Hof Amsterdam, 13-12-2007, nr. 106.003.325, nr. 1419/05
ECLI:NL:GHAMS:2007:BD8797
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
13-12-2007
- Magistraten
Mrs. R.J.F. Thiessen, A.M.A. Verscheure, S.F. Schütz
- Zaaknummer
106.003.325
1419/05
- LJN
BD8797
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Verzekeringsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHAMS:2007:BD8797, Uitspraak, Hof Amsterdam, 13‑12‑2007
Uitspraak 13‑12‑2007
Mrs. R.J.F. Thiessen, A.M.A. Verscheure, S.F. Schütz
Partij(en)
ARREST
in de zaak van:
de vennootschap naar buitenlands recht
ST PAUL TRAVELERS INSURANCE COMPANY LIMITED (voorheen: ST Paul International Insurance Company Limited),
gevestigd te Amsterdam,
APPELLANTE,
procureur: mr. A. Knigge,
tegen
de stichting
STICHTING GEZONDHEIDSZORG OOSTELIJK ZUID-LIMBURG,
gevestigd te Heerlen,
GEÏNTIMEERDE,
procureur: mr. F.B. Falkena.
1. Het geding in hoger beroep
De partijen worden hierna respectievelijk St Paul en GOZL genoemd.
Bij dagvaarding van 28 juli 2005 is St Paul in hoger beroep gekomen van het vonnis van 4 mei 2005 van de rechtbank Amsterdam, in deze zaak onder nummer 295025/H 04.2405 gewezen tussen GOZL als eiseres en St Paul als gedaagde.
Op 3 augustus 2005 heeft GOZL een anticipatie-exploot uitgebracht.
St Paul heeft bij memorie vier grieven aangevoerd, bewijs aangeboden en geconcludeerd — zakelijk — dat het hof, uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis zal vernietigen, de vordering van GOZL zal afwijzen en GOZL zal veroordelen tot terugbetaling van hetgeen St Paul op basis van dat vonnis aan GOZL heeft voldaan (€ 10.171,71) vermeerderd met de wettelijke rente, met veroordeling van GOZL in de kosten van beide instanties.
Bij memorie van antwoord heeft GOZL de grieven bestreden, bewijs aangeboden en geconcludeerd — zakelijk — tot bekrachtiging van het vonnis.
Partijen hebben de zaak doen bepleiten, St Paul door mr. P.J.M. Drion, advocaat te Rotterdam, en GOZL door mr. J. Roeleveld, advocaat te Heerlen. Beide raadslieden hebben gepleit aan de hand van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd aan het hof.
Vervolgens hebben partijen het hof verzocht arrest te wijzen op de stukken van beide instanties.
2. Grieven
Voor de inhoud van de grieven wordt verwezen naar de memorie van St Paul.
3. Feiten
De rechtbank heeft in rechtsoverweging 1, onder a t/m e, van het bestreden vonnis een aantal feiten in deze zaak als vaststaand vermeld. De juistheid van deze feiten is tussen partijen niet in geschil, zodat ook het hof deze feiten tot uitgangspunt zal nemen.
4. Beoordeling
4.1
Tussen GOZL als verzekeringnemer en St Paul als verzekeraar is met als ingangsdatum 1 januari 1999 een verzekeringsovereenkomst (‘Multi Line Verzekeringsprogramma’) gesloten ten behoeve van de exploitatie door GOZL van (voor zover hier van belang) het Atrium Ziekenhuis te Heerlen, een ziekenhuis te Kerkrade en het verpleeghuis Schuttershof te Brunssum. Op deze locaties hebben zich in de periode van 1999 t/m 2001 besmettingen voorgedaan met de multiresistente bacteriën MRAC (multiresistente acinetobacter) respectievelijk MRSA (meticilline-resistente staphylococcus aureus). In een aantal gevallen was sprake van een epidemische verheffing. Naar aanleiding van deze besmettingen heeft GOZL maatregelen genomen om verdere verspreiding tegen te gaan (onder meer: sluiten van afdelingen, ontsmetten en zo nodig vernietigen van meubilair, vloerbedekking, computertoetsenborden, instrumentarium en dergelijke, afvoeren en bestralen van dossiers). De verzekeringsovereenkomst (artikel 2 respectievelijk artikel 3.1) biedt dekking tegen, kort gezegd en voor zover hier van belang, schade aan zaken en bedrijfsschade veroorzaakt door respectievelijk als gevolg van:
- ‘—
onverschillig welke van buiten komende onheilen;
- —
brand, blikseminslag, ontploffing, rook en lekkage van brandblus- en/of beveiligingsapparatuur al dan niet voortvloeiend uit een eigen gebrek, eigen bederf of een ander vanuit de verzekerde zaak zelf komend onheil als bedoeld in — en met renunciatie aan — artikel 249 Wetboek van Koophandel.’
4.2
Tussen partijen is een geschil ontstaan over — onder meer — de vraag of de door GOZL gestelde schade als gevolg van vorenbedoelde besmettingen gedekt is onder de verzekeringsovereenkomst. Het geschil betreft in het bijzonder de vraag of deze schade is veroorzaakt door van buiten komende onheilen. Bij gelegenheid van het pleidooi is van de zijde van GOZL op vragen van het hof verklaard dat zij de door haar in eerste aanleg betrokken stelling dat de verzekeringsovereenkomst in het algemeen ook voor niet van buiten komende onheilen dekking biedt — de in het bestreden vonnis in rechtsoverweging 5 besproken en verworpen grondslag — prijsgeeft.
4.3
GOZL vordert in dit geding — nadat zij in eerste aanleg haar vordering tot schadevergoeding op te maken bij staat had ingetrokken — een verklaring voor recht dat St Paul gehouden is jegens haar om dekking te verlenen voor de schade ten gevolge van (kort gezegd) vorenbedoelde besmettingen alsmede veroordeling van St Paul om aan haar een bedrag van € 8.468,41, te vermeerderen met wettelijke rente, te betalen ter zake van buitengerechtelijke kosten.
4.4
De rechtbank heeft de vordering van GOZL toegewezen. Zij heeft daartoe onder meer overwogen dat sprake is geweest van een van buiten komend onheil.
4.5
Naar aanleiding van de grieven overweegt het hof als volgt.
4.6
Beide partijen gaan er terecht van uit dat het bij de uitleg van het beding dat (kort gezegd) schade is gedekt veroorzaakt door van buiten komende onheilen gaat om de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan het beding mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Uit de wederzijdse stellingen van partijen leidt het hof voorts af dat geen van partijen er daarbij van uitgaat dat het begrip van buiten komende onheilen in de polis is gebezigd in de zin van het ten tijde van het sluiten van de verzekeringsovereenkomst geldende artikel 637 K.
4.7
Voor de beantwoording van de vraag of de gestelde schade het gevolg is van een van buiten komend onheil zal het hof — zij het bij wijze van veronderstelling — overeenkomstig de stellingname van GOZL en het oordeel van de rechtbank tot uitgangspunt nemen dat de meerbedoelde bacteriële besmettingen telkens zijn terug te voeren op de door GOZL aangewezen indexpatiënten.
4.8
In grief I onder ‘Ad 2’ betoogt St Paul dat óók bij evengenoemd uitgangspunt geen sprake is van een van buiten komend onheil als oorzaak.
4.9
GOZL heeft in eerste aanleg een aantal wetenschappelijke publicaties (bijlagen bij het expertiserapport van [naam] Expertise) in het geding gebracht. Daaruit komt het volgende naar voren.
- —
‘Acinetobacter spp. zijn aerobe Gram-negatieve staven en komen wijd verbreid in de natuur voor. Een aantal (…) behoren tot de normale huidflora van circa 25% van de gezonde mensen. Acinetobacter spp. worden gekenmerkt door een gering ziekmakend vermogen. Ziekenhuisinfecties door A. baumannii doen zich meestal slechts voor wanneer er sprake is van een verminderde weerstand in combinatie met opname op een IC-afdeling van een ziekenhuis. Hier kan de Acinetobacter infecties veroorzaken in ieder orgaansysteem, maar respiratoire infecties komen het meest voor. A. baumannii is vaak resistent voor veel klinisch gangbare antibiotica, zoals de in het Atrium medisch centrum aangetroffen epidemische Acinetobacter baumannii-stam (…)In 1999–2001 hebben verschillende Nederlandse ziekenhuizen een epidemische Acinetobacter ervaren. Wel zijn ook al in voorafgaande jaren verschillende epidemieën op IC-afdelingen met deze bacterie voorgekomen en gerapporteerd. Een factor hiervoor is het gebruik van (nieuwere soorten) antibiotica. (…)MRAC is met name een ziekenhuisgerelateerd probleem, niet alleen vanwege de categorieën opgenomen patiënten, maar vooral ook door de antibiotische druk. Derhalve lijkt MRAC voor de eerstelijnsgezondheidszorg geen probleem en zijn uitgebreide maatregelen, naast de normale handhygiëne, niet noodzakelijk.’
(Infectieziekten Bulletin nummer 1 2003)
- —
‘Huiddragerschap met Acinetobacter komt voor bij ongeveer een kwart van de bevolking. Het is het meest voorkomende gram-negatieve micro-organisme op de handen van ziekenhuispersoneel en is ook wijdverspreid in de (ziekenhuis)omgeving. In gezonde personen veroorzaakt het echter zelden een infectie. In immuungecompromitteerde personen kan Acinetobacter infecties veroorzaken in ieder orgaansysteem, maar respiratoire infecties komen het meest voor.’
(Infectieziekten Bulletin nummer 2 2001)
- —
‘Voor gezonde mensen vormt MRSA geen enkele bedreiging. Zij verliezen de bacterie vanzelf of ze dragen de bacterie bij zich zonder dat ze er iets van merken. De maatregelen worden juist genomen voor patiënten die in het ziekenhuis liggen en die wel het risico lopen om besmet te worden.’
(TvB oktober 2002)
- —
‘MRSA (…) is een bacterie die mensen bij zich dragen in de neus of op de huid. Buiten het ziekenhuis kan deze bacterie weinig kwaad omdat de meeste mensen de bacterie vanzelf kwijtraken. De bacterie is wel gevaarlijk voor mensen met een ernstig verminderde weerstand en voor mensen die recent geopereerd zijn of moeten worden geopereerd. (…)In een ziekenhuis bevinden zich veel mensen dicht bij elkaar; dit vergroot de kans op besmetting (uitwisseling van bacteriën). Omdat patiënten vaak minder weerstand hebben, zijn zij gevoeliger voor infecties. Het is daarom belangrijk dat verspreiding van de MRSA wordt voorkomen.’
(Website AZG)
4.10
Het standpunt van GOZL komt er in wezen op neer dat de MRAC/MRSA als bron van de infectie ‘van buiten’ is geïntroduceerd en dat daarom sprake is van een van buiten komend onheil. Tegen de achtergrond van de hiervoor geciteerde passages — waarvan ook GOZL de juistheid als zodanig niet heeft bestreden — overtuigt dit standpunt niet. Waar de MRAC en de MRSA bacteriën zijn die wijd verbreid in de natuur voorkomen en onder normale omstandigheden zonder gevolgen blijven, maar juist in de specifieke omstandigheden die heersen in een ziekenhuisomgeving tot infecties kunnen leiden, ligt het niet voor de hand de MRAC/MRSA als de hier rechtens relevante oorzaak van de door GOZL gestelde schade aan te merken. Tegen die achtergrond is er veeleer reden die specifieke in een ziekenhuis heersende omstandigheden als zodanige oorzaak aan te merken.
4.11
GOZL — de partij op wie hier de stelplicht rust — heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die niettegenstaande het voorgaande ertoe nopen het beding ter zake van de dekkingsomvang aldus uit te leggen dat de bacteriën MRAC en MRSA moeten gelden als van buiten komende onheilen als oorzaak van schade. Zij heeft nog een beroep gedaan op artikel 5.4 van de polis (‘uitsluitingen’), waarin is bepaald dat niet verzekerd is schade met betrekking tot normale slijtage, roestvorming, corrosie en andere geleidelijke achteruitgang, ratten, muizen, motten en ander ongedierte (met uitzondering van bacteriologische besmetting) (cursief hof). Aan GOZL moet worden toegegeven dat deze uitzondering op de uitsluiting mogelijk licht werpt op de uitleg van de artikelen 2 en 3.1. Toch legt deze bepaling tegenover de hiervoor besproken argumenten onvoldoende gewicht in de schaal om alsnog een ruimere dekkingsomvang te aanvaarden. St Paul heeft een voorbeeld genoemd van een bacteriologische besmetting van geheel andere aard waarop artikel 5.4 — deze bepaling, naar het hof begrijpt, in haar geheel bezien, dat wil zeggen ‘bacteriologische besmetting’ gelezen in samenhang met de overige in artikel 5.4 genoemde omstandigheden — volgens haar betrekking heeft en die wel tot vergoeding zou kunnen leiden (door bacteriën aangevreten kweken en dergelijke). GOZL is daar verder niet op ingegaan.
4.12
Het komt er op neer dat het hof de hiervoor besproken controverse tussen partijen met betrekking tot de uitleg van de verzekeringsovereenkomst beslist in het voordeel van St Paul. Onderdeel 2 van grief I slaagt dus. De overige klachten kunnen bij deze stand van zaken onbesproken blijven.
5. Slotsom en kosten
De slotsom luidt dat het bestreden vonnis moet worden vernietigd, dat de vordering van GOZL alsnog moet worden afgewezen en dat de vordering van St Paul tot terugbetaling van hetgeen zij ter uitvoering van dat vonnis aan GOZL heeft voldaan zal worden toegewezen, met veroordeling van GOZL in de kosten van beide instanties.
6. Beslissing
Het hof
vernietigt het bestreden vonnis;
opnieuw rechtdoende:
wijst de vordering van GOZL af;
veroordeelt GOZL tot terugbetaling van al hetgeen St Paul op basis van het bestreden vonnis aan haar heeft voldaan (in totaal € 10.171,71), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling door St Paul tot het moment van terugbetaling;
veroordeelt GOZL in de kosten in eerste aanleg, aan de zijde van St Paul begroot op € 288,- voor verschotten en op € 904,- voor procureurssalaris;
veroordeelt GOZL in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van St Paul begroot op € 474,60 voor verschotten en op € 3.156,60 voor procureurssalaris;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.F. Thiessen, A.M.A. Verscheure en S.F. Schütz en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 13 december 2007.
[mr. J.H. Huijzer]