Hof Amsterdam, 03-05-2007, nr. 654/05
ECLI:NL:GHAMS:2007:BA6529
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
03-05-2007
- Magistraten
Mrs. W.H.F.M. Cortenraad, L.C. Heuveling van Beek, M.P. van Achterberg
- Zaaknummer
654/05
- LJN
BA6529
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Vermogensrecht (V)
Verkeersrecht / Aansprakelijkheid
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHAMS:2007:BA6529, Uitspraak, Hof Amsterdam, 03‑05‑2007
Uitspraak 03‑05‑2007
Mrs. W.H.F.M. Cortenraad, L.C. Heuveling van Beek, M.P. van Achterberg
Partij(en)
ARREST
in de zaak van:
de naamloze vennootschap RAILION NEDERLAND N.V.,
gevestigd te Utrecht,
APPELLANTE IN HET PRINCIPAAL BEROEP,
VERWEERSTER IN HET VOORWAARDELIJK INCIDENTEEL BEROEP,
procureur: mr. E.T. van den Hout,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
GEÏNTIMEERDE IN HET PRINCIPAAL BEROEP,
APPELLANT IN HET VOORWAARDELIJK INCIDENTEEL BEROEP,
procureur: mr. F.B. Falkena.
1. Het geding in hoger beroep
De partijen worden hierna respectievelijk Railion en [geïntimeerde] genoemd.
Bij dagvaarding van 15 maart 2005 is Railion in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank te Utrecht van 29 december 2004, in deze zaak onder zaak-/rolnummer 165541/HAZA 03-1588 gewezen tussen haar als gedaagde in conventie, tevens eiseres in reconventie en [geïntimeerde] als eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie.
Railion heeft van grieven gediend, haar oorspronkelijke eis verminderd en bewijs aangeboden, met conclusie, kort gezegd, dat het hof het vonnis waarvan beroep — zowel in conventie als in reconventie gewezen — zal vernietigen, de vordering van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen en — uitvoerbaar bij voorraad — de verminderde eis van Railion zoals verwoord aan het slot van de dagvaarding in hoger beroep zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep.
[geïntimeerde] heeft geantwoord, zijn oorspronkelijke eis vermeerderd, bescheiden in het geding gebracht en van zijn kant voorwaardelijk incidenteel beroep ingesteld en van grieven gediend, met conclusie, kort gezegd en naar het hof begrijpt, dat het hof — uitvoerbaar bij voorraad — zijn vermeerderde eis zal toewijzen en het bestreden vonnis voor het overige zal bekrachtigen behoudens voor zover daarvan in het voorwaardelijk incidenteel beroep de vernietiging wordt gevorderd, met veroordeling van Railion in de kosten van (het hof begrijpt:) het geding in hoger beroep.
Vervolgens heeft Railion in het voorwaardelijk incidenteel beroep geantwoord en bewijs aangeboden, met conclusie tot verwerping van dat beroep, afwijzing van de vermeerderde eis van [geïntimeerde] en veroordeling van laatstgenoemde in de kosten van het voorwaardelijk incidenteel beroep.
Ten slotte is arrest gevraagd op de stukken van beide instanties, waarvan de inhoud als hier ingevoegd wordt beschouwd.
2. Grieven
Railion heeft in het principaal beroep vier grieven voorgesteld en toegelicht. [geïntimeerde] heeft in het voorwaardelijk incidenteel beroep drie grieven voorgesteld en toegelicht. Voor de inhoud van dit een en ander wordt verwezen naar de desbetreffende memories.
3. Feiten
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2, 2.1 tot en met 2.9, een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Over de juistheid van die feiten bestaat geen geschil, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.
4. Beoordeling
4.1
Op 26 oktober 2001 heeft op een onbewaakte spoorwegovergang gelegen op een industrieterrein bij de zeesluizen te Delfzijl, een aanrijding plaatsgevonden tussen een trekker (merk Volvo, type FH 12) met tankoplegger, hierna ‘de vrachtauto’, bestuurd door [geïntimeerde] en een rangeertrein (een locomotief die vier wagons voor zich uit duwde), hierna ‘de trein’, bestuurd door een werknemer van Railion. Op de betrokken spoorwegovergang, hierna ‘de overweg’, kruisen drie naast elkaar gelegen sporen een voor het openbaar verkeer openstaande weg.
4.2
Op het tijdstip van de aanrijding reed de trein op het middelste van deze sporen. De trein kwam van links, gezien vanuit de richting waaruit de vrachtauto kwam aanrijden. Op het daarvóór gelegen spoor, links van de overweg, opnieuw gezien vanuit de rijrichting van de vrachtauto, bevonden zich op het tijdstip van de aanrijding achtentwintig stilstaande kolenwagons, met een gezamenlijke lengte van 392 meter. Die wagons waren daar eerder die dag geplaatst door (één of meer werknemers van) Railion en stonden vrijwel tegen de verharding van de overweg aan.
4.3
De vrachtauto is de overweg genaderd over een evenwijdig aan de sporen, tegenovergesteld aan de rijrichting van de trein gelegen weg, die kort vóór de overweg een haakse bocht naar rechts maakt en daarna de sporen kruist. Deze weg bevond zich, nog steeds gezien vanuit de vrachtauto, links van de sporen en rechts van de overweg. Op de weg stond, enige meters vóór de overweg, een roodomrand driehoekig waarschuwingsbord met daarop afgebeeld een locomotief (bord volgens model J11 behorend bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, hierna ‘het RVV 1990’), dat een overweg zonder slagbomen aankondigt. Dit bord werd gevolgd door een rechthoekig bord met daarop de woorden: ‘let op treinverkeer’. Vlak vóór de overweg stond een zogeheten dubbel andreaskruis (volgens model J13 bij het RVV 1990), dat een overweg met twee of meer sporen aankondigt. De overweg was niet beveiligd met slagbomen en evenmin met een waarschuwingslicht of anderszins.
4.4
De spoorweg waarin de overweg zich bevindt, is geen voor het openbaar vervoer van personen of zaken opengestelde spoorweg, maar een van zo'n spoorweg afgesplitst ‘aansluitspoor’, door middel waarvan het onder 4.1 bedoelde industrieterrein is aangesloten op het ‘hoofdspoor’. Ten tijde van de aanrijding gebruikte Railion dat aansluitspoor voor rangeerwerkzaamheden.
4.5
Bij de aanrijding heeft de trein, met een snelheid van omstreeks 13 kilometer per uur, de vrachtauto ter hoogte van de oplegger geraakt. De vrachtauto is daarop gekanteld en hierdoor, met de rechterzijde, op de overweg terecht gekomen. Op het tijdstip van de aanrijding stond op de voorste wagon van de trein een werknemer van Railion (een rangeerder), die als gevolg van de aanrijding bekneld is geraakt tussen trein en vrachtauto en vervolgens is overleden.
4.6
[geïntimeerde] heeft als gevolg van de aanrijding lichamelijk letsel opgelopen, bestaande uit nek- en schouderklachten. Volgens door hem in het geding gebrachte verslagen van een verzekeringsarts en een psycholoog heeft hij daarnaast een posttraumatische stressstoornis. Sinds 28 oktober 2002 ontvangt hij een uitkering krachtens de WAO op grond van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35–45%, wegens aanhoudende psychische klachten.
4.7
Gelet op de hierboven weergegeven, als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken, tussen partijen vaststaande feiten, hebben partijen elkaar over en weer aangesproken — [geïntimeerde] oorspronkelijk in conventie, Railion in reconventie — tot vergoeding van hun onderscheiden schade als gevolg van de aanrijding. Zij vorderen ieder van de ander schadevergoeding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. [geïntimeerde] vordert hiernaast de betaling van een voorschot van € 5.000,- op de door hem gevraagde schadevergoeding. Ook Railion heeft in eerste aanleg een voorschot gevorderd, ten belope van € 30.000,-, maar — naar blijkt uit de verwoording van haar eis aan het slot van de dagvaarding in hoger beroep — die vordering in dit hoger beroep niet gehandhaafd, zodat zij moet worden geacht haar eis aldus te hebben verminderd.
4.8
[geïntimeerde] heeft in hoger beroep zijn eis vermeerderd met vorderingen tot vergoeding van schade aan het casco van de vrachtauto en schade ter zake van bodemverontreiniging (het hof begrijpt: als gevolg van ladingverlies door de vrachtauto), tezamen € 48.864,44, met voor het overige handhaving van zijn eis. Railion heeft tegen deze vermeerdering uitdrukkelijk bezwaar gemaakt.
4.9
In het bestreden vonnis heeft de rechtbank overwogen dat [geïntimeerde] door op de overweg de trein niet te laten voorgaan, de voorrangsregel neergelegd in artikel 15a, tweede lid, RVV 1990 heeft geschonden en — naar het hof begrijpt — daarom op grond van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek in beginsel is gehouden de schade van Railion te vergoeden. De rechtbank heeft deze vergoedingsplicht vervolgens met toepassing van artikel 6:101 Burgerlijk Wetboek verminderd tot nihil. Hierop is de vordering van Railion afgewezen.
4.10
Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat Railion is gehouden de schade van [geïntimeerde] te vergoeden, wegens — opnieuw naar het hof begrijpt — het in strijd met hetgeen Railion volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt in het leven roepen van een gevaarlijke situatie door de opstelling van de onder 4.2 genoemde kolenwagons, zonder daarbij afdoende veiligheidsmaatregelen te nemen ter bescherming van weggebruikers zoals [geïntimeerde]. De rechtbank heeft vervolgens met toepassing van artikel 6:101 Burgerlijk Wetboek geoordeeld dat er geen aanleiding is voor een vermindering van de vergoedingsplicht van Railion. Hierop is de vordering van [geïntimeerde] toegewezen.
4.11
Het principaal beroep is gericht tegen zowel de afwijzing van de vordering van Railion als de toewijzing van de vordering van [geïntimeerde]. Het voorwaardelijk incidenteel beroep, ingesteld onder de voorwaarde dat het hof een door Railion voorgestelde grief gegrond bevindt, bestrijdt een aantal onderdelen van de overwegingen waarop de toe- respectievelijk de afwijzing van de vorderingen in eerste aanleg berust.
4.12
De onder 4.8 weergegeven vermeerdering van eis door [geïntimeerde] is met de eisen van een goede procesorde niet in strijd, nu Railion daardoor in haar verweer niet onredelijk wordt benadeeld — zij heeft zich immers over de vermeerderde eis kunnen uitlaten in de memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel beroep —, het geding daardoor niet onredelijk wordt vertraagd en ook anderszins niet van strijd met de zojuist genoemde eisen is gebleken. De vermeerdering van eis is daarom toelaatbaar, zodat in dit hoger beroep dient te worden uitgegaan van de vermeerderde eis van [geïntimeerde].
4.13
De vermeerdering is echter niet toewijsbaar, aangezien zij strekt tot vergoeding van schade die, zowel naar haar aard als blijkens de door [geïntimeerde] ter onderbouwing van die schade overgelegde facturen, niet door [geïntimeerde] maar door zijn (toenmalige) werkgever is geleden. Dat deze zijn desbetreffende vorderingen aan [geïntimeerde] heeft overgedragen of dat laatstgenoemde anderszins bevoegd is diens vorderingen in dit geding geldend te maken, blijkt uit niets. De enkele stelling — onder 70 in de memorie van antwoord van [geïntimeerde] — dat ‘[geïntimeerde], althans de verzekeraar van zijn werkgever, wordt aangesproken voor deze schade’, is onvoldoende voor een andere slotsom en evenmin voldoende om aan te nemen dat de betrokken schade feitelijk ten laste van [geïntimeerde] zelf is gekomen. Railion is daarom niet gehouden die schade aan hem te vergoeden.
4.14
Met grief 1 in het principaal beroep bestrijdt Railion de vermindering op grond van artikel 6:101 Burgerlijk Wetboek van de vergoedingsplicht van [geïntimeerde] voor de schade van Railion tot nihil. Als, bij wijze van veronderstelling, ervan wordt uitgegaan dat de grief gegrond is, moet het hof eerst beoordelen
- (i)
of [geïntimeerde] de voorrangsregel van artikel 15a, tweede lid, RVV 1990 heeft overtreden en zo ja,
- (ii)
of die overtreding hem kan worden toegerekend als een onrechtmatige daad.
[geïntimeerde] heeft immers beide in eerste aanleg — en de overtreding van de voorrangsregel bovendien door grief 1 in het voorwaardelijk incidenteel beroep — bestreden en alleen indien aan beide voorwaarden is voldaan, rust op [geïntimeerde] voor de schade van Railion een vergoedingsplicht. Ook bij gegrondbevinding van de grief is de toewijsbaarheid van de vordering van Railion derhalve afhankelijk van de beoordeling van beide zojuist genoemde punten, zodat het hof de hierop betrekking hebbende verweren van [geïntimeerde] in zijn beoordeling dient te betrekken.
4.15
Met betrekking tot de vraag of [geïntimeerde] de voorrangsregel van artikel 15a, tweede lid, RVV 1990 heeft overtreden, staat voorop dat de overweg beantwoordt aan de omschrijving die artikel 1, onder aab, RVV 1990 van een overweg geeft. Er is immers sprake van een kruising van een weg en een spoorweg — het genoemde artikellid spreekt van ‘railweg’ — die wordt voorafgegaan door een dubbel andreaskruis (bord J13 bij het RVV 1990). Artikel 15a van het RVV 1990 bevat, blijkens de aanhef (‘[g]edrag bij overwegen’) en voorts naar inhoud en strekking, regels voor het gedrag van weggebruikers bij overwegen. Artikel 15a, tweede lid, schrijft voor: ‘Bij overwegen laten weggebruikers een railvoertuig voorgaan en laten daarbij de overweg geheel vrij.’ Nu de overweg aan de omschrijving van artikel 1, onder aab, RVV 1990 beantwoordt, is deze regel toepasselijk. [geïntimeerde] heeft, door de overweg op te rijden terwijl de trein kwam aanrijden en reeds zodanig nabij de vrachtauto was dat een aanrijding is ontstaan, de trein niet laten voorgaan en de overweg niet vrijgelaten. Hierdoor heeft hij de zojuist aangehaalde voorrangsregel overtreden.
4.16
Aan de toepasselijkheid van de regel van artikel 15a, tweede lid, RVV 1990 doet, anders dan [geïntimeerde] meent, niet af dat de spoorweg waarin de overweg zich bevindt, een ‘aansluitspoor’ is dat is afgesplitst van een voor het openbaar vervoer van personen of zaken opengestelde spoorweg, een en ander zoals onder 4.4 beschreven. De betrokken spoorweg voldoet hiermee aan de omschrijving van een ‘raccordement’ neergelegd in artikel 1, onder b, van het Reglement op de Raccordementen 1966, hierna ‘het R.Racc.’ Weliswaar volgt hieruit — nu gesteld noch gebleken is dat zich een in artikel 2 van het R.Racc. genoemde uitzondering voordoet — dat ter plaatse het R.Racc. van toepassing is, maar dit laat de toepasselijkheid van de voorrangsregel van artikel 15a, tweede lid, RVV 1990 onverlet.
4.17
Op de eerste plaats volgt die toepasselijkheid uit het feit dat de overweg voldoet aan de omschrijving van artikel 1, onder aab, RVV 1990, waarop het R.Racc. geen inbreuk of uitzondering maakt en waaraan niet in de weg staat dat de betrokken spoorweg een raccordement is. Op de tweede plaats ziet artikel 6 van het R.Racc., waarop [geïntimeerde] zich beroept en dat in het daar bedoelde geval voorschrijft dat de machinist van een trein weggebruikers laat voorgaan, op een andere feitelijke toestand dan in dit geding aan de orde. Het gaat in artikel 6 immers om een voorschrift geldend ‘bij het berijden van een raccordementsgedeelte dat is gelegen in een voor het openbaar verkeer openstaande weg’, derhalve om een spoorweg gelegen ín een (doorgaande) weg, niet om een kruising van een — niet in een weg gelegen — spoorweg met een voor het openbaar verkeer openstaande weg zoals thans aan de orde. Op de derde plaats blijkt uit niets dat de wetgever heeft bedoeld met het R.Racc. een andere, afwijkende, voorrangsregel in het leven te roepen voor een kruising van een weg en een spoorweg die beantwoordt aan de omschrijving van een raccordement in artikel 1, onder b, R.Racc., dan voor een kruising van een weg en een spoorweg die níet aan die omschrijving beantwoordt. Nu de kruising van een weg en een raccordement zoals in dit geding aan de orde een overweg is, is de voorrangsregel van artikel 15a, tweede lid, RVV 1990 derhalve onverkort toepasselijk.
4.18
Met betrekking tot de vraag of zijn overtreding van die voorrangsregel [geïntimeerde] als een onrechtmatige daad kan worden toegerekend, staat voorop dat de desbetreffende overtreding, als een gedraging in strijd met een wettelijke plicht, een onrechtmatige daad inhoudt en dat voor de toerekening daarvan aan [geïntimeerde] is vereist dat de overtreding aan diens schuld is te wijten of aan een (andere) oorzaak die krachtens wet of verkeersopvattingen voor zijn rekening komt. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg aangevoerd, kort gezegd, dat hem geen schuld treft voor het feit dat hij op de overweg de trein niet heeft laten voorgaan en dat dit feit evenmin voor zijn rekening komt. Hiertoe heeft hij in het bijzonder gewezen op de onder 4.2 beschreven opstelling van kolenwagons, de omstandigheid dat hij als gevolg van die opstelling geen zicht had op het — daarachter liggende — spoor waarop de trein kwam aanrijden en hierdoor de trein niet heeft zien aankomen, alsmede op het ontbreken van een voldoende waarschuwing voor het naderen van de trein vóór hij de overweg opreed. Dit verweer slaagt. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
4.19
Vast staat dat Railion op het spoor liggend vóór het spoor waarop de trein reed, links van de overweg, stilstaande kolenwagons had opgesteld met een gezamenlijke lengte van 392 meter, tot vrijwel tegen de verharding van de overweg aan. Vast staat voorts dat de trein, gezien vanuit de rijrichting van de vrachtauto, kwam aanrijden op het spoor gelegen vlak achter het spoor waarop die kolenwagons waren opgesteld. Als onvoldoende weersproken staat bovendien vast dat [geïntimeerde], die de overweg naderde over een evenwijdig aan de sporen, tegenovergesteld aan de rijrichting van de trein gelegen weg, die kort vóór de overweg een haakse bocht naar rechts maakt, als gevolg van de opstelling van de kolenwagons bij het naderen van de overweg geen uitzicht had op het spoor waarop de trein reed en hierdoor de trein niet zag aankomen. Vast staat ten slotte dat de overweg niet was beveiligd anders dan door de onder 4.3 genoemde verkeersborden en een dubbel andreaskruis, dat de trein niet werd voorafgegaan door een begeleider die de komst daarvan aan weggebruikers aankondigde en dat laatstgenoemden ook anderszins niet voor de nadering van de trein werden gewaarschuwd.
4.20
Dat de opgestelde kolenwagons de aankomende trein aan het zicht van [geïntimeerde] hebben onttrokken, vindt — behalve in de hierboven weergegeven feiten — steun in het rapport van 27 mei 2002 dat een inspecteur van de arbeidsinspectie van de aanrijding heeft opgemaakt, waarin deze heeft opgetekend (op bladzijde 4): ‘Door de geparkeerde trein op [het] meest zuidelijke spoor, konden de [onder 4.5 genoemde] treinbegeleider (rangeerder/ wagenmeester) [het hof begrijpt: die voorop de rijdende trein stond] en de chauffeur van de voertuigcombinatie elkaar niet zien, waardoor het ongeval vermoedelijk plaatsvond.’ Hiermee stemt overeen de verklaring die de machinist van de trein na de aanrijding, op dezelfde dag, tegenover de spoorwegpolitie heeft afgelegd: ‘Hoewel het wegverkeer de overweg pas mag op- en overrijden zolang er geen treinverkeer nadert, kan het zijn dat het zicht van de tankautochauffeur ook door het afgerangeerde rangeerdeel [het hof begrijpt: de opgestelde kolenwagons] belemmerd is geweest.’ Op dit laatste wijzen ook de zichtlijnen aangegeven op de ‘[d]etailweergave situatie’ die [geïntimeerde] bij de in eerste aanleg gehouden comparitiezitting heeft overgelegd (bijlage 3 bij de brief van 10 maart 2004 van zijn raadsman). Dat [geïntimeerde] bij zijn nadering van de overweg geen zicht heeft gehad op het spoor waarop de trein kwam aanrijden, wordt ten slotte onderstreept door de erkenning door Railion — onder 7 en 11 van de conclusie van antwoord in conventie — dat het ‘samenstel’ van de kolenwagons hem het zicht benam.
4.21
De onder 4.19 en 4.20 weergegeven feiten, tezamen en in onderlinge samenhang, wettigen geen andere gevolgtrekking dan dat de trein voor [geïntimeerde] bij diens naderen van de overweg aan het zicht was onttrokken en dat deze, eerder verborgen door de tot aan de verharding van de overweg opgestelde kolenwagons, voor hem eerst zichtbaar werd na het oprijden van de overweg, terwijl een voldoende waarschuwing aan weggebruikers voor de mogelijke nadering van een trein vanachter de kolenwagons, ontbrak. Anders dan Railion kennelijk meent, werd zo'n voldoende waarschuwing niet gegeven door de onder 4.3 genoemde borden en het dubbele andreaskruis, aangezien deze niet hebben gewezen op het bijzondere gevaar eruit bestaande dat vanachter de kolenwagons, voor weggebruikers zoals [geïntimeerde] eerder onzichtbaar, plotsklaps — op de overweg — een trein zou opdoemen. Het vorenstaande brengt mee dat de overtreding van de regel van artikel 15a, tweede lid, RVV 1990, niet aan de schuld van [geïntimeerde] is te wijten en evenmin krachtens wet of verkeersopvattingen voor diens rekening komt, zodat die overtreding hem niet als een onrechtmatige daad kan worden toegerekend.
4.22
Nu de opgestelde kolenwagons [geïntimeerde] het zicht op de aankomende trein benamen terwijl een voldoende waarschuwing ontbrak en dit hoe dan ook aan toerekening van bovenbedoelde overtreding in de weg staat, is voor die toerekening zonder belang hetgeen Railion heeft aangevoerd met betrekking tot de snelheid waarmee [geïntimeerde] reed, het feit dat deze de trein niet heeft horen aankomen en de omstandigheid dat [geïntimeerde] op de dag van de aanrijding de overweg reeds tweemaal eerder — vóór de plaatsing van de kolenwagons — was overgereden. Hetzelfde geldt voor de stelling van Railion dat [geïntimeerde] — naar volgens Railion uit diens tegenover de politie afgelegde verklaring volgt — bij het oprijden van de overweg ten onrechte heeft aangenomen dat er geen trein zou aankomen omdat verderop een brug openstond. Ook immers indien die stelling juist is, ontbeerde [geïntimeerde] zicht op het spoor waarop de trein kwam aanrijden en ontbrak een voldoende waarschuwing.
4.23
De slotsom uit het bovenstaande is dat het feit dat hij op de overweg de trein niet heeft laten voorgaan, [geïntimeerde] niet als een onrechtmatige daad kan worden toegerekend. Op hem rust daarom geen verplichting tot vergoeding van de schade die Railion als gevolg van dat feit heeft geleden. De vordering van Railion tot vergoeding van die schade is daarom ook in hoger beroep niet toewijsbaar, zodat de beslissing van de rechtbank tot afwijzing van de vordering in stand blijft, wat er verder ook zij van grief 1 in het principaal beroep. Die grief behoeft daarom geen verdere bespreking.
4.24
Met de grieven 2 en 3 in het principaal beroep bestrijdt Railion dat zij door het in het leven roepen van een gevaarlijke situatie en het achterwege laten van afdoende veiligheidsmaatregelen, onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [geïntimeerde] (grief 2) en dat voor een vermindering van haar hieruit volgende verplichting tot vergoeding van de schade van [geïntimeerde], geen grond bestaat (grief 3). De grieven, die zich voor een gezamenlijke behandeling lenen, kunnen niet slagen. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
4.25
Door het plaatsen van 392 meter aan kolenwagons vrijwel tegen de verharding van de overweg aan, waardoor weggebruikers komende vanuit de richting van [geïntimeerde] bij het naderen van de overweg geen uitzicht hadden op het daarachter gelegen spoor, en door het vervolgens op het achter de kolenwagons gelegen spoor doen rijden van een trein zonder waarschuwing anders dan door de onder 4.3 genoemde borden en het dubbele andreaskruis, heeft Railion een voor weggebruikers zoals [geïntimeerde] gevaarlijke toestand in het leven geroepen. Nu de overweg niet was beveiligd met slagbomen en evenmin met een waarschuwingslicht of anderszins, de betrokken spoorweg als raccordement door Railion voor rangeerwerkzaamheden werd gebruikt, en als gevolg van de opstelling van de kolenwagons voor weggebruikers zoals [geïntimeerde] zicht op het achtergelegen spoor ontbrak, had Railion onder ogen behoren te zien dat met een redelijke mate van waarschijnlijkheid een weggebruiker zoals [geïntimeerde] bij het oprijden van de overweg de naderende trein niet zou zien, daardoor de voorrangsregel van artikel 15a, tweede lid, RVV 1990 (mogelijk) niet in acht zou nemen en aldus niet de oplettendheid en voorzichtigheid zou betrachten die noodzakelijk was om een aanrijding met de trein te voorkomen.
4.26
Dat een aanrijding zou ontstaan als de bestuurder van een motorvoertuig komend vanuit de rijrichting van [geïntimeerde] de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid zou veronachtzamen en de overweg zou oprijden terwijl een trein naderde, lag in de rede, zodat de kans op een aanrijding in dat geval ten minste als aanzienlijk moet worden beschouwd. Buiten twijfel staat voorts dat een aanrijding tussen een motorvoertuig, in het bijzonder een vrachtauto zoals door [geïntimeerde] bestuurd, en een trein zoals door (een werknemer van) Railion bestuurd, ernstige gevolgen kan hebben, gemeten zowel naar het letsel dat personen daarbij kunnen oplopen als naar de mogelijke schade aan zaken. Het nemen van veiligheidsmaatregelen door Railion, die de hierboven beschreven gevaarlijke toestand in het leven heeft geroepen, geëigend om een aanrijding tussen de trein en een motorvoertuig op de overweg en daaruit voortvloeiende schade te voorkomen, was betrekkelijk eenvoudig en kan daarom niet als te bezwaarlijk voor Railion worden aangemerkt. Hierbij is van belang dat artikel 82, vierde lid, RVV 1990 uitdrukkelijk voorziet in de mogelijkheid dat een trein wordt vergezeld door een begeleider die aan weggebruikers een stopteken zoals in dat artikellid genoemd, een rode vlag of een rode lamp toont, in welk geval op weggebruikers de verplichting rust te stoppen. Mede in aanmerking genomen de snelheid van de trein op het tijdstip van de aanrijding, omstreeks 13 kilometer per uur, en het feit dat op de trein, buiten de machinist, reeds een tweede werknemer (een rangeerder) van Railion aanwezig was, valt niet in te zien dat het nemen van een veiligheidsmaatregel zoals in de zojuist genoemde wetsbepaling bedoeld, voor Railion te bezwaarlijk was.
4.27
Op grond van het onder 4.25 en 4.26 overwogene heeft op Railion krachtens hetgeen haar volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, in het bijzonder de door haar jegens weggebruikers in acht te nemen zorgvuldigheid, de verplichting gerust om afdoende veiligheidsmaatregelen te nemen teneinde een aanrijding zoals tussen de trein en [geïntimeerde] voorgevallen te voorkomen, bijvoorbeeld door de trein vóór de overweg vooraf te doen gaan door een begeleider met een stopteken, rode vlag of rode lamp zoals bedoeld in artikel 82, vierde lid, RVV 1990. Dit heeft Railion nagelaten, terwijl zij ook anderszins geen toereikende veiligheidsmaatregelen heeft genomen. Railion is daarom tekortgeschoten in de nakoming van haar zojuist bedoelde verplichting, zodat zij is gehouden de daaruit volgende schade van [geïntimeerde] te vergoeden.
4.28
Aan het tekortschieten van Railion doet niet af dat de overweg werd voorafgegaan door de onder 4.3 genoemde borden en een dubbel andreaskruis, aangezien hiermee aan weggebruikers slechts algemene waarschuwingen werden gegeven voor de mogelijkheid van aankomend treinverkeer en — zoals onder 4.21 reeds overwogen — daardoor niet werd gewaarschuwd voor het bijzondere gevaar dat Railion had doen ontstaan door de opstelling van 392 meter aan kolenwagons tot aan de verharding van de overweg en het daarachter laten rijden van een trein, die voor weggebruikers komende vanuit de richting van [geïntimeerde] aan het zicht was onttrokken. Nu treinverkeer dat de overweg naderde van links, gezien vanuit de rijrichting van [geïntimeerde], voor weggebruikers zoals [geïntimeerde] door de kolenwagons aan het zicht was onttrokken en voor hen eerst zichtbaar werd na hun oprijden van de overweg, derhalve na het passeren van de borden en het dubbele andreaskruis, mocht Railion niet verwachten dat de borden en het dubbele andreaskruis weggebruikers ervan zouden weerhouden de overweg op te rijden terwijl verscholen achter de kolenwagons een trein naderde. De borden en het dubbele andreaskruis kunnen daarom niet als een afdoende maatregel worden beschouwd met het oog op de bescherming tegen het door Railion in het leven geroepen gevaar.
4.29
Aan het tekortschieten van Railion en haar daaruit volgende vergoedingsplicht doet evenmin af hetgeen Railion heeft aangevoerd met betrekking tot de snelheid waarmee [geïntimeerde] de overweg naderde, het feit dat deze de trein niet heeft horen aankomen, de stelling van Railion dat [geïntimeerde] ten onrechte heeft aangenomen dat er geen trein zou aankomen omdat verderop een brug openstond, en de stelling dat [geïntimeerde] bekend was met de verkeerssituatie ter plaatse omdat hij op de dag van de aanrijding de overweg reeds tweemaal eerder was overgereden. Dit een en ander laat immers onverlet zowel de hierboven besproken verplichting van Railion om afdoende veiligheidsmaatregelen te nemen teneinde een aanrijding zoals tussen de trein en [geïntimeerde] voorgevallen te voorkomen, als het tekortschieten van Railion in de nakoming van die verplichting. Hierbij komt nog dat — naar tussen partijen niet in geschil is — ten tijde van het eerdere oversteken van de overweg door [geïntimeerde] op de dag van de aanrijding, naast de overweg geen kolenwagons waren geplaatst, zodat [geïntimeerde] niet reeds vóór de aanrijding bekend kan worden geacht met de gevaarlijke toestand die was ontstaan door de opstelling van de kolenwagons. Ook gelet hierop kan Railion tegenover [geïntimeerde] een tekortschieten in het nemen van veiligheidsmaatregelen worden verweten.
4.30
Aan dit tekortschieten doet voorts niet af het feit dat zich op de voorste wagon van de trein (die door de locomotief werd voortgeduwd) een werknemer van Railion bevond: niet alleen heeft deze werknemer, die zelf kort na en als gevolg van de aanrijding het leven heeft gelaten, de machinist — volgens diens verklaring tegenover de spoorwegpolitie — niet gewaarschuwd voor de naderende vrachtauto en derhalve — ook volgens de eigen stellingen van Railion op bladzijde 4 van de memorie van grieven — klaarblijkelijk de aanrijding niet zien aankomen, ook blijkt uit niets dat de desbetreffende werknemer was uitgerust met een stopteken, een rode vlag of een rode lamp zoals bedoeld in artikel 82, vierde lid, RVV 1990 (de machinist spreekt alleen over een portofoon, door middel waarvan beiden met elkaar in verbinding stonden) en evenmin dat die werknemer daardoor of op een andere wijze weggebruikers zoals [geïntimeerde] heeft gewaarschuwd voor de nadering van de trein vanachter de kolenwagons. De aanwezigheid van de zojuist bedoelde werknemer op de voorste wagon van de trein kan daarom niet als een afdoende maatregel met het oog op de bescherming van weggebruikers tegen het gevaar van een aanrijding worden beschouwd.
4.31
Zonder gevolg ten slotte blijven de stellingen van Railion erop neerkomende dat zij krachtens de toepasselijke spoorwegregelgeving bevoegd was de kolenwagons naast de overweg op te stellen zoals zij heeft gedaan, dat zij bovendien bevoegd was op het daarnaast gelegen spoor een trein te laten rijden op de wijze zoals zij heeft gedaan, en dat het haar gezien de plaatselijke spoorwegsituatie feitelijk onmogelijk was de kolenwagons elders op te stellen dan wel haar desbetreffende rangeerwerkzaamheden elders of anders te verrichten. De gestelde bevoegdheden krachtens de spoorwegregelgeving en de gestelde feitelijke onmogelijkheid doen niet af aan de uit hetgeen haar volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt voortvloeiende verplichting van Railion tot het nemen van afdoende veiligheidsmaatregelen indien zij een voor anderen gevaarlijke toestand in het leven roept zoals in dit geding aan de orde, en doen evenmin af aan het tekortschieten van Railion in de nakoming van die verplichting. Voor zover Railion mede bedoelt te betogen dat de door haar gestelde feitelijke onmogelijkheid om de kolenwagons elders op te stellen dan wel haar werkzaamheden elders of anders te verrichten, in de weg staat aan toerekening van dat tekortschieten aan haar, kan zij daarin niet worden gevolgd, reeds omdat niet valt in te zien dat die onmogelijkheid (ook) het nemen van de geëigende veiligheidsmaatregelen ter bescherming van weggebruikers heeft verhinderd.
4.32
De slotsom uit het bovenstaande is dat Railion door het in het leven roepen van een gevaarlijke toestand en het daarbij achterwege laten van afdoende veiligheidsmaatregelen, onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [geïntimeerde] en is gehouden tot vergoeding van de schade die deze als gevolg daarvan heeft geleden. Voor een vermindering van de vergoedingsplicht van Railion bestaat geen grond, in aanmerking genomen dat de omstandigheid dat [geïntimeerde] op de overweg de trein niet heeft laten voorgaan, hem niet als een onrechtmatige daad kan worden toegerekend. De vordering van [geïntimeerde] tot vergoeding van schade is daarom met uitzondering — zoals onder 4.13 overwogen — van diens eisvermeerdering in hoger beroep toewijsbaar, zodat de beslissing van de rechtbank tot toewijzing van de vordering in stand blijft.
4.33
Uit de beoordeling van de grieven 1 tot en met 3 in het principaal beroep volgt dat Railion in eerste aanleg, zowel in conventie als in reconventie, met recht in het ongelijk is gesteld, zodat zij eveneens terecht in de kosten van het geding in eerste aanleg in conventie en in reconventie is veroordeeld. Grief 4 in het principaal beroep, die opkomt tegen deze kostenveroordeling, faalt daarom.
4.34
Nu uit het hierboven overwogene reeds volgt dat het principaal beroep niet kan slagen en Railion geen — voldoende concrete — feiten heeft gesteld en te bewijzen heeft aangeboden die tot een ander oordeel kunnen leiden, komt aan het bewijsaanbod van Railion aan het slot van de memorie van grieven geen betekenis toe voor de beslissing van de zaak. Dit bewijsaanbod wordt derhalve, als niet ter zake dienend, gepasseerd.
4.35
De uitkomst van het principaal beroep brengt mee dat [geïntimeerde] geen voldoende belang meer heeft bij beoordeling van zijn grieven in het voorwaardelijk incidenteel beroep, zo al zou moeten worden aangenomen dat de voorwaarde waaronder dit beroep is ingesteld, is vervuld. Een bespreking van het voorwaardelijk incidenteel beroep blijft daarom achterwege.
5. Slotsom en kosten
Het hierboven overwogene leidt tot de gevolgtrekking dat het principaal beroep tevergeefs is ingesteld, dat het voorwaardelijk incidenteel beroep geen bespreking behoeft, dat de vermeerdering van de eis van [geïntimeerde] niet toewijsbaar is, en dat het bestreden vonnis, zowel in conventie als in reconventie gewezen, — met aanvulling en verbetering van gronden zoals in dit arrest uiteengezet — moet worden bekrachtigd. Het hof zal aldus beslissen.
Railion zal, als de in het principaal beroep in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure in het principaal beroep. Nu een bespreking van het voorwaardelijk incidenteel beroep achterwege blijft, kan ten aanzien van dit beroep geen van de partijen als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd en bestaat voor een beslissing over de proceskosten van het incidenteel beroep geen aanleiding. Een zodanige beslissing blijft daarom achterwege.
6. Beslissing
Het hof:
in het principaal beroep:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, zowel in conventie als in reconventie gewezen;
verwijst Railion in de proceskosten van het principaal beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van [geïntimeerde] gevallen, op € 389,- aan verschotten en op € 894,- aan salaris procureur;
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
in het incidenteel beroep:
wijst af de eis van [geïntimeerde] (uitsluitend) voor zover in hoger beroep vermeerderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.F.M. Cortenraad, L.C. Heuveling van Beek en M.P. van Achterberg en in het openbaar uitgesproken op donderdag 3 mei 2007 door de rolraadsheer.