Hof Amsterdam, 30-08-2007, nr. 0459/05
ECLI:NL:GHAMS:2007:BC6965
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
30-08-2007
- Magistraten
Mrs. J.M.J. Chorus, W.H.F.M. Cortenraad, H.M. ten Haaft
- Zaaknummer
0459/05
- LJN
BC6965
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHAMS:2007:BC6965, Uitspraak, Hof Amsterdam, 30‑08‑2007
Uitspraak 30‑08‑2007
Mrs. J.M.J. Chorus, W.H.F.M. Cortenraad, H.M. ten Haaft
Partij(en)
ARREST
in de zaak van:
[appellant], wonend te [woonplaats], APPELLANT,
procureur: mr. F.B. Falkena,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[geïntimeerde 1] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats],
2. de commanditaire vennootschap
[geïntimeerde 2] C.V., gevestigd te [vestigingsplaats],
GEÏNTIMEERDEN,
procureur: mr. C.J. Blauw.
1. Het geding in hoger beroep
De partijen worden hierna [appellant] respectievelijk [geïntimeerde 1] c.s. (gezamenlijk) dan wel [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] (afzonderlijk) genoemd.
Bij dagvaarding van 21 december 2004 en daarop volgend herstelexploot van 3 maart 2005 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank te Utrecht van 22 september 2004, in deze zaak onder zaak-/rolnummer 170750/HA ZA 03-2415 gewezen tussen [geïntimeerde 1] c.s. als eiseressen en [appellant] als gedaagde.
Bij memorie van grieven heeft [appellant] zes grieven tegen het vonnis aangevoerd, een productie in het geding gebracht, bewijs aangeboden en geconcludeerd zoals in die memorie weergegeven.
Bij memorie van antwoord hebben [geïntimeerde 1] c.s. de grieven bestreden en geconcludeerd als in die memorie weergegeven.
Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd op de stukken van beide instanties, waarvan de inhoud als hier ingevoegd wordt beschouwd.
2. Grieven
Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de desbetreffende memorie.
3. Feiten
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.4 een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Daaromtrent bestaat geen geschil, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.
4. Beoordeling
4.1
In deze zaak is het volgende komen vast te staan, als gesteld en niet, niet langer of niet deugdelijk bestreden en deels mede op grond van de in zoverre niet (deugdelijk) bestreden inhoud van de producties.
Op 16 juli 1998 hebben [geïntimeerde 1] c.s. een schriftelijke overeenkomst (verder: de overeenkomst) met [appellant] gesloten, strekkende tot de (geleidelijke) overname door [appellant] van de activiteiten van [geïntimeerde 2] en van de personeelsleden van [geïntimeerde 1]. Art. 1 van deze overeenkomst bepaalt dat [appellant] uiterlijk op 1 februari 1999 in dienst zal treden bij [geïntimeerde 1] c.s. Volgens art. 2 van de overeenkomst hebben partijen zich geconformeerd aan een eerder advies van Gibo Accountants en Adviseurs (verder: Gibo) van 26 juni 1998, zoals aangevuld op 14 juli 1998. Dit advies is aan de overeenkomst gehecht en vormt daarvan een integraal onderdeel. Art. 3 van de overeenkomst bepaalt dat het advies nader door Gibo zal worden uitgewerkt in een passende juridische en fiscale structuur, waarbij zoveel mogelijk recht wordt gedaan aan de in het advies ontwikkelde structuur. Het advies van Gibo beschrijft een overdracht in drie fasen, waarbij in fase I sprake is van een dienstverband tussen [appellant] en [geïntimeerde 1] c.s. van maximaal één jaar. Volgens het advies stellen partijen in dat jaar vast of men met elkaar verder wil. Bij beëindiging verlaat [appellant] de organisatie en bij overeenstemming wordt de overdracht definitief geregeld behoudens calamiteiten bij [appellant], welke dan als ontbindende voorwaarde zijn geformuleerd. In de daarop volgende fase II zal [getuige 4] in beginsel nog vijf jaar eigenaar blijven maar vindt een zekere winstverdeling tussen partijen plaats en wordt bij de beloning van [appellant] rekening gehouden met de door hem te betalen goodwill, waarna de onderneming in fase III is overgedragen aan [appellant].
4.2
Op 1 januari 1999 is [appellant] conform de overeenkomst in dienst getreden van [geïntimeerde 1] c.s. Op 7 september 1999 heeft [appellant] aan [geïntimeerde 1] c.s. meegedeeld dat hij zijn dienstverband wilde beëindigen en dat hij van de overname afzag. [geïntimeerde 1] c.s. hebben op 30 juni 2000 hun bedrijf aan een derde verkocht.
4.3
Tussen [geïntimeerde 1] c.s. als eisers en [appellant] is eerder in twee instanties geprocedeerd over —o.a.— de geplande bedrijfsovername door [appellant]. Grondslag voor de vordering van [geïntimeerde 1] c.s. in die eerdere procedure was dat tussen partijen reeds in april 1999 een perfecte overeenkomst ter zake van de bedrijfsovername tot stand was gekomen tot de nakoming waarvan [appellant] gehouden was. De op die grondslag gebaseerde vordering tot schadevergoeding achtte dit hof in zijn arrest van 2 januari 2003 niet toewijsbaar, omdat het van oordeel was dat [geïntimeerde 1] c.s. er niet in waren geslaagd te bewijzen dat een perfecte overeenkomst tot stand was gekomen. Het hof heeft voorts overwogen dat het [appellant] in september 1999 niet meer vrijstond zich eenzijdig aan verdere onderhandelingen met betrekking tot de bedrijfsovername te onttrekken. De processtukken uit deze eerdere procedure voor de rechtbank en het hof, waarvan ook processen-verbaal van getuigenverhoor deel uitmaken, behoren tot de gedingstukken, waarvan de inhoud als ingevoegd is beschouwd.
4.4
[geïntimeerde 1] c.s. vorderen nu in dit geding dat [appellant] wordt veroordeeld tot vergoeding van de door [geïntimeerde 1] c.s. geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 september 1999 tot aan de dag der voldoening. Aan deze vordering leggen zij ten grondslag dat het [appellant] in september 1999 niet meer vrijstond zich eenzijdig aan verdere onderhandelingen ter zake van de bedrijfsovername te onttrekken. Uitgangspunt voor de berekening van de geleden schade moet, aldus [geïntimeerde 1] c.s., de goodwill zijn die [appellant] krachtens de overeenkomst van 16 juli 1998 had moeten betalen. Voorts is deze, nog steeds volgens [geïntimeerde 1] c.s., afhankelijk van de koopsom, die [geïntimeerde 1] c.s. uiteindelijk voor hun bedrijf hebben ontvangen, een en ander als nader te becijferen door de accountant.
4.5
In het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vordering van [geïntimeerde 1] c.s. toegewezen. Daartoe heeft zij — na te hebben vastgesteld dat (ook) [geïntimeerde 2] ontvankelijk is in haar vordering — in hoofdzaak overwogen dat het [appellant], gegeven de ten processe gebleken feiten en omstandigheden, niet langer vrij stond de onderhandelingen over de bedrijfsovername eenzijdig af te breken.
4.6
In grief I richt [appellant] zich tegen het oordeel van de rechtbank, dat [geïntimeerde 2] ontvankelijk is in haar vordering jegens [appellant]. Volgens [appellant] heeft de juridische entiteit [geïntimeerde 2] C.V. met ingang van 1 juli 2000 opgehouden te bestaan, zodat zij op 1 december 2003 — de datum van de inleidende dagvaarding — geen vordering meer kon instellen. Met de rechtbank is het hof evenwel van oordeel dat een commanditaire vennootschap eerst na een afgeronde vereffening ophoudt te bestaan. Niet gesteld of gebleken is dat van dit laatste sprake was ten tijde van de inleidende dagvaarding van 1 december 2003. De omstandigheid dat ten tijde van de ontbinding geen vereffenaar was aangewezen doet daaraan niet af, te meer niet nu er geen wettelijke bepaling is die een dergelijke benoeming voorschrijft. Grief I is ongegrond.
4.7
Met verschillende invalshoeken klagen de grieven II t/m V in feite alle over het oordeel van de rechtbank dat het [appellant], gegeven de overeenkomst van 16 juli 1998 en het advies van Gibo van 26 juni 1998, alsmede de door accountant [getuige 1] in april 1999 vervaardigde aantekeningen t.b.v. de overdracht ‘[geïntimeerde 2]’, de afgelegde getuigenverklaringen en de overige feiten en omstandigheden, niet meer vrijstond de onderhandelingen over de bedrijfsovername af te breken. Daarom is [appellant], aldus de rechtbank, schadeplichtig, waarbij uitgangspunt is dat er ook plaats is voor een vergoeding van de gederfde winst. Het Hof overweegt hieromtrent als volgt.
4.8
Maatstaf voor de beoordeling van een schadevordering als de onderhavige is dat onderhandelende partijen — die verplicht zijn hun gedrag mede door elkaars gerechtvaardigde belangen te laten bepalen — vrij zijn de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het tot stand komen van de overeenkomst of in verband met de andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de partij die de onderhandelingen afbreekt tot het ontstaan van dat vertrouwen heeft bijgedragen en met de gerechtvaardigde belangen van deze partij. Blijkens de rechtsoverwegingen 4.5, 4.10 en 4.11 heeft ook de rechtbank deze maatstaf tot uitgangspunt genomen, nu zij in haar overwegingen mede heeft betrokken dat het afbreken van de onderhandelingen in de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar was.
4.9
Grief II richt zich deels tegen de uitleg die de rechtbank heeft gegeven aan de passage uit het advies van Gibo van 26 juni 1998, waarin fase I wordt omschreven. Volgens de rechtbank volgt uit deze beschrijving, in samenhang met de door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden, dat [appellant] weliswaar gedurende een periode van maximaal een jaar de tijd had om van overname af te zien, maar dat die periode eindigt op het moment dat tussen partijen overeenstemming bestaat over de vraag of men al dan niet met elkaar verder wilde zonder dat op dat moment sprake hoefde te zijn van een perfecte overeenkomst. Volgens [appellant] hebben partijen echter, mede gelet op het advies van Gibo en de overeenkomst van 16 juli 1998, door middel van de omschrijving van fase I gekozen voor een bijzondere structuur, die inhoudt dat zij gedurende één jaar altijd en onafhankelijk van tussentijdse ontwikkelingen de vrijheid hadden om afscheid van elkaar te nemen. Dusdoende hebben zij, aldus [appellant] in zijn toelichting, de gevolgen van het afbreken van de onderhandelingen gedurende dat jaar willen regelen in die zin dat partijen in die periode hoe dan ook steeds van elkaar af konden. Zij zouden aldus mede de bedoeling hebben gehad af te wijken van de voormelde, aan de rechtspraak ontleende, maatstaf.
4.10
[appellant] heeft in zoverre gelijk, dat niet in algemene zin gezegd kan worden dat een redelijke uitleg van het advies van Gibo van 26 juni 1998 in de geldende context met zich meebrengt dat de periode van één jaar steeds eindigt op het moment dat tussen partijen overeenstemming bestaat over de vraag of men al dan niet met elkaar verder wilde. Het hof verstaat de desbetreffende overweging van de rechtbank echter aldus, dat de rechtbank bedoeld heeft dat er binnen de in het advies van Gibo genoemde periode van een jaar een situatie kon ontstaan, die met zich meebrengt dat een partij niet langer eenzijdig de onderhandelingen mocht afbreken. Dit behoeft dan niet noodzakelijk met zich mee te brengen, dat fase I is geëindigd. Dusdoende heeft de rechtbank, mede in het licht van hetgeen hiervóór is overwogen, een juiste maatstaf voor de beoordeling aangelegd. Het hof verwerpt dus het betoog van [appellant], dat partijen zijn overeengekomen dat zij in het eerste jaar, ongeacht tussentijdse ontwikkelingen, steeds van elkaar af zouden kunnen zonder schadeplichtig te worden.
4.11
Voor het overige richt grief II zich tegen de — door [appellant] in het vonnis gelezen — vaststelling door de rechtbank dat uit de verklaringen die in de eerdere procedure door de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] zijn afgelegd, volgt dat fase I al ruim vóór september 1999 was afgerond. Dit onderdeel van grief II richt zich voornamelijk tegen de conclusies die de rechtbank heeft verbonden aan de getuigenverklaringen. Dit zal hierna, bij de bespreking van grief III, aan de orde komen.
4.12
Grief III bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat uit de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] — waarvan de inhoud volgens de rechtbank niet gemotiveerd door [appellant] is betwist — volgt dat partijen al ruim vóór september 1999 overeenstemming hadden bereikt over het feit dat men met elkaar verder wilde. In zijn toelichting verwijst [appellant] voornamelijk naar zijn toelichting op grief II.
4.13
Ook deze grief is tevergeefs voorgesteld. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat uit de getuigenverklaringen van [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3], waarvan de relevante onderdelen zijn geciteerd onder 4.9 van het vonnis waarvan beroep en die ook hebben meegewogen bij het hiervoor onder 4.3 weergegeven oordeel van dit hof in het arrest van 2 januari 2003, genoegzaam blijkt dat partijen reeds vóór september 1999 overeenstemming hadden bereikt over het feit dat men met elkaar verder wilde. Dat de getuige [getuige 1] niet meer weet of hij zijn voorstel met het opschrift ‘enige aantekeningen t.b.v. de overdracht bij [geïntimeerde 2]’ met beide partijen gezamenlijk dan wel met iedere partij afzonderlijk heeft besproken en evenmin of hij het uitgewerkte voorstel over de overname aan partijen heeft toegezonden, doet hieraan niet af. Ook is in dat kader niet van belang dat [getuige 1] niet schriftelijk aan de partijen heeft bevestigd dat in zijn visie inhoudelijke overeenstemming bestond. De verklaring van [getuige 1] maakt immers voldoende duidelijk dat hij omstreeks eind maart/begin april 1999 zowel met [appellant] als met [getuige 4] gesproken heeft over het toen door [appellant] zelf uitgesproken voornemen dat hij het bouwbedrijf wilde overnemen. Dat [appellant] zich in deze zin heeft uitgelaten wordt bevestigd door de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3], alsmede door de verklaring van de getuige [getuige 4]. Dat uit deze verklaringen niet zonder meer kan worden afgeleid dat fase I was afgerond, zoals [appellant] stelt, kan in het midden blijven, nu dit voor de hier relevante beoordeling — te weten of uit het feit dat partijen al vóór september 1999 hebben afgesproken met elkaar verder te willen in de gegeven omstandigheden voortvloeit dat het eenzijdig afbreken van de onderhandelingen door [appellant] in september 1999 onaanvaardbaar was — niet van belang is. Hetgeen [appellant] opmerkt over de onbetrouwbaarheid van de verklaring van [getuige 1] berust op speculatie en wordt niet verder onderbouwd. Nu die verklaring bovendien op relevante punten overeenstemt met die van de andere getuigen, ziet het hof geen aanleiding om aan de geloofwaardigheid van de verklaring van [getuige 1] te twijfelen. Het hof kent voorts betekenis toe aan het feit dat [appellant] in de eerdere procedures de betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige 1] niet ter discussie heeft gesteld. Het vorenstaande betekent eveneens dat ook grief II, alhoewel deels gegrond, niet tot vernietiging van het vonnis kan leiden.
4.14
In grief IV komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat, gegeven dat partijen overeenstemming hadden bereikt over het feit dat men met elkaar verder wilde, moet worden geoordeeld dat de onderhandelingen in een zodanig stadium waren gekomen dat partijen erop mochten vertrouwen dat enigerlei overeenkomst uit de onderhandelingen zou voortvloeien. [appellant] was daarom volgens de rechtbank gehouden verder mee te werken aan de definitieve uitwerking daarvan. Voor zover [appellant] hier andermaal aan de orde stelt dat partijen geen overeenstemming hadden bereikt over het feit dat men met elkaar verder wilde, stuit dit reeds af op het hiervóór overwogene. Voor het overige oordeelt het hof als volgt.
4.15
In zijn toelichting voert [appellant] aan dat, zelfs als moet worden aangenomen dat partijen zijn overeengekomen dat zij met elkaar verder wilden, dit alleen dán kan betekenen dat zij erop mochten vertrouwen dat enigerlei overeenkomst tot stand zou komen, als concrete feitelijke handelingen zijn aan te wijzen, waarop dit vertrouwen kon worden gebaseerd.
4.16
Ook dit betoog van [appellant] wordt verworpen. Weliswaar kunnen feitelijke (uitvoerings-)handelingen een belangrijke rol spelen bij het antwoord op de vraag of partijen erop mochten vertrouwen dat enigerlei overeenkomst tot stand zou komen, maar dit betekent nog niet dat het (beweerde) ontbreken daarvan noodzakelijkerwijs meebrengt dat dit vertrouwen niet gerechtvaardigd was. In ieder geval is hetgeen [appellant] in dit verband hoofdzakelijk aanvoert — namelijk dat [geïntimeerde 1] c.s. in de periode april 1999 tot 7 september 1999 geen concrete pogingen hebben gedaan om tot verdere afspraken met [appellant] te komen — onvoldoende om aan te nemen dat dit vertrouwen niet gerechtvaardigd was. In dit verband laat het hof meewegen dat — naar blijkt uit de getuigenverklaringen — [appellant] degene is geweest, die reeds in april 1999 en ook daarna bij diverse gelegenheden heeft meegedeeld het bouwbedrijf te willen overnemen. De grief is ongegrond.
4.17
In grief V klaagt [appellant] erover dat de rechtbank bij de vaststelling dat aannemelijk is dat bij voortzetting van de onderhandelingen een overnameovereenkomst tot stand zou zijn gekomen, heeft meegewogen dat [appellant] onvoldoende heeft uitgelegd waarom dit anders was en in ieder geval niet heeft toegelicht op welke punten nog zodanig verschil van inzicht bestond dat dit niet aannemelijk was.
4.18
Ook deze grief slaagt niet. Uit de getuigenverklaringen — in het bijzonder zoals aangehaald onder 4.9 van het bestreden vonnis — blijkt immers dat [appellant] zelf in de periode april – augustus 1999 bij diverse gelegenheden heeft meegedeeld of heeft laten blijken dat hij het bouwbedrijf van [geïntimeerde 1] c.s. wilde overnemen. Daarbij komt dat niet gebleken is van enige actie of uitlating van de kant van [appellant] tot 7 september 1999 — de datum waarop hij heeft medegedeeld van de overname af te zien —, op grond waarvan [geïntimeerde 1] c.s. er niet langer op mochten vertrouwen dat enigerlei overeenkomst tot stand zou komen. Bij die stand van zaken had het op de weg van [appellant] gelegen, als hij desondanks meent dat het vertrouwen op het tot stand komen van een overeenkomst niet gerechtvaardigd was, gemotiveerd op te geven waarom dit zo is, bijvoorbeeld door concreet te benoemen op welke essentiële punten partijen van inzicht verschilden. Ook thans in appel heeft [appellant] dit niet gedaan.
4.19
In grief VI bestrijdt [appellant] zijn veroordeling in de proceskosten. Nu [appellant], naar uit het voorgaande blijkt, in het ongelijk wordt gesteld, treft ook deze grief geen doel.
5. Slotsom
Het hiervoor overwogene betekent dat de grieven falen. Het vonnis waarvan beroep moet — bij gebreke van grond voor vernietiging — worden bekrachtigd. [appellant] dient als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep te worden veroordeeld.
6. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep en begroot deze, voor zover tot heden aan de zijde van [geïntimeerde 1] c.s. gevallen, op € 894,-- aan salaris en op € 291,-- wegens verschotten;
verklaart dit arrest wat de kostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.M.J. Chorus, W.H.F.M. Cortenraad en H.M. ten Haaft en in het openbaar uitgesproken op donderdag 30 augustus 2007 door de rolraadsheer.
[Mr. T.A.C. van Hartingsveldt]