Hof Amsterdam, 17-01-2008, nr. 106.004.996, nr. 894/06
ECLI:NL:GHAMS:2008:BD8798
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
17-01-2008
- Magistraten
Mrs. T.A.C. van Hartingsveldt, W.J.J. Los, C.E. van Oosten-van Smaalen
- Zaaknummer
106.004.996
894/06
- LJN
BD8798
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHAMS:2008:BD8798, Uitspraak, Hof Amsterdam, 17‑01‑2008
Uitspraak 17‑01‑2008
Mrs. T.A.C. van Hartingsveldt, W.J.J. Los, C.E. van Oosten-van Smaalen
Partij(en)
ARREST
in de zaak van:
[appellant],
wonend te [woonplaats],
APPELLANT,
procureur voorheen: mr. M. Jongeneelen
thans : mr. H.J. Bos,
tegen
de naamloze vennootschap CenE BANKIERS N.V.,
thans genaamd F. van Lanschot Bankiers,
thans gevestigd te 's‑Hertogenbosch,
GEÏNTIMEERDE,
procureur: mr. B.J.H. Crans.
1. Het geding in hoger beroep
De partijen worden hierna [appellant] en CenE genoemd.
Bij dagvaarding van 24 januari 2006, hersteld bij exploit van 10 mei 2006, is [appellant] in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Utrecht van 2 november 2005, in deze zaak onder nummer 192376/HA ZA 05/670 gewezen tussen hem als eiser en CenE als gedaagde.
[appellant] heeft bij memorie negen grieven tegen het bestreden vonnis opgeworpen en daarbij bescheiden in het geding gebracht en bewijs aangeboden, met conclusie, kort gezegd, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en — uitvoerbaar bij voorraad — de oorspronkelijke vorderingen alsnog zal toewijzen, met kosten.
Daarop heeft CenE geantwoord en bescheiden in het geding gebracht en bewijs aangeboden, met conclusie, kort gezegd, dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met —uitvoerbaar bij voorraad — kosten.
Ten slotte is arrest gevraagd op de stukken van beide instanties.
2. Feiten
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2, 2.1 tot met 2.7, een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Daaromtrent bestaat geen geschil zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.
3. Beoordeling
3.1
Het gaat in deze zaak — kort gezegd — om het volgende:
CenE heeft [appellant] bij brief van 20 juni 2000 een beleggingsadvies toegestuurd (hierna: het beleggingsadvies) met betrekking tot belegging door [appellant] van een vermogen van fl. 480.000,00 (€ 217.814,50). Uitgangspunten van het beleggingsadvies waren een op vermogensgroei gericht beleid, een gematigd risicoprofiel, en beschikbaarheid van de gelden voor belegging in privé gedurende een langere periode. Het beleggingsadvies hield in een verdeling van het te beleggen vermogen over obligaties (34%), onroerende zaken (10%) en aandelen (55%). Met betrekking tot de aandelen heeft CenE [appellant] geadviseerd te participeren in de CenE AandelenSelectie Europa (ASE). Bij het advies was een Bijlage CenE Bankiers Beleggings-profielen gevoegd waarin onder meer het defensief en het neutraal beleggingsprofiel werden weergegeven. [appellant] heeft het beleggingsadvies gevolgd en heeft CenE opgedragen conform te handelen. In augustus 2002 is de aandelenportefeuille in opdracht van [appellant] geliquideerd. op het moment van liquidatie leed [appellant] een aanzienlijk koersverlies ten opzichte van het ingebrachte vermogen.
Bij brief van 18 november 2002 heeft [appellant] bij de Klachtencommissie van het Dutch Securities Institute (de Klachtencommissie) een klacht ingediend over de wijze waarop CenE zijn vermogen heeft beheerd. Bij bindend advies van 29 juni 2004 heeft de Klachtencommissie de klacht van [appellant] afgewezen. [appellant] heeft bij brief aan Van Lanschot van 4 januari 2005 buitengerechtelijk de vernietiging van het bindend advies van de Klachtencommissie ingeroepen.
Vervolgens heeft [appellant] gevorderd dat de rechtbank voor recht zal verklaren ten le dat [appellant] het bindend advies rechtsgelding buitengerechtelijk heeft vernietigd, althans dat de rechtbank dat zal vernietigen, en ten 2e dat CenE toerekenbaar is gekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens hem en/of onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. Voorts heeft [appellant] veroordeling van CenE gevorderd tot vergoeding van de door hem geleden schade, op te maken bij staat. Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vorderingen afgewezen.
3.2
Het hof stelt voorop, dat in deze procedure niet de vraag ter beoordeling voorligt of de motivering van het bindend advies deugdelijk is, doch uitsluitend of gebondenheid van partijen aan het bindend advies, in verband met de inhoud of de wijze van totstandkoming ervan, in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Vernietiging van een bindend advies op grond van artikel 7:904 lid 1 BW is uitsluitend mogelijk als een motivering ontbreekt of als het bindend advies zo gebrekkig is gemotiveerd dat het met een ongemotiveerd bindend advies op één lijn moet worden gesteld. Zoals de rechtbank heeft overwogen is de rechter in dezen slechts een marginale toets toegemeten.
3.3
Met de Grieven I en II bestrijdt [appellant] het oordeel van de rechtbank, dat niet is gebleken dat de Klachtencommissie eraan is voorbijgegaan dat zowel [appellant] als CenE uitgingen van vermogensbeheer en niet van slechts een beleggingsadvies. Zoals de rechtbank in rechtsoverweging 4.5.1. heeft overwogen heeft de Klachtencommissie zich over de kwalificatie van de beleggingsverhouding tussen partijen gebogen en deze bij de behandeling ter zitting aan de orde gesteld, omdat de Klachtencommissie in de overgelegde processtukken onvoldoende houvast vond voor het oordeel dat er van het door [appellant] gestelde vermogensbeheer sprake was. Dat ook CenE daarvan, in ieder geval ten aanzien van de ASE, zou zijn uitgegaan is, aldus de Klachtencommissie niet gebleken. CenE heeft weliswaar erkend dat [appellant] vermogensbeheer wenste, doch heeft — ook ter zitting van de Klachtencommissie — aangevoerd dat het beschikbare vermogen van [appellant] naar de toen geldende criteria van CenE ontoereikend was voor vermogensbeheer door haar, dat zij dit aan [appellant] heeft doen weten en dat een groot deel van de beleggingen steeds in expliciete opdracht van [appellant] geschiedde. Dat voor de uitvoering van transacties in het kader van de ASE door [appellant] een volmacht aan CenE is verstrekt leidde tot een dienstverlening die het door [appellant] verlangde vermogensbeheer zo dicht mogelijk benaderde, aldus de Klachtencommissie.
3.4
Door aldus te overwegen heeft de Klachtencommissie wellicht anders geoordeeld dat [appellant] juist acht, doch dat betekent niet dat de Klachtencommissie aan het standpunt van [appellant] in dezen is voorbijgegaan. Het hof wijst er in dit verband op dat evenmin aan de orde is de vraag of de rechtbank, respectievelijk het hof, het oordeel van de Klachtencommissie in alle facetten onderschrijft. De te beantwoorden vraag is immers slechts of het oordeel voldoende is gemotiveerd. Dit is gezien hetgeen hiervoor is overwogen het geval.
3.5
Hetzelfde geldt ten aanzien van [appellant] stelling dat het oordeel van de Klachtencommissie over de beleggingsrelatie tussen partijen, gelet op de wijze van totstandkoming daarvan, onhoudbaar is. De Klachtencommissie heeft gezien de stukken en de uiteenlopende standpunten van partijen dienaangaande, de vraag naar de kwalificatie van die relatie ter mondelinge behandeling aan de orde gesteld en is mede op grond van de verklaring van een medewerker van CenE ([naam 1]) bij die gelegenheid tot haar oordeel over die kwalificatie gekomen. Zoals de rechtbank heeft overwogen heeft [appellant] in het kader van de behandeling van zijn klacht klaarblijkelijk geen argumenten aangedragen voor een andersluidend oordeel. Voor zover [appellant] deze argumenten thans wel heeft aangedragen, kan zulks niet tot het oordeel leiden dat de Klachtencommissie zodanige argumenten onbesproken heeft gelaten. De Klachtencommissie kon zich immers niet buigen over argumenten die pas na haar bindend advies zijn geformuleerd, zoals de stelling van [appellant] dat bedoelde medewerker zou hebben gelogen, of diens verwijzing naar verklaringen van vader en dochter [naam 2] die pas na het bindend advies zijn opgesteld. Ook het hof dient die nadere argumenten van [appellant] buiten beoordeling te laten bij de marginale toetsing die het thans heeft te verrichten ten aanzien van de inhoud van het bindend advies. Beide grieven treffen dus geen doel.
3.6
De Grieven III, IV en VI zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank (onder 4.5.2.) dat de Klachtencommissie voldoende deugdelijk gemotiveerd is ingegaan op de klacht van [appellant] dat de gekozen ‘asset-allocatie’ niet overeenkwam met zijn profiel en dat te risicovol zou zijn belegd. Ook deze grieven falen. De rechtbank is nagegaan of, en heeft geconstateerd dat, de Klachtencommissie zich over die klachten heeft gebogen en gemotiveerd tot het oordeel is gekomen dat deze ongegrond zijn. De rechtbank heeft in de thans bestreden rechtsoverweging op alle onderdelen van die motivering gewezen. Ook het hof constateert dat de Klachtencommissie geen van de door [appellant] blijkens de processtukken in die procedure gebezigde relevantte argumenten opbesproken heeft gelaten. Het oordeel van de rechtbank is dan ook juist. Evenzeer juist is het oordeel van de rechtbank — het zij herhaald — dat de vraag of op het oordeel van de Klachtencommissie inhoudelijk iets valt af te dingen niet aan de rechter voorligt, doch dat slechts bezien moet worden of de beslissing tot afwijzing van de klacht niet zo ondeugdelijk is gemotiveerd dat deze op één lijn is te stellen met een beslissing waarvan de motivering ontbreekt, en voorts of deze beslissing voldoende inzichtelijk is gemaakt, en niet van apert onjuiste of ten ene male onhoudbare standpunten blijk geeft.
3.7
Grief V bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat de klacht van [appellant], inhoudende dat de Klachtencommissie het beginsel van hoor en wederhoor zou hebben geschonden, faalt. Uit het bindend advies blijkt, dat beide partijen twee schriftelijke rondes is geboden ter toelichting van klacht respectievelijk verweer daartegen, en dat ieder van hen ter mondelinge behandeling de gelegenheid tot toelichting van zijn standpunt heeft gehad. Hetgeen [naam 1] ter mondelinge behandeling heeft verklaard, komt overeen met hetgeen CenE in haar verweer had weergegeven. Daarop had [appellant] ook reeds gereageerd. [appellant] heeft bovendien niet gesteld, en evenmin is zulks gebleken, dat (en hoe) hij ter mondelinge behandeling op die verklaring wenste te reageren doch dat hem die mogelijkheid is geweigerd. Dat hij in die procedure zonder raadsman is verschenen en zich bij nader inzien van (niet-verplichte) procesvertegenwoordiging had willen voorzien maakt dit niet anders.
3.8
[appellant] betoogt dat de Klachtencommissie hem had moeten toelaten om alsnog bewijs van zijn stelling te leveren, met name ten aanzien van zijn beweerde mededelingen aan [naam 1] omtrent zijn beleggingsdoelstellingen. Dat de Klachtencommissie daartoe geen aanleiding heeft gezien vormt geen schending van het beginsel van hoor en wederhoor, nog daargelaten dat niet duidelijk is of [appellant] zodanig bewijs in die procedure heeft aangeboden. Ook deze grief treft geen doel.
3.9
De Grieven VII, VIII en IX houden alle in dat de rechtbank ten onrechte met toepassing van de marginale toetsingsmaatstaf tot het oordeel is gekomen dat de redelijkheid en billijkheid er gelet op de gegeven omstandigheden alsook gelet op de inhoud en de wijze van totstandkoming van het bindend advies, niet aan in de weg staan [appellant] aan dat bindend advies gebonden te achten en er dus geen grond is voor vernietiging van dat advies. [appellant] herhaalt hier deels, en verwijst voor het overige naar, zijn toelichting op de voorgaande grieven. Nu deze alle falen delen de grieven VII tot en met IX dat lot.
3.10
Het hof passeert het bewijsaanbod van [appellant] omdat geen of onvoldoende feiten of omstandigheden te bewijzen zijn aangeboden die tot een andere beslissing kunnen leiden.
4. Slotsom en kosten
Alle grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd en [appellant] dient als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van de procedure in hoger beroep te dragen.
5. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
verwijst [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van CenE gevallen, op € 296,00 aan verschotten en € 1.631,00 aan salaris procureur;
verklaart de veroordeling ten aanzien van de kosten uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. T.A.C. van Hartingsveldt, W.J.J. Los en C.E. van Oosten-van Smaalen en op 17 januari 2008 in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer.
mr. T.A.C. van Hartingsveldt