven aangevoerd en bewijs aangeboden, met conclusie, kort gezegd, dat het hof het vonnis waarvan beroep voor zover tussen haar en Rabobank gewezen zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij arrest uitvoerbaar bij voorraad, de in eerste aanleg door Hessam ingestelde vorderingen alsnog zal toewijzen, met veroordeling van Rabobank in de kosten van het geding in beide instanties.
Bij memorie van antwoord heeft Rabobank de grieven bestreden en bewijs aangeboden, met conclusie dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen met veroordeling van Hessam in de kosten van het geding (het hof leest:) in hoger beroep.
Partijen hebben de zaak op 18 mei 2006 doen bepleiten, Hessam door mrs. [advocaat 1] en [advocaat 2], advocaten te [plaats], en Rabobank door mr. [advocaat 3], advocaat te [plaats], beide aan de hand van pleitnotities, die zich bij de processtukken bevinden. Hessam heeft bij akte een productie in het geding gebracht en zij heeft bij monde van haar directeur nadere inlichtingen verstrekt.
Ten slotte hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen op de stukken van beide instanties.
2. Feiten
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2 a. tot en met h. een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Daaromtrent bestaat geen geschil zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. In hoeverre de opsomming door de rechtbank onvolledig is, zoals door Rabobank wordt aangevoerd, zal, voorzover nodig, hierna aan de orde komen.
3. Beoordeling
3.1
Het gaat in deze zaak — voor zover in hoger beroep van belang — om het volgende. Alliance Bank Malaysia Berhad (hierna: Alliance Bank) maakt voor haar betalingsverkeer binnen de Europese Gemeenschap gebruik van de diensten van de Bayerische Landesbank (hierna: de Landesbank), de centrale bank van het bondsland Beieren in Duitsland. Op 16 juni 2003 heeft de Landesbank een betalingsopdracht ontvangen, een zogenoemde Wire Transfer Request (hierna: WTR), die zij heeft aangemerkt als een betalingsopdracht afkomstig van Alliance Bank. Op grond van deze WTR heeft de Landesbank een bedrag van € 450.000,00 overgemaakt naar Rabobank ten gunste van de bankrekening van Hessam bij Rabobank. Dit bedrag is op 19 juni 2003 op de rekening van Hessam bijgeschreven.
Hessam heeft bij akte van volmacht van 13 juni 2003 aan [naam 1] volmacht gegeven om te kunnen beschikken over de gelden op haar rekening. Op 20 juni 2003 heeft [naam 1] in totaal € 4.500,00 van bedoelde rekening opgenomen en een overboeking verricht van € 45.500,00. Op 24 juni 2003 heeft [naam 1] van de bedoelde rekening vier overboekingen verricht van in totaal € 385.573,00.
Volgens de Landesbank was de WTR vervalst. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat Hessam voor een bedrag van € 450.000,00 ongerechtvaardigd is verrijkt, althans dat sprake is van bedrog althans onrechtmatige daad van Hessam. Zij heeft Hessam in rechte aangesproken tot (terug)betaling een bedrag van € 450.000,00 en tot voldoening van door haar geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat. Bij vonnis van 23 juni 2004 heeft de rechtbank de vordering van de Landesbank tegen Hessam toegewezen, tegen welk vonnis Hessam in hoger beroep is gekomen. Dat hoger beroep is aanhangig bij het hof onder rolnummer 04/1711.
Hessam heeft Rabobank en [naam 1] in vrijwaring opgeroepen en hun hoofdelijke veroordeling gevorderd tot betaling aan Hessam van datgene waartoe Hessam jegens de Landesbank mocht worden veroordeeld. [naam 1] liet in eerste aanleg verstek gaan; de rechtbank heeft de vordering tegen [naam 1] toegewezen. Rabobank heeft verweer gevoerd. De rechtbank volgde Hessam niet in haar betoog, dat Rabobank bij de uitvoering van de betalingsopdracht toerekenbaar tekort is geschoten dan wel onzorgvuldig heeft gehandeld of dat Rabobank een zorgplicht jegens Hessam heeft geschonden, en wees de vordering van Hessam tegen Rabobank af. Tegen deze laatste oordelen is het onderhavige hoger beroep gericht.
3.2
In grief I komt Hessam op tegen het oordeel van de rechtbank dat Hessam onvoldoende concreet heeft gesteld in welk opzicht Rabobank bij de uitvoering van de betalingsopdracht toerekenbaar tekort is geschoten dan wel onzorgvuldig heeft gehandeld. Hessam beroept zich onder andere op artikel 2 Algemene Bankvoorwaarden. Deze bepaling luidt, voor zover van belang: ‘de bank dient bij haar dienstverlening de nodige zorgvuldigheid in acht te nemen’.
3.3
Het is juist dat, zoals Hessam stelt, zij als gebruiker van bankdiensten van Rabobank, onder meer op grond van de Algemene Bankvoorwaarden ervan mag uitgaan dat Rabobank de redelijk mogelijke voorzorgsmaatregelen neemt om te voorkomen dat uitvoering wordt gegeven aan (internationale) betalingsopdrachten waaraan achteraf een manco, in het onderhavige geval mogelijk fraude, blijkt te kleven. Echter is niet gebleken dat deze verplichting door Rabobank niet is nagekomen. Hessam heeft ook niet geconcretiseerd welke maatregelen Rabobank had moeten nemen. Dit had, mede gelet op de omstandigheid dat de ontvangst van het bedrag van € 450.000,00 tevoren door haar aan Rabobank was aangekondigd — zoals hierna onder 3.10 aan de orde komt — op haar weg gelegen. De enkele omstandigheid dat zich (mogelijk) een geval van fraude heeft voorgedaan op grond waarvan een betalingsopdracht ten onrechte is uitgevoerd, is voor aansprakelijkheid van Rabobank niet voldoende. De stelling van Hessam dat de nadelige gevolgen van een manco aan een internationale betalingsopdracht steeds voor rekening en risico van Rabobank moeten komen, ongeacht of Rabobank in de door haar in acht te nemen zorgvuldigheidsplicht op enigerlei wijze tekort is geschoten, vindt geen steun in het recht.
3.4
Dit alles wordt niet anders door het beroep dat Hessam heeft gedaan op de verplichtingen die voor Rabobank voortvloeien uit (vooral artikel 9 van) de Wet MOT en de bij die wet behorende Bijlage, hoofdstuk II onder D van de Vaststelling van de indicatorenlijst voor ongebruikelijke transacties.
3.5
Vooropgesteld wordt dat met de Wet MOT van 16 december 1993 blijkens de aanhef uitvoering wordt gegeven aan de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 juni 1991 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld (91/3 08/EEG). Uit de wet kan niet worden afgeleid dat de daarin vastgelegde meldingsplicht in het leven is geroepen ter bescherming van belangen van individuele rekeninghouders. Evenmin kan worden gezegd dat een onderzoeksplicht, zo die al uit de wet kan worden afgeleid en die in geen geval verder strekt dan het nagaan of sprake is van de ingevolge artikel 8 van de wet vastgestelde indicatoren, met het oog op bedoelde belangen in de wet besloten ligt.
3.6
Gelet op de omvang van de onderhavige betalingsopdracht bestond op grond van de Wet MOT geen meldingsplicht voor Rabobank betreffende die betalingsopdracht, zo stelt (ook) Hessam. Hessam heeft niet toegelicht op welke wijze de vaststelling, na onderzoek door Rabobank, dat de overboeking voldeed aan het merendeel van de indicatoren — wat daar ook van zij — zou kunnen leiden tot het ontdekken van het beweerdelijke manco aan de betalingsopdracht. Dit had, gelet op de omstandigheid dat het manco zich zou hebben voorgedaan in het traject voorafgaand aan de overboeking door de Landesbank aan Rabobank, wel op haar weg gelegen. Bovendien heeft Hessam de stelling van Rabobank, dat de bank op grond van de bestaande rekening-courant-overeenkomst met haar crediteur verplicht is de voor de rekeninghouder bestemde bedragen te crediteren, niet weersproken. Het beroep op een uit de Wet MOT voortvloeiende onderzoeksplicht baat Hessam dan ook niet.
3.7
Hessam stelt nog dat de Wet MOT melding voorschrijft in gevallen waarin aanleiding is om te veronderstellen dat de transactie verband houdt met witwassen, maar zij licht niet toe dat in het onderhavige geval aanleiding tot zo'n veronderstelling bestond. Deze stelling kan haar daarom evenmin baten.
3.8
Uit dit alles volgt dat grief I faalt.
3.9
De grieven II, III en IV hebben betrekking op het handelen en nalaten van Rabobank met betrekking tot de volmachtverlening door Hessam aan [naam 1]. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
3.10
Hessam heeft haar aanvankelijk naar voren gebrachte stellingen, dat de volmacht is verleend op initiatief en advies van Rabobank, niet gehandhaafd, zij heeft toegelicht dat haar directeur/grootaandeelhouder [naam directeur] en [naam 1] ten kantore van Rabobank een gesprek met [naam 2] en [naam 3] van Rabobank hebben gehad. Zij hebben toen aan [naam 2] en [naam 3] te kennen gegeven dat een bedrag van € 450.000,00 uit het buitenland op de bankrekening van Hessam werd verwacht en dat van deze bankrekening betalingen zouden moeten worden verricht in een periode dat [naam directeur] afwezig zou zijn. [naam directeur] en [naam 1] hadden een lijst van bankrekeningnummers van beoogde begunstigden bij zich. Zij informeerden bij Rabobank of, met het oog op [naam directeur] afwezigheid, volmachtverlening mogelijk was, aldus nog steeds Hessam.
3.11
Rabobank heeft onbetwist aangevoerd dat zij [naam directeur] en [naam 1] heeft voorzien van een formulier, omdat zij, ter voorkoming van misverstanden over de omvang van de volmacht en de persoon van de gevolmachtigde, een volmacht schriftelijk vastgelegd wil zien. Volgens Rabobank kan uit het feit dat de volmacht is gesteld op dat formulier niet worden afgeleid dat er sprake is van dienstverlening in de zin van de Algemene Bankvoorwaarden.
3.12
Het hof oordeelt als volgt. De betrokkenheid van Rabobank bij het verlenen van de volmacht moet worden aangemerkt als dienstverlening door Rabobank, maar dan slechts in de vorm van het ter beschikking stellen van een volmachtformulier. Niet is immers gebleken dat Rabobank de volmachtconstructie als zodanig heeft geadviseerd. Voorzover Hessams betoog ertoe strekt dat het — enkele — ter beschikking stellen van een formulier in het onderhavige geval kan worden aangemerkt als handelen in strijd met de zorgplicht van Rabobank jegens Hessam, wordt dat betoog verworpen.
3.13
Volgens Hessam had Rabobank haar moeten waarschuwen voor de risico's en mogelijke gevolgen van de volmachtverlening.
3.14
Het hof volgt Hessam daarin niet.
3.15
Hessams betoog, dat van haar niet mag worden verwacht dat zij in staat is zich zelfstandig een oordeel te vormen over de risico's verbonden aan volmachtverlening, gaat niet op in een geval als het onderhavige, waarin een ervaren ondernemer, [naam directeur], zich tot een bank wendt met de mededeling dat de vennootschap waarvan hij directeur/grootaandeelhouder is een volmacht wenst te verstrekken aan een van haar relaties, [naam 1]. Dit klemt temeer nu [naam directeur] er blijk van gaf bekend te zijn met de gevolgen van de volmachtverlening, door aan Rabobank inlichtingen te verstrekken over door [naam 1] te verrichten betalingen en de beoogde begunstigden. De opdrachten die [naam 1] op grond van de volmacht heeft gegeven waren — zo volgt uit de stellingen van partijen — in overeenstemming met die inlichtingen. Dat [naam directeur] 75 jaar oud was en 15 jaar voordien zijn bedrijfsactiviteiten heeft verminderd maakt dit alles niet anders.
3.16
Daar komt bij dat de risico's, die Hessam blijkens haar toelichting (memorie van grieven 6 en 7) voor ogen staan, het internationaal betalingsverkeer betreffen, dat wil zeggen het traject voorafgaand aan de storting van het bedrag op de rekening van Hessam. Met het verlenen van een volmacht houden deze risico's op zichzelf geen verband. Dat Rabobank Hessam, die reeds voornemens was een volmacht te verstrekken en die bijschrijving van het bedrag van € 450.000,00 verwachtte, verdergaand had moeten informeren over de aard en de risico's van het internationaal betalingsverkeer, kan zonder nadere toelichting, die is uitgebleven, niet worden aangenomen.
3.17
Voor zover Hessam doelt op het risico dat een gevolmachtigde ongeoorloofde transacties zal uitvoeren, gaat haar betoog evenmin op, reeds omdat [naam 1] een oude bekende van [naam directeur] was en een onbekende voor Rabobank, zoals volgt uit Hessam's stellingen.
3.18
Het hof slaat bovendien acht op het volgende. Hessam zou voor het ter beschikking stellen van haar bankrekening en het verlenen van de volmacht een bedrag van ruim € 14.000,00 ontvangen (pleitnotities van Hessam in de zaak met rolnummer 05/1247, die deel uitmaken van het onderhavige procesdossier, onder 25).
3.19
Hessams beroep op haar jarenlange relatie met Rabobank, waarover zij ten pleidooie heeft meegedeeld dat zij ten tijde van de volmachtverlening reeds 10 jaar geen bankrekeningen meer bij Rabobank aanhield en dat de onderhavige bankrekening ongeveer twee weken tevoren was geopend, doet aan het voorgaande niet af.
3.20
Partijen hebben nog getwist over de vraag of de volmacht in strijd is met de door Rabobank gehanteerde algemene bankvoorwaarden. Deze stellingen kunnen verder onbesproken blijven, aangezien tussen partijen vaststaat dat de Algemene voorwaarden rekening-courant van de Rabobankorganisatie 2001 van toepassing zijn. Deze voorwaarden houden als artikel 4 in: ‘Een rekeninghouder kan aan een derde schriftelijk volmacht verlenen om over een tegoed op de rekening te beschikken (…)’.
3.21
Ook de grieven II, III en IV hebben geen succes, zodat het hoger beroep faalt. Het vonnis zal worden bekrachtigd. Hessam zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
4. Beslissing
Het hof:
- —
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep van 9 maart 2005 voorzover tussen partijen gewezen;
- —
veroordeelt Hessam in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Rabobank begroot op € 5.731,00 aan verschotten en € 11.685,00 aan salaris van de procureur.
Dit arrest is gewezen door mrs. A. Rutten-Roos, G.J. Visser en A.C. Faber, en in het openbaar door de rolraadsheer uitgesproken op 16 november 2006.
[mr. T.A.C. van Hartingsveldt]